IRS cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van IRS te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van IRS.

Bekijk het origineel

De Dordtse Kerkorde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Dordtse Kerkorde

13 minuten leestijd

Graag voldoe ik aan het verzoek van collega Hegger iets ten goede van de Dordtse Kerkorde te schrijven, temeer daar zij in het decembernummer van In de Rechte Straat nogal hevig is aangevallen. Het gaat in die aanval niet zozeer om de DKO zelf, maar om de vraag naar de rechte inrichting van de kerk van onze Here Jezus Christus en het is goed om dit niet over het hoofd te zien. Collega Van den Berg, wiens boekje De gekerkerde kerk vrij breed geciteerd wordt, heeft nog wel iets goeds te zeggen over de DKO, maar opponeert in zijn boekje ten diepste tegen het leven der zelfstandige kerken van Christus in een bepaald verband. Zijn ideaal is dat van de „vrije kerken", die incidenteel samenwerken en daartoe dan van een tijdelijke organisatie gebruik kunnen maken, welke organisatie na het samen verrichte werk zo spoedig mogelijk dient te verdwijnen. Want in de organisatie ziet hij het grote gevaar voor het vrije waaien van de Geest.

Naar ik meen te zien ligt hier de kern van zijn bezwaren tegen de DKO en klopt in dit bezwaar het hart van zijn geschrift. Daaruit verklaar ik ook de bijval, diehij van sommigen ondervindt. Het establishment is in onze tijd niet in ere, ook niet voor zover het kerkelijke instellingen betreft. Daarbij komt dat de leus: terug naar de Bijbel en niets daarbij, in de kerkgeschiedenis altijd is gehoord, vooral in crisistijden. Het feit, dat daarmee vaak gepaard ging de afkeer van een vaststaande en bindende belijdenis kan echter het oog er voor openen, dat we ons hier moeten hoeden voor simplificatie en dat enige voorzichtigheid wel op zijn plaats is. Ik denk hier niet slechts aan de uit de kerkgeschiedenis bekende Brownisten en latere independenten, maar ook aan een kring als de collegianten te Amsterdam, verwant met die te Rijnsburg, die ook de oud-christelijke gemeenteorganisatie wilden invoeren, maar daarnaast met afwijzing van een vaste geloofsbelijdenis wel zeer vreemde, spiritualistische en chiliastische denkbeelden huldigden. Tot hen behoorde o.a. Adam Boreel, die elke confessie afwees, alleen de Schrift wilde laten gelden als regel des geloofs en vrijheid van profeteren voor ieder voorstond. Alle zichtbare kerken werden voor hem valse kerken; verder verspilde deze zeer geleerde man veel geld aan het zoeken naar de steen der wijzen. Deze collegianten vormden de overgang van het sektentype naar het humanistisch moralistisch „christendom" van de socinianen. 1 )

Zoals gezegd, enige voorzichtigheid is wel op zijn plaats als men bepaalde leuzen hoort, die op het eerste horen wel aangenaam klinken.

Maar nu dan de Dordtse Kerkorde.

Uitgangspunten

Het uitgangspunt voor de vorming van een Kerkorde is geweest dat de plaatselijke kerken van Christus een geloofsgemeenschap vormen. Liever nog, de leden van die kerken doen dat. Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk! Deze eenheid in het geloof heeft ook in het zichtbare tot uiting te komen in het samenleven der plaatselijke kerken, waarin zich de ene, algemene kerk representeert en aanwezig is. Dit besef heeft, vooral door toedoen van Marnix van St. Aldegonde, de Nederlandse kerken er toe geleid een kerkverbandelijk samenleven aan te gaan, waarin het als taak werd gezien met vereende krachten het Evangelie van Gods vrije genade in de - zoals men hoopte en vurig bad - straks bevrijde Nederlanden te verbreiden tot planting en uitbreiding van Zijn kerk en verder elkaar te helpen tot het rechte inrichten van het kerkelijke leven en de bewaring daarvan bij het Woord van God.

Men heeft dit gedaan in het besef dat men nieuwtestamentische kerk was, d.w.z. niet meer in alle details van het leven gebonden was aan voorgeschreven wetten, zoals dat het geval was met de kerk van het Oude Verbond. M.a.w. dat men in gebondenheid aan wat ik gemakshalve noem de grondbeginselen van het Nieuwe Testament ten aanzien van de kerk en haar inrichting, nu zelf geroepen was tot concretisering daarvan in christelijke mondigheid en vrijheid. Dit is gedaan op de eerste synode van de kerk der Reformatie, in 1571 te Embden gehouden; de daar opgestelde en aangenomen kerkorde is in substantie gelijk aan de latere DKO. Maar zij werd niet beschouwd als een onveranderlijke goddelijke wet. Uitdrukkelijk werd aan het slot bepaald dat deze artikelen „alsoo" (in het Latijn: ita) zijn gesteld, dat ze veranderd, vermeerderd en verminderd mogen en behoren te worden, indien de nuttigheid der kerken dit zou vereisen.

Dit is bij nadere versies der kerkorde steeds het laatste artikel gebleven. Er staat in dit artikel nog een uitdrukking, waarop te letten valt. Deze artikelen der kerkorde zijn gesteld en aangenomen (!) met gemeen accoord. Ze zijn niet als een dwanglijf van bovenaf de vrije kerken van Jezus Christus opgelegd, maar door de afgevaardigden der kerken met gemeen accoord aangenomen. In dit laatste komt duidelijk uit het verbondsmatige karakter van het gereformeerde kerkverband: in de vrijheid van Christus aanvaardt men deze kerkorde als een gemeenschappelijke regeling voor het plaatselijke kerkelijke leven en voor het leven in een kerkverband.

Nadere regelingen noodzakelijk

De Bijbel is geen wetboek, dat door zijn voorschriften tot in details in alles voorziet; zulks zou in strijd zijn met de mondigheid van de nieuwtestamentische gemeenten. En we moeten, dacht ik, voor twee dingen oppassen. Haar met de leus: Alleen de Bijbel, tot zulk een wetboek gaan degraderen. Deze leus dan op een bepaalde wijze gehanteerd! Dit heeft de Puriteinen in Massachusetts in Nieuw Engeland er toe geleid om een rechtspraak in te voeren die direct aan de Bijbel was ontleend: aan de wetten van Mozes, tenminste zoveel mogelijk! Waarbij zelfs de doodstraf voor ongehoorzame kinderen werd ingevoerd. Aan de andere kant moet gewaakt worden voor individualisme en losbandigheid, waarvan de gemeente te Corinthe ons voorbeelden te zien geeft. De praktijk van ook het kerkelijke leven maakt bepaalde regelingen noodzakelijk. Hoe zal men ouderlingen verkiezen? Zoals de kerkeraad van Amsterdam dat in de Reformatietijd deed: door zichzelf aan te vullen? Of door de gemeente vrij te laten kiezen? Zal een predikant naar eigen goedvinden zijn gemeente mogen verlaten voor een andere? Wanneer moet een ambtsdrager afgezet worden? Als hij weigert zich van een zonde te bekeren, zegt ds Van den Berg op pag. 97. Maar drift is een zonde; ook der afzetting waardig? Moet er direkt afzetting komen of eerst schorsing, die de mogelijkheid van bekering verdisconteert en tot bekering dringen wil?

Dit zijn maar enkele vragen, die willen aangeven dat het nu eenmaal zonder bepaalde nadere regelingen en afspraken niet gaat, wil men niet vervallen tot algehele willekeur.

Hetzelfde geldt voor de kerken gezamenlijk. Dodende eenvormigheid dient vermeden te worden, maar zijn er ook geen zaken, waarin we op eenzelfde wijze behoren te zijn ingericht en dienen te handelen? Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeente zwijgen, schrijft Paulus in 1 Cor. 14:34. Hij wil dus dat in bepaalde zaken de gemeenten eenzelfde gedragslijn zullen volgen en hij verwijt de Corinthiërs hun gemeentelijk individualisme: Of is het woord Gods bij u begonnen? vers 36.

De kerken der Reformatie hebben dit uitnemend begrepen en daarom heengewerkt naar gemeenschappelijke regelingen, waarbij ze de zelfstandigheid en eigengeaardheid der gemeenten wel degelijk in aanmerking genomen hebben, zo bv. bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen, „volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door de kerkeraad vastgesteld is", art. 22. Zo zou er meer te noemen zijn.

Uiteraard moet hierbij gewacht worden voor overdrijving, waardoor een kerkorde zou ontaarden in een wetboek, dat alles tot in finesses regelt en dat slechts specialisten van het vak onder de knie kunnen hebben. Zij dient beperkt te worden tot hoofdzaken, algemene beginselen en regelen, die de goede orde in de gemeente van Christus dienen en het kerkelijke samenleven in grote lijnen bepalen.

Leerzaam is in dit verband wat Calvijn schrijft in zijn Institutie, IV, X, 27: „Daarom, wanneer we willen, dat voor de welstand der kerk goed gezorgd wordt, moet er met zeer veel ijver gezorgd worden voor hetgeen Paulus beveelt, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden (1 Cor. 14:40). Maar daar er in de zeden der mensen zo groot verschil is, en in de gemoederen zo grote verscheidenheid, en in de oordelen en inzichten zo grote strijd, is er ook geen regeringsinrichting sterk genoeg, wanneer ze niet door vaste wetten is geregeld, en kan ook geen gebruik in stand blijven zonder een bepaalde vastgestelde vorm. Het is er dus zover vandaan, dat wij de wetten, die daartoe dienstig zijn, zouden veroordelen, dat we veeleer beweren, dat wanneer men deze wetten wegneemt, de kerken van hun zenuwen beroofd worden, en geheel misvormd en verstrooid worden. Immers men kan nier hebben, wat Paulus eist, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden, tenzij de orde en betamelijkheid zelf stand houden doordat men, bij wijze van banden, wetten toevoegt".

Calvijn schrijft dit tegen wat hij noemt de dwaling van hen, die alle wetten „doorschrappen", wanneer ze horen dat de consciëntiën der mensen door menselijke inzettingen op goddeloze wijze gebonden worden en God tevergeefs wordt geëerd. Hij heeft zich de situatie dus wel goed ingedacht en daarom voegt hij aan het boven geciteerde toe en daarop moet wel gelet worden: „Alleen dit moet men bij dergelijke wetten altijd als voorwaarde stellen, ten eerste dat men niet gelooft, dat ze tot zaligheid nodig zijn en zo de consciëntiën met bezorgdheid binden, en ten tweede, dat men ze niet betrekking doe hebben op de dienst van God, en zo de vroomheid in hen gesteld zou worden".

Van dit laatste wil Calvijn niets weten. Immers, in deze menselijke inzettingen zoekt men niets anders dan dat door onderling dienstbetoon de liefde onder ons gevoed wordt, 28. Duidelijk onderscheidt hij daarom tweeërlei wetten. Even verder spreekt hij, voor minder misverstand vatbaar, van algemene regelen: Maar aangezien de Here in de uiterlijke tucht en de ceremoniën niet stuk voor stuk heeft willen voorschrijven, wat we volgen moeten (omdat Hij voorzag, dat dit afhangt van de tijdsomstandigheden, en oordeelde dat een vorm niet paste voor alle eeuwen) moeten wij hier de toevlucht nemen tot algemene regelen … die dan naar het oordeel van Calvijn, alnaarmate het nut der kerk dat eist, kunnen worden veranderd en afgeschaft, terwijl ook nieuwe kunnen worden ingesteld, 30.

Zoals men ziet, gaat de DKO in zijn slotartikel op Calvijn terug, zoals in heel zijn opzet en is hier allerminst sprake van starheid en het heimelijk invoeren van nieuwe geboden, om daardoor God te dienen of in de onderhouding daarvan de zaligheid te stellen.

Men moet daarom in de DKO onderscheiden tussen principiële artikelen, rechtstreeks aan de Schrift ontleend, en nadere regelingen, die veranderd, vermeerderd of verminderd kunnen worden.

Met het bovenstaande is wel duidelijk geworden, naar ik hoop, dat het onderhouden van een kerkorde niet inhoudt dat er een „binding in geweten" wordt opgelegd en dat er geboden worden verkondigd, die niet direct in de Bijbel aanwijsbaar zijn. Er is onderscheid tussen nadere regelingen en geboden. Zelfs als Calvijn het woord wetten gebruikt, spreekt hij van tweeërlei soort, in de ene waarvan niet de vroomheid gelegen is. In dit opzicht is de vrees van collega Hegger ongegrond.

Het is me onmogelijk in dit artikel nader in te gaan op het boekje van collega Van den Berg en de daaruit gegeven citaten in het decembernummer van In de Rechte Straat. Ik vind daarin een wetticistisch Biblicisme aan het woord, dat vrijwel altijd met een spiritualisme gepaard gaat, dat al zoveel onheilen heeft gesticht in de kerkgeschiedenis; zie het begin van dit artikel. 2)

Principe en hantering

De DKO is principieel anti-hiërarchisch, zoals collega Van den Berg min of meer toestemt. Het oorspronkelijk eerste artikel geeft dit duidelijk aan: Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaren over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren. Hier is de roomse kerkinrichting in de hartader getroffen en afgewezen.

Zij gaat uit van Christus' heerschappij over Zijn kerk door Zijn Woord. Daarom zal hetgeen door de meeste stemmen is goedgevonden, wel voor vast en bondig gehouden worden, maar onder deze beperking: Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods enz.

De hantering van de DKO is niet steeds geweest in overeenstemming met haar opzet en inhoud, dit zij toegegeven. We hebben dit in de jaren van de vrijmaking onzerzijds ook gesteld. Maar kort na de opstelling van de kerkorde ging het al meermalen de verkeerde kant op, mede door de verstrengeling van staat en kerk. Men denke aan de grote Synode van Dordt.

Na de eerste vijftig jaar is de DKO praktisch ongewijzigd gebleven, wat uiteraard in hoofdzaak is veroorzaakt doordat gedurende twee eeuwen geen nationale synode gehouden kon worden vanwege de verhindering door de overheid. Nadien werd zij in de gereformeerde kerken weinig gewijzigd. Dat lag m.i. niet aan de organisatie als zodanig, maar aan angst voor verandering vanwege een conservatieve inslag van het kerkvolk. Het wordt wel tijd, dat zij eens op haar aktualiteit wordt getoetst. Dan kunnen bepaalde artikelen wel vervallen en andere gewijzigd. Ik kan dat om de ruimte nu niet breder toelichten.

Maar het is mijn vaste overtuiging, dat zij in haar opzet bijbels verantwoord is en in haar principiële artikelen duidelijke Schriftgegevens bevat en in andere nadere regelingen getuigt van bijbelse wijsheid en principieel denken vanuit bijbelse gegevens, m.a.w. dat zij, behoudens nodige wijzigingen in verband met de andere tijden, niet dient te worden prijs gegeven, maar dienstig is tot het bewaren van de goede orde in de gemeente van Christus, art. 1.

Uitermate kort heb ik getracht aan het verzoek van collega Hegger te voldoen. De zaak is nadere overweging waard, vooral vanwege de achtergronden, waarop maar zeer summier kon worden ingegaan. Gaarne wil ik mij aansluiten bij zijn opmerking, dat als we niet eigen mening willen verabsoluteren en steeds biddend bezig zijn met Gods Woord zoals de Bereeërs, de Here ons zeker zal leiden door Zijn Heilige Geest. Zonder die Geest en dat gebed zal het zeker niet gaan.

1) Zie dr. R. B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam. II. pag. 24 v.v.

2) Ongegrond is zijn bewering, dat de DKO een kerkinrichting voorstaat, die is afgekeken van de Republiek. De presbyteriaal-synodale kerkinrichting stamt uit…… Frankrijk, waar zij onder invloed van Calvijn tot stand kwam, een dertig jaar vóór de staatsinrichting der Republiek haar beslag kreeg!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1970

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De Dordtse Kerkorde

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1970

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PDF Bekijken