Bekijk het origineel

MOGEN WIJ BELASTING ONTDUIKEN?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MOGEN WIJ BELASTING ONTDUIKEN?

11 minuten leestijd

Tijdens een spreekbeurt te Aalten had ik gezegd, dat volgens de r.-k. zedeleer (moraaltheologie) de belasting mocht ontdoken worden, althans voor een gedeelte. Ik maakte ook melding van het verschil in opvatting hieromtrent binnen de r.-k. kerk. Als voorbeeld gaf ik de kloosterorde, waartoe ik behoorde nl. de paters redemptoristen. Volgens ons mocht je niet meer dan een derde van de belasting ontduiken. Volgens de jezuïeten mocht je gaan tot de helft.

Bij de gedachtenwisseling beweerde iemand dat dit niet waar was. Hij bleek een protestant te zijn. Dat verwonderde mij. Hoe kan hij menen het beter te weten dan iemand, die rooms-katholiek is geweest en tijdens zijn priesterstudies al deze zaken grondig heeft moeten bestuderen?

Toen ik hem voorstelde dat ik in het eerstkomende nummer van IRS uit mijn bronnen zou citeren (daar ik die op die avond natuurlijk niet bij me had), insisteerde hij: Nee, ook dan geloof ik u niet.

In een persoonlijk gesprek na afloop vroeg ik hem: En als ik nu een fotocopie stuur van het gedeelte uit mijn bronnen, wat daarover handelt. Ik kreeg de indruk, dat hij in zulk een geval bereid was te aanvaarden, dat ik waarheid sprak. Die fotocopieën heb ik hem dan ook gestuurd.

Het is wel vreemd, dat iemand die dus helemaal niet thuis blijkt te zijn in de r.-k. leer, toch rustig en openlijk beweert: Ik geloof u niet, ook al vermeldt u uw bronnen. Maar van te voren had ik al gezegd, dat er in Nederland een macht van dwaling en leugen werkzaam is, waar je zo goed als niets tegen kunt beginnen. Ze geloven je niet, want ze WILLEN je niet geloven. Die duistere macht, die op het ogenblik zijn verwoestend werk aan het verrichten is in volk en kerk van Nederland, maakt hen blind voor de waarheid. Hieronder laat ik dan mijn bronnen volgen.

Verschillende meningen

Allereerst dan „Theologisch Woordenboek", 5073 kolommen, 3 delen, uitg. Romen Roermond 1952, onder redaktie van dr. H. Brink, prof. mag. dr. G. Kreling, prof. mag. dr. A. H. Malta en prof. dr. J. H. Walgrave, allen dominikanen. In deel 1 wordt van kol. 434-437 gesproken over de belasting. Daarin lezen we allereerst over de indirekte belastingen: „Dat de wetten omtrent de indirekte belastingen vaak poenaal willen zijn en dus in geweten alleen verplichten, voorzover er een straf bij overtreding kan moeten worden gedragen, was een aan Billuart in zijn tijd zeer wel bekende sententie, die hij niet goed durft aannemen noch afwijzen".

De vraag is verder: Kunnen ook de direkte belastingen als louter poenaal beschouwd worden? Als dat zo is, dan mag je proberen ook die belastingen te ontduiken, maar dan ben je wel verplicht de boete te betalen als je gesnapt wordt; en als je een gevangenisstraf daarvoor krijgt opgelegd, mag je je daar dan niet tegen verzetten en moet je braaf gaan zitten „brommen". Daarover schrijft prof. Maltha, de auteur van deze bijdrage in „Theologisch Woordenboek":

„In de moderne tijd werden alle belastingwetten door Bucceroni, Génicot, Noldin en anderen tot poenale wetten verklaard wegens een desbetreffende opvatting van eerzame mensen. Darquennes meent dat sinds de twee wereldoorlogen deze mening is verouderd door de groeiende struktuur der staten. Tussen deze beide meningen in staan de meningen van vele andere modernen. Meestal erkennen zij ten opzichte van de indirekte belastingen alleen een poenale wet of vinden ze deze gedachte althans waarschijnlijk (soms rekenen ze daarbij de successierechten onder de indirekte belastingen en zien dan de successierechten bij schenking als poenale wet, omdat hier geen eed wordt afgelegd). Ten opzichte van de direkte belastingen willen zij (bv. sommige auteurs in België op grond van een befaamde ministeriële uitlating) een slechts poenale wet aannemen inzake de juiste deklaratie aan de inner, doch na de taxatie een belastingplicht van wettelijke rechtvaardigheid; anderen gaan verder en aanvaarden een plicht van wettelijke rechtvaardigheid in zake de juiste opgave en inzake het voldoen volgens de taxatie; weer anderen zien in het laatste zelfs een plicht van ruilrechtvaardigheid die als zodanig tot restitutie verplicht (bijv. Aertnijs - Damen). Dit laatste nadert sterk de oude opvatting".

Verduidelijking

Misschien is het bovenstaande niet meteen voor iedereen duidelijk. Daarom nog deze nadere verklaring van mij.

Allen zijn het erover eens, dat als je belasting hebt ontdoken, en je er voor beboet wordt, je dan in geweten verplicht bent die boete te betalen of de gevangenisstraf zonder verzet te ondergaan. Velen menen dat je in geweten verplicht bent om de eenmaal opgelegde belasting ook werkelijk te betalen, maar dat je niet verplicht bent de niet betaalde belasting toch vooralsnog aan de staat terug te betalen. Enkelen menen dat je daartoe wél verplicht bent o.a. Aertnijs - Damen, dat zijn twee redemptoristen, die een handboek voor de moraaltheologie schreven, dat ook door ons op het groot-seminarie in Wittem gevolgd werd. "Wij, paters redemptoristen, brachten dat ook in praktijk. Zo heb ik zelf een keer iemand in de biechtstoel gehad, die ƒ 20.000,— aan belastinggeld had ontdoken.

De vraag stelde zich dan in zulk een geval: Hoe moet hij dat aan de staat terug betalen. Wij waren allen overtuigd dat hij dit niet rechtstreeks hoefde te doen, want dan zou hij daardoor zijn goede naam verliezen. Zo iemand kon dat doen via ons. Maar wat deden wij dan met dat geld? Wij konden het aan de belastinginstantie zenden, maar er was ook een andere mogelijkheid. In die tijd was de rooms-katholieke universiteit van Nijmegen nog niet geheel wat subsidie betreft, gelijkgeschakeld met de rijksuniversiteiten. Wij waren van oordeel dat dit een onrecht was, dat de staat ons, de r.-k. kerk, aandeed. Daarom zonden wij ontdoken belastinggelden naar de universiteit van Nijmegen. Ik heb dat toen ook gedaan en kreeg een keurig bedankbriefje terug.

Génicot: Je mag alle belasting ontduiken

Maar de kwestie, waar het op die avond om draaide, was: Zijn we ook in geweten verplicht het belastingbiljet naar waarheid in te vullen? Zoals gezegd waren wij, paters redemptoristen, van oordeel dat je een derde mocht verzwijgen.

Volgens Génicot (jezuïet) mag je in de meeste staten wél fraude plegen bij de belastingaangifte (per se non peccare qui quaedam tributa defraudant). Aldus in „Institutiones Theologiae Morales", I, 574-575). Hij voegt er echter aan toe, dat de priesters in de biechtstoel de mensen moeten aanraden de rechtvaardige belastingen te betalen.

Ook maakt Génicot een uitzondering voor Nederland en Duitsland, waar de plicht tot juiste opgave op het belastingbiljet veel serieuzer wordt genomen. Hij schrijft dat je in die landen, zeker wat de indirekte belasting betreft, tot ongeveer de helft onjuist mag zijn in de opgave. Gewoon liegen mag dus in dat geval. Maar meestal moet wél als echte leugen worden beschouwd, wanneer iemand zelf kwitanties gaat maken bv. van doktersuitgaven, waaruit zou moeten blijken dat hij veel meer buitengewone lasten heeft gehad dan hij in werkelijkheid gehad heeft. Maar al moet zulk een vervalsing als regel („regulariter" — dus niet altijd) als een leugen beschouwd worden, toch hoeft hij de daardoor ontdoken belasting later niet terug te betalen, volgens Génicot.

Het is sympathiek dat volgens Génicot de biechtvaders aan hun biechtelingen moeten aanraden om toch maar de rechtvaardige belastingen te betalen. Maar als je het slechts als een raad en niet als een verplichting voorstelt, dan zal dat weinig effekt sorteren, denk ik.

En nogmaals: het ging mij om de leer, niet om mensen. Toch is het merkwaardig dat Génicot zelf erkent dat juist in de protestantse landen zoals Nederland en Duitsland de belastingplicht over het algemeen, dus ook bij rooms-katholieken, veel ernstiger wordt genomen. Daaruit blijkt dat de leer — hoe kon het ook anders — toch ook zijn invloed heeft op de mensen.

Waar ligt de grens naar de hel?

Wij kunnen hieraan nog tot onze vreugde toevoegen, dat de Duitse r.-k. theoloog, dr. Bernhard Haring, in zijn „De wet van Christus" zeer dicht de algemeen geldende reformatorische opvatting nadert. Hij schrijft: „… in gevallen, waarin ten gevolge van het ontduiken van rechtvaardige belastingen, anderen méér belasting moeten betalen, bestaat er zonder enige twijfel een plicht tot restitutie (= tot terugbetaling van het te weinig betaalde, H.J.H.)" (II, p. 713).

Wel voegt Haring eraan toe, dat we ook hier rekening moeten houden met de mogelijkheid van dagelijkse zonde, waarop als straf alleen maar het (tijdelijke) vagevuur staat. Maar de grens naar de doodzonde, waarop als straf staat de eeuwige hel, wordt volgens hem overschreden tussen de vijftig en de honderd gulden (II, p. 702). Hij gaat daarbij uit van de moderne geldswaarde. In mijn tijd (1935-40) werd de grens naar de doodzonde, dus naar de hel, gelegd ongeveer bij ƒ 25,—. Haring schreef zijn boek in 1960. De devaluatie heeft sindsdien echter weer grote vormen aangenomen, zodat die grens thans in 1975 vermoedelijk door de theologen wel tussen de ƒ 150,— en ƒ 200,— zal gesteld worden.

Hoezeer Haring overigens als een theoloog moet worden beschouwd, die de r.-k. moraal vanuit een bijbelse inspiratie heeft willen vernieuwen, hier zie je dan toch even weer het hemelsbrede verschil van opvatting over de aard van de zonde tussen Rome en Reformatie om de hoek komen.

Waarom mogen wij belasting ontduiken?

Het is goed om wat dieper in te gaan op de achtergronden van deze r.-k. leer over het tot op zekere hoogte geoorloofd zijn van belastingontduiking. Maar voordat ik dat doe, wil ik nog het volgende verduidelijken. Ik wil beslist niet beweren, dat alle rooms-katholieken dan ook maar zoveel mogelijk proberen de belasting te ontduiken en nog veel minder dat „protestanten" op geen enkele wijze aan belastingontduiking zouden doen. Het gaat slechts over de leer, niet over mensen; al is het duidelijk dat zulk een leer ook zijn funeste uitwerking heeft op de zedelijke levenshouding van de leden van een kerk, waar de leiders, in de biechtstoel althans, deze voorlichting geven over de belastingontduiking.

Beslissen de omstandigheden?

Ik dacht dat Aertnijs - Damen hierin het duidelijkst zijn. In deel I van de „Theologia moralis" schrijven zij:

„De belastingwetten zijn, zo moeten we wel veronderstellen, op zichzelf morele wetten (= die in geweten verplichten tot onderhouding), niet slechts poenale wetten (= die slechts in geweten verplichten de straf te ondergaan, wanneer men ze niet onderhouden heeft. H.J.H.)".

„Per accidens (= vanwege bijkomende omstandigheden) kunnen althans sommige belastingwetten als louter poenale wetten beschouwd worden bv. vanwege de publieke opinie hierover of vanwege een algemene praktijk".

De redenering, die er achter zit, is deze: „Wanneer het een algemene praktijk is geworden, die ook door de publieke opinie niet veroordeeld wordt, om een gedeelte of zoveel mogelijk belasting te ontduiken, en ik wil toch die belastingwetten goed onderhouden en dus mijn belastingbiljet naar waarheid invullen, dan betaal ik beslist teveel en dat wil de regering, die die belastingwetten heeft opgesteld, toch zeker ook niet, want dan zou ze de belastingdruk onnodig zwaar maken ten opzichte van die enkelen, die zich in geweten wél verplicht voelen om het belastingbiljet naar waarheid in te vullen.

Maken de omstandigheden een leugen geoorloofd?

Wellicht stelt iemand de vraag: Maar beschouwt men dat dan niet als liegen, wanneer je een onjuiste opgave aan de belasting doet en toch aan het slot ondertekent: Aldus naar waarheid ingevuld…"?

Dat hangt samen met de leer van de r.-k. kerk over de waarachtigheid. We hebben daar in ons blad al eens meer over geschreven.

Volgens die leer is iets geen leugen meer, wanneer uit de omstandigheden blijkt dat je van iemand niet verwachten kunt dat hij de waarheid spreekt. Een voorbeeld daarvan is een beklaagde voor het gerecht. Uit de omstandigheid dat hij een beklaagde is, moet voor iedereen duidelijk zijn, dat hij zich tot het uiterste wil verdedigen, dus ook met behulp van allerlei onwaarheden, en dus is dat geen liegen meer. Zo is het ook met het invullen van een belastingbiljet. Wanneer iedereen ervan uitgaat dat je een belastingbiljet niet naar waarheid invult, dan is het ook geen liegen meer, wanneer je je bij die algemene opvatting of praktijk aansluit, en dan mag je dus in geweten ondertekenen: „Aldus naar waarheid ingevuld…", ook al was alles van a tot z „gelogen", en dus niet gelogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1975

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

MOGEN WIJ BELASTING ONTDUIKEN?

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 1975

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PDF Bekijken