Hans van Hoof: "De Heere heeft me verbondden aan de kerk van de Reformatie"
Hij groeide op in een orthodox rooms-katholiek gezin, maar nam in de puberteitsjaren afstand van zijn achtergrond. Door Gods wonderlijke leiding kwam Hans van Hoof jaren later onder de reformatorische verkondiging, en ervoer hij persoonlijk de kracht van het Evangelie van vrije genade. Nu wil hij rooms-katholieken deelgenoot maken van dat wat hij zelf mocht ontdekken.
Hans van Hoof werd op 31 december 1951 als twaalfde kind geboren in een rooms-katholiek gezin van dertien kinderen, in het kleine West-Brabantse dorp Fijnaart. Het waren de nadagen van het "rijke roomse leven", voor het tweede Vaticaans concilie. De invloed van de Rooms-Katholieke Kerk doortrok de gehele gemeenschap, de kloof tussen rooms-katholieken en protestanten was breed en diep.
Het Brabantse gezin werd gekenmerkt door een sterke binding aan de Rooms-Katholieke Kerk. Vader en moeder Van Hoof gaven hun kinderen een rooms-katholieke opvoeding. "Die had een aantal specifieke kenmerken. Het belangrijkste kenmerk was dat je dagelijks naar de kerk ging, voor het bijwonen van de heilige mis. Voor het slapen gaan bad je met het hele gezin de rozenkrans. Dit hield in dat je vijf keer het Onze Vader bad, vijftig keer een Wees gegroet Maria en daarbij ook nog een litanie van alle heiligen. Zaterdagavond woonden we het zogenaamde "lof" bij, ter verering van Maria. Daarna gingen de jongens vanaf hun twaalfde jaar naar het patronaat, vergelijkbaar met een jeugdvereniging, waar menige jongeling het biljart-, kaart- en tafeltennisspel heeft geleerd. Op zondagochtend gingen we naar de hoogmis, 's middags weer naar het "lof". Zondagavond na het eten werden de catechismusvragen die de kinderen van de lagere school moesten leren, overhoord. Voor moderne rooms-katholieken is het amper meer voor te stellen."
Strikt gescheiden
Pakweg de helft van de inwoners van Fijnaart was rooms-katholiek, de andere helft protestant. Hoewel er sprake was van een wederzijds accepteren, was er ook een aantal ongeschreven regels. "Zondags trokken de twee bevolkingsgroepen volkomen gescheiden op. Vriendschappen tussen jongens en meisjes uit beide groepen werden angstvallig in de gaten gehouden, zeker naarmate de kinderen ouder werden.
Verkering tussen rooms-katholieke en een protestantse jongeren werd zo mogelijk in de kiem gesmoord. Cafébezoek en liefde voor voetbal waren kenmerkend voor rooms-katholieken. Protestanten deden amper mee aan dergelijke activiteiten. Ook de schoolomgevingen waren strikt gescheiden. Openbaar onderwijs was er niet in het dorp."
Na het doorlopen van de roomskatholieke lagere school ging Van Hoof naar het seminarie Sparrendaal in Vught, om daar opgeleid te worden tot missionaris (zendeling-priester) bij de congregatie van Scheut. De voorbereiding op deze opleiding en het interne verblijf in dit seminarie werden voorafgegaan door meerdere kennismakingsweekends. "Voor mij als eenvoudige dorpsjongen uit een arbeidersgezin waren het echte uitstapjes, met volop mogelijkheden voor sport en spel. Er werd alles aan gedaan om het beeld te scheppen dat de toekomstige woon- en studeeromgeving uiterst plezierig was."
Strenge regels
De werkelijkheid bleek anders te zijn. "Toen ik na de lagere school de overgang van het gezinsleven naar het internaat maakte, ontdekte ik hoe groot het verschil was. Het gezag binnen het seminarie werd op een autoritaire manier gehandhaafd, de dagelijkse leefpatronen kenmerkten zich door strenge regels die nageleefd moesten worden. Drie keer per dag naar de kapel voor gebed of dienst, sobere maaltijden, vaste studietijden, geen familiebezoek, slechts drie keer per jaar vakantie. Wat me vooral dwars zat, was dat jongens uit gegoede gezinnen privileges kregen die jongens uit eenvoudige gezinnen, zoals ik, werden onthouden. Wat dat betreft heb ik niet zulke goede herinneringen aan het rijke roomse leven." De gevoelens van heimwee, die steeds sterker werden, brachten Hans van Hoof tot het besluit een punt achter de missionarissenopleiding te zetten. Tot spijt van zijn ouders, maar de beslissing viel niet te keren. Hij stapte over naar de ulo en volgde aansluitend de hbs.
Tot aan het moment waarop Van Hoof in het huwelijk trad en nog thuis woonde, werd hij door zijn ouders verplicht om naar de RoomsKatholieke Kerk te gaan. Na zijn huwelijk met een onkerkelijk meisje verwaterde de kerkgang zeer snel.
"Uiteindelijk ging ik helemaal niet meer naar de kerk en kreeg ik een enigszins cynische houding ten opzichte van het geloof in zijn algemeenheid."
Crisis
Rond zijn veertigste jaar kwam Van Hoof in een crisis terecht, die de oorzaak werd van het ontbinden van zijn huwelijk. In de periode daarna kwam hij door zijn werk in contact met de Evangelische Omroep. Mede door de contacten die hij daar kreeg, begon een zoektocht naar vastheid in zijn leven.
Een uitgebreide gang langs diverse kerkverbanden, die begon in de Rooms-Katholieke Kerk, eindigde na een aantal jaren in de hervormde evangelisatie Eben-Haëzer te Amstelveen-Buitenveldert.
"Het leren kennen van mijn huidige vrouw was de aanleiding om een kerkdienst van deze evangelisatie te bezoeken. Achteraf kan ik daarin enkel de barmhartigheid en goedertierenheid van de Heere zien. Hij heeft me verbonden aan de kerk van de Reformatie. De eerste dienst in de gemeente van Amstelveen zal ik nooit vergeten. Het was of die dominee enkel en alleen voor mij sprak. Ik werd bepaald bij de kern van het Evangelie: de liefde van Christus voor zondige mensen.
Door de gereformeerde prediking werd het Woord van God verklaard op een manier zoals ik het nog nooit had gehoord. Het was mijn verlangen om meer inzicht in de Bijbel te krijgen.
Opvallend vond ik dat mijn moeder blij was dat ik weer naar de kerk ging, al was het dan niet de roomskatholieke."
Bijbel
Geleidelijk rekende hij af met de onbijbelse denkbeelden en opvattingen die hij had meegekregen vanuit de Rooms-Katholieke Kerk. "Zaken als de vanzelfsprekendheid van zalig worden als loon op de goede werken, de verering van Maria, het aanbidden van heiligen en het bestaan van een voorgeborchte (een plaats tussen hemel en hel waar onder anderen ongedoopte kinderen zouden verblijven). Ik ging meer en meer zien dat die nergens in de Bijbel worden geleerd.
Het grootste kwaad van de RoomsKatholieke Kerk is dat mensen het Woord van God wordt onthouden. Evenals de meeste rooms-katholieken had ik in mijn rooms-katholieke periode nooit echt in de Bijbel gelezen. De pastoor of kapelaan gaf tijdens de zondagse diensten een korte persoonlijke interpretatie van een tekstgedeelte, meestal uit het Nieuwe Testament. Daaruit bestond al je kennis van de Bijbel. Persoonlijk Bijbellezen was er niet bij en werd zeker niet aangemoedigd."
Door zijn overgang naar de Nederlandse Hervormde Kerk werd het Van Hoof duidelijk hoe belangrijk het bestuderen van de Schriften is. "Niet alleen door de prediking op zondag, maar ook door Bijbelstudies ging Gods Woord echt voor me open. Na enkele jaren mocht ik openbare belijdenis van het geloof afleggen in de gemeente van Amstelveen. Dat was een heel bijzonder moment voor me."
Voedingsbodem
Op de vraag aan Van Hoof of hij de gereformeerde prediking in het begin niet moeilijk vond, antwoordt hij dat wanneer het begrijpen enkel afhankelijk was geweest van zijn verstandelijke vermogens, hij er waarschijnlijk weinig van begrepen zou hebben. "Maar als de boodschap van het Evangelie verbonden wordt aan de krachtige werking van de Heilige Geest, en zo in het hart mag landen, is er een voedingsbodem die door de Heere Zelf gereed is gemaakt. Dan ervaar je die prediking als voedsel voor je ziel."
De reacties van familieleden op de wonderlijke verandering in zijn leven waren wisselend. "Ze varieerden van vijandigheid tot ongeinteresseerdheid. Het waren vooral reacties van verbazing dat iemand zo'n ingrijpende verandering in zijn leven kan ondergaan. Juist nadat er in de Rooms-Katholieke Kerk een aardverschuiving had plaatsgevonden. Het orthodoxe roomse leven had plaatsgemaakt voor een grote mate van vrijheid en onverschilligheid. Regelmatig kreeg ik de vraag of ik het niet moeilijk vond me weer aan allerlei strenge regels te moeten houden. Daaruit blijkt hoe moeilijk het voor rooms-katholieke mensen is om te begrijpen wat een Bijbels geloof inhoudt en hoe belangrijk de noodzaak van geloof en bekering is."
Genadewerk
Waar mogelijk getuigt Van Hoof van het genadewerk van de Heere, waarbij hij probeert duidelijk te maken dat een dergelijke verandering een Godswerk is en geen mensenwerk. "Ik mag wijzen op de rechtvaardigheid en de liefde van de Heere voor zondige mensen. Niet op eigen gezag, maar verwijzend naar de woorden die de Heere Zelf gegeven heeft: de Wet en het Evangelie, opgetekend in de Bijbel, waardoor Hij Zich wil openbaren aan zoekende en dwalende mensen."
Door zijn werk voor Stichting In de Rechte Straat wil Van Hoof bijdragen aan de verbreiding van het onfeilbare Woord van God en de bevrijdende leer van de Reformatie onder rooms-katholieke mensen. "In de hoop dat voor velen de belangrijke oproep werkelijk mag gaan klinken: Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. En dat, door Gods Geest geleid, het antwoord mag zijn: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!"
"Evenals de meeste roomskatholieken had ik in mijn rooms-katholieke periode nooit echt in de Bijbel gelezen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 2007
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 2007
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
