Een vernederde koning
In gedachten zien we David gaan. Op de vlucht voor Absalom, zijn eigen zoon. Wat een leed! Wat zal er allemaal door het hart van David zijn gegaan? De woorden van Nathan echoën na in zijn hart: "Het zwaard zal van uw huis niet wijken." Nu verlaat hij Jeruzalem. Hij durft de strijd tegen Absalom niet aan. Ook vreest David dat een treffen in de stad op een bloedbad zal uitlopen. Langs de oostkant van de stad zoekt David een uitweg. Zijn trouwe hofdienaren volgen hem. Bij het laatste huis van de stad houdt David stil en laat hij al zijn mannen aan zich voorbijtrekken. Dan gaat de koning verder, zijn gezicht verborgen in een doek, op blote voeten, wenend. Er is groot verdriet, zelfs rouw in de harten van de velen die met David Jeruzalem verlaten. Zo gaan ze door de poort, de berg af, door het Kedrondal en dan weer naar boven de Olijfberg op. En ver daarachter ligt het doel van de vlucht, het Over-Jordaanse. Daar zoekt David een veilige schuilplaats.
Wat een gezicht. De koning vlucht. Geen kroon op zijn hoofd. Geen schoenen aan zijn voeten. Geen gejuich, maar rouw en geween. Dit is in één woord gezegd: vernedering!
In deze weg van vernedering is David een type van Christus. Ook Davids grote Zoon ging de weg door het Kedrondal: "En als Hij dit gezegd had, ging Hij uit met Zijn discipelen over de beek Kedron…" (Joh. 18:1). Nadat Jezus door het dal is gegaan, maakt ook Hij de opgang der olijven. We zien Hem de hof van Gethsémané binnengaan. Grote zielendroefheid en angst grijpen Hem aan. Wat drukt het lijden onder de toorn Gods over de zonde Hem neer! Wat een vernedering! Wat een smart! Ziet u de opmerkelijke overeenkomst tussen David en Jezus? Toch is er ook weer zo'n groot verschil. Terwijl David vlucht, treedt Jezus de dood des kruises vrijwillig tegemoet om de raad en wil Gods tot zaligheid van zondaren te volvoeren. Dat David zijn kroon heeft moeten afleggen, heeft alles te maken met het kwaad door hemzelf bedreven. Het bonst in zijn hart: "Eigen schuld! Eigen schuld!" Maar Jezus legt Zijn kroon niet gedwongen, maar vrijwillig af. Davids Zoon is onschuldig. Hij heeft zonde gekend noch gedaan. Toch gaat Hij door het Kedrondal naar de olijvenhof. Daar zal Hij kruipen onder de loden last van Gods toorn over de zonde. Zijn zweet zal veranderen in bloed. Nog even en dan zal Hij Zich overgeven in de handen van de mensen. "Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan." Als een misdadiger zullen ze Hem wegvoeren, veroordelen en kruisigen. "Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen." Hoeveel aangrijpender is toch de "opgang der olijven" van Davids Zoon en Davids Heere.
Hierbij is het voor ons de grote vraag of wij heerlijkheid in deze vernederde Koning zien. De profeet Jesaja geeft het antwoord: "Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht" (Jes. 53:2,3).
Hoe komt het toch dat er geen heerlijkheid en gepastheid in de vernederde Zaligmaker wordt gezien? Hierop moeten wij antwoorden dat het ongeloof geen schoonheid en dierbaarheid in een lijdende en stervende Jezus ziet. Onze trots en hoogmoed begeren een koning naar eigen snit. Een koning met wie je wat worden kan. Maar het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat.
Om heerlijkheid in de vernedering van Koning Jezus te zien, moeten wijzelf vernederd worden. Ontkroning en onttroning hebben wij nodig om heerlijkheid te zien in de weg die Jezus ging. Zijn gaan uit Jeruzalem, door het Kedrondal, in de Hof aan de voet van de Olijfberg, is dan niet slechts een aangrijpende vlucht, maar plaatsbekleding. Omdat wij in dwaze hoogmoed God naar de troon en kroon hebben gestaan, moet Hij Zich vernederen. Hij moet onttroond en ontkroond worden opdat Zijn volk de eerkroon zal dragen. Heel Zijn vernedering roept ons dan toe: "Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven." Het grote wonder van de plaatsbekleding van Christus is toch dat Hij volkomen op de plaats van Zijn volk is gaan staan, opdat al het onze het Zijne zou worden, maar ook al het Zijne het onze.
Wanneer de Heilige Geest ons dit doet verstaan door het geloof stemmen we met Maarten Luther in: Heere Jezus, Gij zijt mijn zonde en ik Uw gerechtigheid."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 2006
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 2006
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
