De Institutie van Calvijn (slot)
In dit nummer het vijfentwintigste deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
Kunnen wij aan de hand van de Institutie van Calvijn vandaag nog een getuigend gesprek voeren? De vraag die we hier stellen, trachten we in dit laatste artikel over Calvijns Institutie te beantwoorden. Het gaat om het Evangelie. Dat moet volstrekt duidelijk zijn. Het gaat om het Evangelie zoals het door de Reformatie opnieuw werd ontdekt. Onze overtuiging is dat de manier waarop de Reformatie de boodschap van de Heere Jezus Christus heeft vertolkt, van wezenlijke betekenis is. We kunnen, zeggen we dan, achter de Reformatie niet teruggaan. Kunnen we Calvijn ook gebruiken om met rooms-katholieken een getuigend gesprek te voeren? En nog verder: kan Calvijn ons mogelijk van dienst zijn om het rooms-katholicisme beter te verstaan? Nog verder: kan het met behulp van de Institutie van Calvijn komen tot een verdieping van het bijbels en reformatorisch besef in eigen kring? We bedoelen die kring die gevormd wordt door hen die in het protestantisme geboren zijn. Die vragen willen we in deze laatste bijdrage proberen te beantwoorden.
Om het Evangelie
Calvijn geeft ons een zuivere vertolking van het Evangelie, zoals het door de Reformatie opnieuw werd ontdekt. We vergeten niet dat Calvijn een man van de tweede generatie was. Dit betekent onder meer dat hij de diverse accenten in de gedachtewereld van de eerste reformatoren in zich heeft kunnen opnemen. Dat geeft aan zijn theologie iets van veelkleurigheid. Men kan ook zeggen dat erin doorklinkt het karakter van de menigerlei genade van God. Calvijn was op en top een oecumenisch theoloog. Ware katholiciteit treft men aan in zijn geschriften. Dit betekent dat hij, hoewel in het begin aarzelend, zich heeft aangesloten bij de theologie van de Vroege Kerk en bij die van de kerkvaders. Vooral Augustinus is voor hem van grote betekenis geweest, en wel op een manier die vooral bij Luther, de augustijner monnik, naar voren is gekomen. Men heeft hem wel de echte leerling van Luther genoemd.
Hij is ook een authentieke leerling van Augustinus geweest. En het reveil, dat de Reformatie betekende, was in feite een terugkeer tot de Bijbel, tot Paulus en tot de boodschap van de Heere Jezus Christus Zelf.
Een voordeel bij Calvijn is dat men hem kan lezen en begrijpen.
Moderne theologen zijn met hun wijsgerige gedachtegangen soms heel moeilijk te volgen. Calvijn is helder en duidelijk, beknopt en zakelijk in zijn formuleringen. Zijn omvangrijke werk kent zeker nuanceverschillen, als het gaat om de methode. Hij is anders op de preekstoel dan in zijn commentaren. En nog weer anders in zijn theologische traktaten. Hij is helder in zijn Institutie, waaraan hij zijn leven lang in de dienst van de kerken heeft gewerkt. Hij probeerde haar bij te schaven, totdat hij het boek in de vorm had gegoten die hem vanaf het begin voor ogen stond. Zo leent het boek zich voor een wezenlijk gesprek, dat duidelijk mag zijn en "to the point".
Centrale gedachten
In Calvijns gedachten is sprake van een diepe eenheid. Deze kwam tot stand door de trouw waarmee hij zich aan de Schriften en hun gezag onderwierp. Toch was dit geen formaliteit. De Schriften kwamen tot hem in de kracht van de Geest. Een sleutelbegrip in zijn denken is de onverbrekelijke relatie tussen Woord en Geest. Waar de nadruk eenzijdig valt op het eerste, kan op den duur een dode letterknechterij ontstaan, die in de orthodoxie (men spreekt vaak van een dode orthodoxie) moet uitmonden. Waar anderzijds slechts een eenzijdig accent geplaatst wordt op de Geest, is het gevaar van geestdrijverij niet denkbeeldig.
Calvijn denkt ook op andere punten op de manier van een tweeslag. Men treft bij hem de leer der rechtvaardiging aan, maar vrijwel altijd omgeven door de prediking van de heiliging. De gehele opzet van het belangrijke derde boek van de Institutie is daartoe te herleiden. Het hangt weer samen met een ander thema, namelijk dat van de ware vroomheid. Men kan het nauwelijks een thema noemen, omdat het vrijwel overal, in alle onderdelen van de geloofsleer, een rol speelt. Geen wonder, gezien het feit dat Calvijn zijn boek begon te schrijven voor hen die enigermate een smaak voor ware vroomheid hadden ontvangen. Er is geen echt geloof, geen oprechte kennis, geen vast vertrouwen, zonder zuivere vroomheid, die geheel het leven moet doortrekken. Maar deze vroomheid zoekt ook kennis. Die kennis is niet simpelweg een kwestie van intellect. Het gaat om een leer der godzaligheid, om ware dienst van God in oprechtheid, uit het Evangelie en naar de wet.
In heel Calvijns theologie treft ons het klare schijnsel van Gods genade. Zij is er op een bepaalde manier reeds in het gedeelte dat over de schepping en de zondeval handelt.
Calvijn getuigt daarvan klaar en duidelijk. Maar hij moet zich bijzonder sterk beheersen om niet hier al te spreken over bijzondere genade en over het verbond van God. In het werk van Christus straalt de genade helder uit.
Nog sterker in het gedeelte dat handelt over de Geest en Zijn werk. Het diepst treft ons Calvijns spreken over de genade als de eeuwige barmhartigheid der verkiezing. Hier is zijn spreken geladen met een apologetische ijver en daardoor wellicht ook te zeer bepaald door de vraagstelling van een tegenstander: altijd een hachelijke zaak! Maar de wezenlijkste motieven blijken hier ook aan het licht te treden. Gods genade moet alleen de eer hebben. En Calvijns plaatsbepaling van de verkiezing is opvallend: zij gaat bij hem niet aan alles vooraf. Maar zij volgt bij wijze van herkenning van wat reeds gewerkt is in het leven van de mens die Hij begenadigd heeft. In de orde van het heil openbaart zich de verkiezing Gods. Men spreekt dan over het "aposteriori", het "achteraf" van de verkiezing, waardoor de mogelijkheid volstrekt open bleef om het Evangelie als belofteaankondiging vrijuit te verkondigen. De verkiezing verduistert het aanbod op generlei wijze.
Met alle genadetheologen heeft Calvijn gemeen dat hij óók de theoloog van de kerk is. Ook hier weer de tweeslag. De kerk is het mystieke lichaam van Christus, Wiens tegenwoordigheid zich het heerlijkst laat geloven en belijden in het heilig avondmaal. Daar treft ons niet slechts een memoratief aspect, maar werkelijke presentie in de tekenen en zegelen van brood en wijn. Het geheim van de kerk correspondeert met het diepe geheim van déze gemeenschap. De "unio mystica" vervluchtigt hier de dingen niet, maar brengt ze tot leven. Dit strijdt echter weer geenszins met het zichtbare karakter van de kerk, die immers meer geloofd dan gezien wordt. Wij belijden de kerk naar het Woord met het geloof dat ook hier een vaste grond is van hetgeen wij hopen en niet zien, en toch onder de belijdenis van de vergeving der zonden zich doet ervaren en waarnemen en uiten in liefde. Dit alles, en nog veel meer maakt de theologie van Calvijn tot een ingetogen geheel van volheid, van wervende kracht en van blijvende actualiteit.
Openheid
Van een systeem kan men werkelijk niet spreken wanneer het gaat om de Institutie. Het boek getuigt van een vitale haast, een gedrevenheid om straks de handen vrij te hebben bij de uitleg van de Schrift. Zó was de opzet. Waar andere theologen de uitleg telkens onderbraken met een dogmatische excurs over een actueel probleem wilde Calvijn niets anders dan uitleg geven. Maar nu in het schrijven van de Institutie, wat deed hij anders dan de Schriften samenvat tend te laten spreken. Geen dogmatiek mag men het strikt genomen noemen, maar een boek dat een pastorale inslag had en behield, ook al werd het verweer tegen dwalingen meer en meer uitgebreid, een toeleiding naar de Schrift op de hoogte van oprechte vroomheid. Een boek dat op ontmoeting uit is, zoals Calvijn zelf niet minder vurig wenste medechristenen te ontmoeten.
Dit karakter van het streven naar contact was sterk aanwezig in de isolatie die hij zichzelf oplegde om zó te kunnen spreken. Dat was de kansel die hem trok. Het was ook het gesprek waarvoor hij openstond, tijdens de door de keizer op touw gezette godsdienstgesprekken in het begin van de jaren veertig, waar in Regensburg zelfs een formule over de rechtvaardiging totstandkwam, waarin Rome en Reformatie elkander schenen te zullen naderen. Die gebreken hebben in onze aan contacten zo arme tijd de volle belangstelling en de literatuur erover is sterk uitgebreid. Maar welke ontmoeting was het? Niet die met de kurialisten, die koste wat het kost het oppergezag van het rooms-katholiek bestuursapparaat in stand wilden houden. Ook niet de conflictueuze ontmoeting met de scholastieke theologen, geïnspireerd door Leuven en Parijs met hun middeleeuwse faculteiten en theologen. Er was sprake van een toenadering, op persoonlijk niveau dikwijls, tussen hen die óók wisten van de noodzaak van een "reform" binnen de structuren van Rome. Calvijn kende hen, ontmoette hen, sprak met hen, zoals ook Bucer en Melanchthon deden. En Calvijn werd ook gekend en gewaardeerd, zoals is af te leiden van de sterkste theologische tegenstanders, die door zijn werken gekropen waren en er uit citeerden, zoals Tapper in Leuven en Bellarminus in Rome in hun colleges deden. De veelkleurigheid van de rooms-katholieke wereld biedt en bood ruimte voor ontmoetingen langs verschillende communicatielijnen. Ook vandaag kennen wij gerenommeerde Calvijn-onderzoekers die binnen de kerken theologiestudie ons kunnen overtuigen van de continuïteit met grote middeleeuwse theologen als Thomas van Aquino en Bernard van Clairvaux. De invloed van de laatsten is bij Calvijn te proeven en aan te tonen.
Affiniteit dus, meer dan menigeen vermoedt.
Een samenhang, soms zelfs een saamhorigheid wanneer het gaat over gemeenschappelijke wortels in schriftbelijden, in gegrepen zijn door Augustinus en andere denkers die God Zijn kerk ooit gaf. Juist vanuit deze vorm van gemeenschappelijkheid is er zeker met Calvijn een getuigend gesprek te voeren, appellerend aan hetgeen in ware theologie nooit verleden tijd wordt.
Calvijn als gids ter oriëntatie op het rooms-katholicisme?
Het is wel duidelijk dat Calvijn ons kan dienen als bron van informatie over het rooms-katholicisme wanneer we in het oog houden dat dit in zekere zin slechts kan leiden tot een historisch oordeel. De situatie in de Rooms-Katholieke Kerk van vandaag beantwoordt niet meer in alle opzichten aan die van de zestiende eeuw. Intussen is het ook wel duidelijk dat zijn informatie van belang is. Calvijn was een scherp waarnemer. Hij beschikte over authentieke bronnen en zijn geschriften verraden een gedegen kennis van zaken. Hij was op de hoogte van de leerbeslissingen van het grote Concilie van Trente. Hij kon deze ook analyseren, zij het dat hij het op een satirische manier deed. Daarbij wordt de kern van zijn kritiek wel heel duidelijk onder woorden gebracht.
Ook het Concilie van Trente beoogde een reformatie van de kerk, een ideaal dat tegen het einde van de Middeleeuwen heel sterk werd nagestreefd. Maar Trente wees de leer van de protestanten geheel af. Kernpunt daarbij was, en is ook daarna wel voortdurend gebleven, de kwestie van de rechtvaardiging. Daarin was Rome beslist negatief. Wat in Regensburg werd bereikt, mede door het optreden van vooraanstaande rooms-katholieke theologen, werd door Trente afgewezen. Op dit punt was het verschil wel het duidelijkst, en het is ook zo gebleven. De Reformatie bleef onderstrepen het "sola gratia" en het "sola fide". Daarover werd het "anathema" uitgesproken, en dit afwijzend oordeel werd door theologen van naam overgenomen.
Toch was dit niet het enige punt. De structuur van de kerk, waarbij alle accent geplaatst werd op de unieke en onvervangbare betekenis van het pauselijke instituut, was een tweede fundamenteel punt. De hiërarchie, zoals zij belichaamd was en is in de machtspositie van het pauselijke hof te Rome, vormt daarbij een niet in te nemen bastion. Het kenmerkende ervan berust op de theologische idee van het wezenlijke onderscheid tussen geestelijken en leken. De ambtsgedachte, bij Rome sacramenteel geladen, werkt door in de opvatting van de kerk als zodanig. Calvijn heeft vooral in het vierde boek van de Institutie duidelijk gemaakt dat de kerk geen sacramentskerk moet zijn, maar een Woordkerk. Het sacrament is teken bij het overal te verkondigen Woord van het Evangelie. Daarbij kwam als derde punt van wezenlijke kritiek de visie op de verhouding van kerk en staat, een aangelegenheid die een bijzonder wijde strekking heeft. Hier pleegt men te werken met de begrippen staatskerk of kerkstaat.
Ook in Genève werd onder invloed van Calvijn een opbouw van de samenleving nagestreefd waarin aan de kerk een profetische taak werd toegedacht. Maar die opzet ging uit van een andere idee dan welke Rome leidde in het vormen en uitoefenen van een politiek gewicht in de samenleving. Wil men daarvan de finesses weten, dan dient het vierde boek van de Institutie opgeslagen te worden, waarin de kerk getekend wordt als het Lichaam van Christus, een geestelijke of pneumatische werkelijkheid, waarin ambt en charisma op een juiste plaats komen.
Is het alles geen verleden tijd?
In zekere zin zijn dit voor ons besef historische beschouwingen. Zij zijn voor een deel door de tijd achterhaald. Van blijvende betekenis is en blijft ook wel de door Trente geformuleerde visie op vrije wil, rechtvaardiging, berouw en bekering. Overigens zijn deze uitspraken ook al weer in een enigszins ander licht komen te staan door het Eerste en met name door het Tweede Vaticaanse Concilie. Wil men de rooms-katholieke leerstellige wereld leren kennen, dan dient men niet slechts af te gaan op historische bronnen. De documenten van Vaticanum II zijn toegankelijk en staan in een veel bredere context.
Sinds de Reformatie is er een ontwikkeling op gang gekomen bij Rome die getekend kan worden als een herleving van de scholastiek. Ook de reformatorische wetenschappers hebben dat gezien. In menige universiteitsstad in het Westen werd een leerstoel opgericht, een anti-Bellarminicum, omdat de grote rooms-katholieke theoloog Bellarminus zich zeer principieel tegen de Reformatie richtte. Er was dus blijkbaar contact, zij het ietwat in de negatieve sfeer. Rome en Reformatie hebben beide sindsdien een ontwikkeling doorgemaakt die gestempeld is door invloeden vanuit de gewijzigde cultuur, vanuit de westerse wijsbegeerte en vooral vanuit een geheel gewijzigd, verwereldlijkt levensgevoel. Theologische vragen van voorheen worden in de negentiende en twintigste eeuw anders geformuleerd. Er is sprake van een radicale wijziging in de context. Zo is er, hetgeen niemand moet ontkennen, een soort gedwongen toenadering ongewild en onbedoeld totstandgekomen doordat de secularisatie zich opdrong op een ongekende en niet te stuiten manier. Wat het protestantisme reeds meer dan een eeuw kenmerkte, kwam ook bij Rome meer en meer aan het licht. Bedoeld wordt de grote verscheidenheid aan stromingen. Zij was er reeds in de eeuw van de Reformatie, waarin de scholastieke theologie het moest opnemen tegen een meer open richting van bijbeltheologen. Na het Tweede Vaticaanse Concilie is de invloed van de laatste richting toegenomen. Daardoor kwam er op theologisch gebied eveneens een zekere opening. Protestantse bijbeluitleg maakt dikwijls gebruik van de resultaten die rooms-katholieke exegeten behaalden. Ook daardoor is de beoordeling van Calvijns theologie bij de laatsten in een milder licht komen te staan.
Een zeer wezenlijk punt van herkenning menen we te mogen aangeven in de belangstelling voor het werk van de Heilige Geest, waardoor de betekenis van het charismatische karakter van de kerk ook bij Rome meer aandacht heeft ontvangen. In verband daarmee staat zowel bij Rome als de Reformatie de herontdekking van de spiritualiteit of vroomheid van de grote, permanente stroming die zich reeds in de middeleeuwse mystiek sterk maakte. De werkelijkheid van de gemeenschap met Christus is hier de dragende gedachte, meer nog: een verbindende realiteit. Immers ook in de mystiek klinkt het "sola gratia" altijd nog door, zij het hier en daar gedempt. Laat deze reformatorische notie onder ons niet verdwijnen. En laat zij op het krachtigst verbonden blijven met het "sola fide", met de belijdenis van de gemeenschap met de persoon en het werk van Christus, als de enige Middelaar Gods en der mensen, Die wij slechts in het geloof kunnen ontvangen, tot rechtvaardiging en tot heiliging.
Calvijn was geheel en al een katholiek theoloog. Zijn kracht lag in de overtuiging dat het gaat om de algemeenheid of de katholiciteit van de christelijke kerk. Zijn bekendste werk legt daarvan een sprekend getuigenis af. Het protestantisme doet zichzelf tekort wanneer het dit uit het oog verliest. Niet dan tot eigen schade kan Calvijn onder ons ongelezen blijven. Zijn werk kan uitnemend dienen tot verdieping van het bijbelse en reformatorische besef onder hen die zich graag reformatorische christenen noemen. Wanneer dit achterwege gelaten wordt zal dit volksdeel dan ook aan kracht verliezen om op een positieve manier het getuigend gesprek met Rome aan te gaan. Voor ons zal dit meestal slechts mogelijk zijn in een persoonlijke ontmoeting, graag van hart tot hart, bij een geopende Bijbel en in het licht en de kracht van de Heilige Geest. Daarbij kan ook nu nog steeds de Institutie van Calvijn ons een wezenlijke dienst bewijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
