Hoe voeren we het gesprek?
Ons blad heeft als ondertitel 'Maandblad voor het getuigend gesprek met Rome'. De vraag is dan meteen: hoe moeten we zo'n gesprek voeren? Of een gesprek tussen rooms-katholieken en christenen van de Reformatie vruchten kan afwerpen, hangt voor het grootste gedeelte af van de instelling van de gesprekspartners.
Wanneer beide gesprekspartners alleen maar tot doel hebben hun eigen gelijk te bewijzen, is zo'n 'gesprek' al van tevoren gedoemd tot een mislukking. Want dan wil men de ander naar beneden halen zodat hij als een aangeschoten vogel aan je voeten neerdwarrelt. En daar heeft niemand zin in. Wat de juiste houding bij zo'n gesprek is, hangt af van wat de desbetreffende rooms-katholiek belijdt. Wanneer we te maken hebben met een vrijzinnige rooms-katholiek, dan zullen we het gesprek op eenzelfde manier moeten voeren als met een vrijzinnige protestant. Is hij orthodox, dan erkent hij met ons onder andere het volgende: Jezus Christus is waarachtig God en waarachtig Mens; Zijn kruisdood was nodig als een offerande voor de verzoening van onze zonden; wij kunnen de genade van wedergeboorte op geen enkele wijze verdienen omdat dit louter een geschenk is van de uitverkiezende God. Natuurlijk kunnen wij niet in zijn hart kijken of hij dit ook allemaal innerlijk beleeft, maar dat is niet nodig, want de Heere heeft ons immers niet de opdracht gegeven over het innerlijk van een medemens te oordelen. Is het dan niet gewenst om ons met hem te verblijden over die eensgezindheid in dergelijke belangrijke geloofspunten?
En nu kom ik bij een volgend punt ter overweging. Moeten we in de eerste plaats erop uit zijn zo veel mogelijk meteen op de verschilpunten af te stevenen om die onder de loep te nemen, liefst onder een vergrootglas? Of is het beter ons eerst samen te verblijden over datgene waarin we elkaar kunnen vinden? Ik meen dat de Bijbel ons het laatste opdraagt. Paulus schrijft immers: "Zij (de liefde) verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid" (1 Kor. 13:6). En daarin zult u het ongetwijfeld met mij eens zijn: een gesprek kan alleen dan vruchten afwerpen wanneer het wordt gevoerd vanuit de liefde van Christus, vanuit de levende eenheid met Hem (zie Joh. 15:1-5). Ik wil het bovenstaande illustreren met een gesprek over het vagevuur.
Het vagevuur
Zoals ik boven betoogde, wil ik eerst opsporen waarin wij het in deze leer met elkaar eens zijn. Dat is het volgende. Beiden belijden wij dat op het moment van het sterven van de gelovigen alle zonden door God voorgoed vergeven zijn. Het vagevuur kan dus volgens Rome niet de plaats zijn waar men door het ondergaan van lijden de vergeving van de zonden zou moeten verdienen, maar het is de plaats waar de gelovigen eerst nog gelouterd moeten worden, voordat ze straks de eeuwige gelukzaligheid mogen genieten.
Beiden belijden wij ook dat de mens een loutering moet ondergaan, wil Hij tot Gods nabijheid worden toegelaten. Dat leert de Schrift duidelijk. Openb. 21:27 verklaart onomwonden dat niets wat onrein is en is besmeurd met leugen het hemelse Jeruzalem mag binnentreden. En ik ben daar erg blij om. Ik heb nu al zo veel moeite met de zonde, die als een macht altijd bij mij op de loer ligt.
En als die slang in mij toeslaat en ik -al is het maar even en enkel in gedachten, dus nog niet eens door de daad- toegeef aan de begeerten van mijn ikdrift, heb ik daar last van. Dan klaagt mijn geweten mij aan en voel ik mij schuldig voor God. Want ik weet dat Hij volmaakt is en terecht ook van mij volmaaktheid eist.
"Weest gij dan volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is" (Matth. 5:48). Als ik na mijn dood tot in de diepste eeuwigheid behept zou blijven met die onreinheid binnen in mij, zou ik nooit ten volle gelukkig kunnen zijn. Maar -Gods Naam zij geprezen- de Heere heeft het anders beschikt. Op het moment van de dood, wanneer Jezus mij komt halen om voor altijd te verblijven in het koninklijke paleis van Zijn Vader, word ik totaal en radicaal veranderd. Vanaf dat moment zal er in mij geen
vleugje van egoïsme meer zijn overgebleven, maar zal ik zuivere liefde zijn. Heerlijk! Zo'n vooruitzicht! Paulus schrijft immers: "Wij zullen allen veranderd worden, in een punt des tijds, in een ogenblik" (1 Kor. 15:52).
Dat is dan tegelijk het verschilpunt tussen ons en Rome. Wij belijden dat die verandering plaatsgrijpt in een ondeelbaar ogenblik, terwijl Rome leert dat die loutering plaatsheeft in een (langdurig) proces. De Latijnse naam voor het vagevuur luidt dan ook purgatorium, plaats waar de gestorvenen gezuiverd (gepurgeerd) worden, louteringsplaats. Waarin bestaat dan de pijn van het vagevuur waardoor de mens gelouterd zou moeten worden? Die bestaat aan de ene kant in de zekerheid dat je straks voor altijd met God verenigd zult zijn, en aan de andere kant dat het moment van die vereniging wordt uitgesteld. Je kunt dat vergelijken met de bruid van het Hooglied. De Bruidegom klopte bij haar aan, maar zij talmde en deed niet meteen open. Daarom ging Hij weg. Zij kreeg berouw over haar dralen en ging Hem zoeken. Maar Hij liet Zich niet meteen vinden en dat was een kwelling voor haar. Zo is het een louterende pijniging voor de zielen in het vagevuur dat ze hun Geliefde, naar Wie hun intense verlangen uitgaat, niet kunnen vinden.
Toch is de officiële roomskatholieke leer eveneens dat het vagevuur niet slechts een louteringsplaats is, maar dat de overleden gelovigen daarin ook "nog tijdelijke straffen voor hun zonden moeten ondergaan" (Catechismus van de Belgische bisdommen, 1956, vraag 144). "Het vagevuur is de plaats waar de zielen van de rechtvaardigen door het lijden haar zondestraffen moeten uitboeten" (Catechismus van de Nederlandse Bisschoppen, 1948, vraag 202).
Deze leer kunnen we vergelijken met de Tantaluskwelling. Voor degenen die dit verhaal uit de Griekse mythologie niet kennen, het volgende. Tantalus werd door de goden zwaar gestraft onder andere omdat hij de geheimen die Zeus, de oppergod, hem had toevertrouwd, had verraden. Zeus doodde hem daarom en veroordeelde hem tot een eeuwigdurende marteling in de Tartaros, de hel die bestemd was voor de boosdoeners. Hij moest daar in het water staan, dat telkens tot aan zijn verdroogde lippen steeg, maar terugweek zodra hij ervan wilde drinken. Takken van vruchtbomen, beladen met de verrukkelijkste appels en peren, vijgen en granaatappels, raakten telkens zijn schouders, maar wanneer hij zijn hand uitstrekte om ervan te plukken, waaide de wind ze omhoog. Dat is sindsdien zijn eeuwige lot geworden: te midden van die overvloed wordt hij gekweld door een nimmer ophoudende honger en dorst. Er is wel dit verschil. De kwelling van het vagevuur zou niet eeuwig zijn, zoals de hel dat wel is. Er komt ooit een einde aan. Maar die leer dat wij zelf de straffen van onze zonden zouden moeten uitboeten, wijzen wij met alle beslistheid af. Wij belijden dat Christus een volkomen Zaligmaker is. Hij heeft niet alleen de schuld, maar ook de straf voor onze zonden op Zich genomen en uitgedelgd. Tegen die achtergrond belijden wij dan ook vol vreugde en dankbaarheid dat Hij op het moment dat Hij ons verschijnt bij onze dood, ons ook reinigt in een ondeelbaar ogenblik.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
