De Institutie van Calvijn (23)
In dit nummer het drieëntwintigste deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
De leer van het avondmaal
Een van de meest actuele onderwerpen uit de geschiedenis van de Reformatie is dat van de sacramentsleer geweest en vooral de visie op de eucharistie, zoals het avondmaal in de rooms-katholieke theologie werd genoemd. Twee bijzondere opvattingen waren daarbij van betekenis. De eerste was die van de wezensverandering (transsubstantiatie). Zij ging ervan uit dat door het woord van de geordineerde priester zich een echte verandering voltrok. De priester beschikte immers krachtens het sacrament van de wijding over een buitengewone sacramentele bevoegdheid en macht om deze substantiële overgang in het sacrament tot stand te brengen. Brood veranderde dan in het wezenlijke lichaam van Christus. De wijn leek nog, naar de uiterlijke eigenschappen, op de gegiste vrucht van de wijnstok, maar was in het werkelijke bloed van Christus overgegaan. Deze leer van de transsubstantiatie leidde onder het volk tot opvattingen waarvoor men waarlijk de rooms-katholieke theologie niet volstrekt aansprakelijk kan stellen. De bedoeling was immers om in het sacrament Christus zo dicht en zo werkelijk mogelijk bij de mensen te brengen. Deze leer leidde echter tot een tweede opvatting die voor de reformatoren moeilijk te accepteren viel. Het in het wezenlijk lichaam en bloed van Christus veranderde teken en zegel werd immers vervolgens, als een uitdrukking van het offer van Christus, in zekere zin opnieuw geofferd. Die laatste zienswijze stuitte vooral op verzet. Men wilde van het eenmaal door Christus gebrachte offer aan het kruis van Golgotha niets afdoen. Het "eenmaal" (hapax) van dit offer, zoals het met name in de brief aan de Hebreeën werd gepredikt, verzette zich tegen deze opvatting. Wellicht was juist op dit punt de kritiek van Luther, Zwingli en ook de andere hervormers het sterkst.
Wie de traktaten leest uit het begin van de zestiende eeuw struikelt over de subtiele begrippen, over de wijsgerige terminologie. En hij bemerkt ook al spoedig dat ook onder de hervormers zelf van een eenheid van gevoelen geen sprake was. De betreurenswaardige avondmaalsstrijd heeft helaas geleid tot een diepe en ingrijpende, tot op heden doorwerkende verdeeldheid onder de protestanten. Men wees de leer van de transsubstantiatie af. Maar wat kwam ervoor in de plaats? Luther sprak over de aanwezigheid van Christus, met en onder en in de tekenen van brood en wijn (consubstantiatie). Bij Zwingli vervaagde de werkelijkheid van Christus' aanwezigheid tot een gedachtenis, die in het avondmaal vooral uitdrukking moest zijn van onze belijdenis. Een bijeenkomst in 1529 te Marburg gehouden bracht geen eenheid tussen Luther en Zwingli op dit punt. In Wittenberg kwam het in 1536 tot een zeker compromis tussen de Saksers en de Zwitsers, maar van een werkelijke overeenstemming was jarenlang geen sprake. Calvijn heeft getracht om door een geheel andere benadering een oplossing te geven. Toen Luther daarvan vernam, was hij enthousiast.
Calvijn stelde de vraag op een andere manier. Hij vroeg niet hoe Christus present was in het avondmaal. Hij wilde belijden hoe wij deel krijgen aan Christus' lichaam en bloed dat immers in de hemel is. Zijn oproep was het om de harten omhoog te heffen en om zo de Heilige Geest te laten werken. Daardoor ontstond een theologie die de nadruk legde op de gemeenschap met Christus, die in het avondmaal gewerkt en versterkt wordt.
Teken en zaak
In het Heilig Avondmaal ziet Calvijn allereerst de zorg van de hemelse Vader voor al de Zijnen. "Nadat God ons eerst in Zijn gezin heeft opgenomen, niet slechts om ons als Zijn knechten te beschouwen maar als kinderen, heeft Hij ook de taak op zich genomen van een goede Vader, die uit zorg voor Zijn kinderen ons gedurende ons gehele leven wil voeden. En dit was voor Hem niet genoeg. Hij heeft ons willen verzekeren van Zijn voortdurende mildheid door ons daarvan een onderpand te geven. Met dit doel gaf Hij aan Zijn kerk nog een ander sacrament, door de hand van Zijn eniggeboren Zoon, namelijk een geestelijke maaltijd.
Daar getuigt Christus dat Hij het levendmakende Brood is, waarmee onze zielen gevoed worden tot de ware en gelukkige onsterfelijkheid Qoh. 6:51)" (Inst. IV, 17, 1).
Calvijn betreurt het dat er over dit sacrament een hevige strijd is ontstaan, waardoor zelfs de smaak van dit heilige voedsel weggenomen werd onder de eenvoudige vromen. Daarom wil hij de leer zo klaar en duidelijk mogelijk uiteenzetten. Tekenen in dit sacrament zijn brood en wijn, die voor ons het onzichtbare voedsel van het lichaam en bloed van Christus vertegenwoordigen. Calvijn gebruikt in dit verband met een zekere voorliefde de uitdrukking van het levendmakende vlees en bloed van Christus. Daarmee wijst hij op de levendmakende kracht die er is in het volbrachte werk van de Heere: Zijn leven en sterven heeft ons het leven verworven. En zo is Christus voor ons de enige spijs voor onze ziel. In Zijn gemeenschap worden wij versterkt en ontvangen wij kracht "totdat wij tot de hemelse onsterfelijkheid zijn gekomen". Het grote en onpeilbaar diepe avondmaalsgeheim, namelijk van de verborgen eenheid van Christus met de vromen, is voor ons van nature onbegrijpelijk. Daarom wordt het op een illustratieve manier getoond. "Zodoende laat Hij een figuur en afbeelding daarvan in zichtbare tekenen zien, die geheel zijn afgestemd op ons beperkt begrip. Ja, Hij maakt ons daardoor, als door gegeven panden en kentekenen zo zeker, alsof wij het met onze eigen ogen aanschouwden" (Inst. IV, 17, 1). Calvijn spreekt in dit verband van een mystieke zegen. Daarmee wil hij geen vervaging van begrippen tot standbrengen. Hij wijst ermee op de doelstelling van het sacrament. Wij moeten daarin bevestigd worden dat het lichaam en bloed van Christus eenmaal zo geofferd zijn dat wij het nu eten en door dit eten de kracht van het enige offer in ons gevoelen.
Wanneer we deze dingen lezen bij Calvijn merken we hoezeer de ware, wezenlijke tegenwoordigheid van Christus voor hem een rol speelt. Die presentie wordt niet opgevat alsof er een verandering van brood en wijn had plaatsgevonden. Tegelijk is duidelijk dat voor Calvijn het avondmaal veel meer is dan een akte van onze belijdenis, een daad van ons herdenken. Christus is tegenwoordig en Hij werkt wat Hij belooft. Door deel te krijgen aan Zijn lichaam wordt de kracht van het levendmakende brood werkzaam in ons. We zien dat het eigenlijke geheim bestaat in onze vereniging met Hem.
De eigenlijke vrucht van het avondmaal is onze gemeenschap met Christus
Calvijn brengt, zoals wij eerder zagen, de centrale gedachte van Luthers rechtvaardigingsleer hier in toepassing. Het is de moeite waard om hem op dit punt te verstaan. Daarom geef ik een breed citaat, waarin we de zinswendingen herkennen die ons doen denken aan ons eigen klassieke avondmaalsformulier. "Een rijke vrucht van vertrouwen en liefelijkheid kunnen vrome zielen uit dit sacrament verkrijgen, omdat zij een getuigenis hebben, dat wij met Christus in één lichaam samengroeien, zodat wij alles wat van Hem is het onze mogen noemen. Hieruit volgt dat wij onszelf verzekerd durven houden dat het eeuwige leven ons toebehoort. Hij is daarvan de Erfgenaam. En dat het Koninkrijk der hemelen, waarin Hij reeds is binnengegaan, ons evenmin kan ontgaan als Hem. En ook dat wij door onze zonden niet veroordeeld kunnen worden. Hij heeft ons verlost van de schuld ervan, aangezien Hij wilde dat deze Hemzelf zou worden toegerekend alsof ze van Hemzelf was. Dit is die wonderlijke ruil die Hij met ons is aangegaan, dat Hij met ons een Zoon des mensen is geworden en ons met Zich kinderen van God heeft gemaakt. Hij is tot de aarde neergedaald, en heeft daardoor de weg voor ons omhoog naar de hemel gebaand. Hij heeft door onze sterfelijkheid aan te nemen, ons Zijn onsterfelijkheid meegedeeld. Door onze zwakheid op zich te nemen, heeft Hij ons met Zijn kracht versterkt. Armoede heeft Hij aangenomen en daardoor heeft Hij aan ons Zijn rijkdom overgedragen. Hij heeft de last van de ongerechtigheid, waardoor wij neergedrukt werden, op Zich genomen en daardoor ons bekleed met Zijn gerechtigheid" (Inst. IV, 17, 2).
We ontdekken hier het centrale punt van de reformatorische theologie in de avondmaalsleer van Calvijn. Het verbaast ons niet, dat Luther van Calvijns opvattingen hoge verwachtingen heeft gekoesterd. Immers, voor hemzelf was de werkelijkheid van de unie met Christus het diepste geheim van de leer van de rechtvaardiging. Calvijn transplanteerde dit belijden van de rechtvaardiging in het hart van zijn avondmaalsopvatting: Christus ontvangen wij door het geloof, zo werkelijk, omdat wij gemeenschap met Hem hebben. En juist dit geheim wordt aan het Heilig Avondmaal versterkt, eveneens op een onbegrijpelijke manier. Calvijn heeft daarvan als volgt gesproken (Inst. IV, 17, 32): "Wanneer iemand mij zou vragen naar de wijze waarop Christus tegenwoordig is, dan zal ik mij niet schamen om te belijden dat de verborgenheid te verheven is, dan dat ik haar met mijn verstand zou kunnen begrijpen of met mijn woorden zou kunnen vertellen. En, om het duidelijker te zeggen, ik ervaar haar meer, dan dat ik haar begrijp. En dus omhels ik zonder enige strijd de waarheid van God, waarin ik veilig mag rusten. Hij spreekt uit dat Zijn vlees de spijs voor mijn ziel is en Zijn bloed de drank. Zo bied ik Hem mijn ziel aan, opdat Hij haar met zulk voedsel zal spijzen. In het Heilig Avondmaal beveelt Hij mij om onder de tekenen van brood en wijn Zijn lichaam en bloed te nemen, te eten en te drinken. Ik twijfel er helemaal niet aan, dat Hij het mij werkelijk uitreikt en dat ik het ontvang".
Avondmaalsbelofte en geloof
In de avondmaalsbelofte wordt aan de gelovigen alle heil toegezegd. Het is de samenhang van belofte en geloof, die het heil heel dicht bij ons brengt, en ons ook werkelijk in bezit stelt. Wij worstelen tot op vandaag met de problematiek die samenhangt met de prediking van de belofte: voor wie is zij eigenlijk? Dit vraagstuk heeft lange tijd onder ons de spanningen binnen de kerken van gereformeerd belijden beheerst. Wat betekent het aanbod van genade eigenlijk? De vraagstelling is ons grotendeels opgedrongen door de strijd die in de zeventiende eeuw geleverd moest worden met de remonstranten of arminianen en waarvan de gevolgen sindsdien niet meer zijn weg te denken. Het is geen wonder dat altijd weer de vraag opkomt: Voor wie is de belofte? En: Wat betekent het aanbod van genade? Voor Calvijn en anderen speelde natuurlijk dezelfde problematiek. Maar zij was nog niet zozeer belast met de hevigheid van de strijd met de arminianen uit de zeventiende eeuw. Daarom kunnen we van Calvijns onbevangenheid heel wat leren, evenals van die van Luther. God handelt met ons op de manier van de belofte, die inhoudt dat Zijn vlees waarlijk spijs is en Zijn bloed waarlijk drank. "Deze belofte, zo zeg ik, verzegelt en bevestigt Hij. En om dit te doen, zendt de belofte ons naar het kruis van Christus, waar deze belofte waarlijk ingelost en in alle opzichten vervuld werd. Want wij eten Christus slechts rechtmatig en tot ons heil, wanneer wij Hem als de Gekruisigde eten en de krachtige uitwerking van Zijn dood met een levendig gevoel aangrijpen" (Inst. IV, 17, 4 ). Het is een kenmerkende uitdrukking: de belofte zendt ons naar het kruis van Christus. Slechts daar wordt de vaste grond gevonden. In Christus zijn al Gods beloften ja en amen. En wat is het avondmaal anders dan het sacrament waarbij het kruis van Christus in het midden van de gemeente wordt geplaatst? Zéker niet om daarmee het offer op een onbloedige wijze te herhalen, maar wél om de eenmaal gebrachte verzoening in het geloof te aanvaarden.
Door het geloof ontvangen wij Christus en al Zijn weldaden.
Hij biedt ons daar Zichzelf met al Zijn goederen aan. Daar hebben we het woord dat zo veel betekent. In de belofte biedt Hij Zichzelf met al Zijn goederen aan (Inst. IV, 17, 5).
Wat deze "aanbieding" betekent, zegt Calvijn als volgt: "Eenmaal heeft Hij Zijn lichaam gegeven, om het brood te worden, toen Hij het tot verzoening van de wereld prijs gaf om gekruisigd te worden. Dagelijks geeft Hij het, als Hij het ons, zoals Hij gekruisigd werd, in het Woord van het Evangelie aanbiedt, opdat wij er deel aan zouden krijgen; Hij geeft het, wanneer Hij deze aanbieding door het heilig geheim van het avondmaal verzegelt. Hij geeft het, wanneer Hij inwendig vervult, wat Hij uitwendig betekent" (Inst. IV, 17, 5). Volgens Calvijn biedt de Heere ons in de belofte het heil aan. Maar deze aanbieding is meer dan alleen een vertoning, een "laten zien". Het is tegelijk een mededelen, een verlenen, een effectief maken, waardoor Christus innerlijk vervult hetgeen Hij uiterlijk aanwijst of afbeeldt. We menen dat hier een opvatting gegeven wordt die duidt op een andere benadering van de kwestie van het "aanbod van genade". Wij proberen dikwijls die kwestie te benaderen met de vraag te stellen: Hoe neemt een zondaar iets aan? Calvijn dacht vanuit een andere richting: het is voor hem niet de vraag hoe wij iets aannemen, maar hoe God het heil verwerkelijkt, meedeelt. Wij denken soms van de mens uit. Calvijn dacht van God uit, en hij had van pelagiaanse (we zeggen ook: arminiaanse) argumentatie geen last. Ik merk er bij op dat in de tijd van de Reformatie in principe deze zelfde vragen al speelden. Bullinger en anderen uit zijn omgeving wilden het woordje "exhibitio", aanbieding en vervulling, niet gebruiken. Calvijn dacht vanuit Gods werk, ook vanuit Gods verkiezende genade. Maar hij deed geen lettergreep af van de volle betekenis van het áánbod van genade. Christus werkt innerlijk wat Hij uiterlijk laat zien. Het gaat om Zijn tegenwoordigheid door de Geest, Die heel bijzonder déze vrucht van het geloof bewerkt, dat wij werkelijk met Christus verenigd worden en Hemzelf ontvangen, net zo zeker als wij het brood en de beker ontvangen en met de mond eten en drinken. Daarom moet het hart omhoog. Het uiterlijke teken is er, zeker. Maar men moet er niet aan blijven hangen: Sursum corda! Omhoog de harten!
Avondmaal: gemeenlemaaltijd
In het Heilig Avondmaal gaat het om de zeer persoonlijke, individuele band met Christus. Tegelijk is deze sacramentsbediening een zaak van de gemeente. Ik eindig deze bijdrage over het avondmaal bij Calvijn met een citaat, waarin hij opmerkt dat het niet slechts eenmaal per jaar gevierd moet worden. Het is er om door alle christenen dikwijls gebruikt te worden "opdat zij dikwijls het lijden van Christus zouden herdenken, en door die herdenking hun geloof zouden ondersteunen en versterken en elkander aansporen, om Gods lof te belijden en te zingen en Zijn goedheid te verkondigen en ten slotte daardoor de onderlinge liefde te voeden en daarvan onderling ook een getuigenis af te leggen, opdat zij de band der liefde zouden zien in de eenheid van het Lichaam van Christus" (Inst. IV, 17, 44). Want zo dikwijls als wij deel krijgen aan het teken, geven wij daardoor ook aan elkaar een onderpand dat we onze broeders en zusters zullen helpen en bijstaan, zoveel als binnen ons vermogen is. Wij zullen niet alleen met woorden, maar ook met de daad moeten bewijzen en betonen dat de band aan Christus de krachtigste motivatie is om ook met al de Zijnen gemeenschap in het geloof te oefenen. Hij is het Hoofd. Wij hebben, wanneer we Hem kennen, te maken met het gehele Lichaam. Men kan begrijpen dat Calvijn juist in Zijn avondmaalsopvatting een zeer krachtige motivatie vond om de eenheid van alle gelovigen wezenlijk te bevorderen. Een fout in de avondmaalsopvatting leidt onherroepelijk tot een verkeerde opvatting van de gemeenschap der heiligen. En zo ook tot frustratie van de ware katholiciteit en oecumeniciteit van de kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 mei 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
