De Institutie van Calvijn (22)
In dit nummer het tweeëntwintigste deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
Sacrament
Calvijns visie op doop en avondmaal vinden we in de Institutie na zijn uiteenzetting over de sacramenten in het algemeen. Dit hoofdstuk vormt als het ware de inleiding. Het is van belang, omdat het wezen van een sacrament eerst moet worden vastgesteld voordat men over de doop of over het avondmaal als bijzondere sacramenten zinvol kan spreken. Calvijn definieert een sacrament als "een uiterlijk teken, waardoor de Heere de beloften van Zijn welwillendheid jegens ons aan ons geweten verzegelt om de zwakheid van ons geloof te ondersteunen, terwijl wij omgekeerd van onze vroomheid jegens Hem openlijk voor Hem en Zijn engelen alsook bij de mensen getuigenis afleggen" (Inst. IV, 14, 1). Korter: "een getuigenis van Gods genade over ons, bevestigd met een uiterlijk teken, met wederkerige betuiging van onze vroomheid jegens Hem". Calvijn herinnert aan een definitie die Augustinus toepaste: een sacrament is "een zichtbaar teken van een heilige zaak, of een zichtbare gestalte van een onzichtbare genade". We herkennen in deze omschrijving de lutherse opvatting omtrent de sacramenten, waarin de nadruk valt op het beloftebegrip. In 1520 heeft Luther in zijn geschrift over de Babylonische gevangenschap van de kerk aandacht gevraagd voor de belofte: God handelt met ons op de manier van de belofte. Wij van onze kant kunnen met God niet anders omgaan dan op de manier van het geloof. Calvijn neemt deze fundamentele zienswijze over en hij heeft daarmee afscheid genomen van een soort automatische opvatting die eigen is aan de rooms-katholieke beschouwing van de sacramenten. Deze zouden altijd werken wanneer de ontvanger geen objectieve verhindering in de weg plaatst. Voor het sacrament, zegt Calvijn, is altijd geloof vereist. Het werkt niet zonder meer vanzelf. Het genadebegrip is ook heel anders gevuld. De belofte van God staat voor Calvijn centraal. Die belofte behelst een verwijzing naar de welwillendheid van God: een begrip dat we ook aantreffen in Calvijns geloofsdefinitie. Alles draait hier van meet af aan om het geloof, dat geen andere grond kan vinden dan in Gods beloften.
Tegelijk heeft Calvijn met zijn opvatting over de sacramenten een zekere subjectivistische zienswijze terzijde gesteld. Daarmee werd de opvatting van wederdopers en geestdrijvers in de wortel afgewezen. Zij hanteerden immers een sacramentsbegrip dat eerst dan geldig kon zijn wanneer in het innerlijke van de mens de genade tot werkzaamheid was gekomen. En daarmee werd de verantwoordelijkheid van de mens minder geaccentueerd.
Immers wanneer Gods belofte wordt afgemeten aan het geloof of de innerlijke toestemming die zij in het hart van de mens heeft gevonden, is daarmee de vastheid van het verbond verlaten en heeft deze plaats moeten maken voor een wankelende gemoedsgesteldheid. Heilzaam is Calvijns opvatting van de sacramenten als tekenen en zegelen van Gods genadebeloften.
Belofte en Geest
Hiermee is ook het werk van de Heilige Geest op de juiste plaats gekomen. Er is nooit sprake van een sacrament zonder een voorafgaande belofte van God (Inst. IV, 14, 3). Het sacrament is een soort appendix, een aanhangsel van de belofte, om de belofte zelf te versterken en haar temeer voor ons te verzegelen en te betuigen, vast en waar te maken. De waarheid van God is op zichzelf genomen betrouwbaar genoeg en zij kan nergens anders vandaan versterking ontvangen dan vanuit zichzelf. Ons geloof is echter zwak. Het moet van alle kanten ondersteund worden. Dit is het eigen werk van de Heilige Geest. Maar het werk van God is drievoudig. God onderricht ons allereerst door middel van het Woord en Hij versterkt het vervolgens door de sacramenten. Ten slotte verlicht Hij door het licht van de Heilige Geest ons hart en Hij opent door Woord en sacrament onze harten, "die anders slechts ons oor en oog zouden raken, en ons innerlijk allerminst zouden raken" (Inst. IV, 14, 8). Inderdaad is dus de Heilige Geest de werkmeester en ook de versterker van het geloof, juist ook waar het in het sacrament vastheid en zekerheid vindt. Daarom zijn de sacramenten ook méér dan alleen maar tekenen die een functie hebben in ons geloofsgetuigenis jegens de mensen. Zij staan primair in dienst van ons geloof in God. En zij hebben ook dezelfde taak als het Woord van God, namelijk dat zij ons Christus en in Hem ons ook de hemelse genade aanbieden. "Aanbieden" en "voorstellen" (Inst. IV, 14, 17) zijn de begrippen die Calvijn hier hanteert. Maar zij brengen ons niets aan en zij zijn ook niet tot voordeel afgezien en los van het geloof. Calvijn kan tegelijk ook zeggen dat de sacramenten ons niet verder van dienst zijn dan in zoverre de Heilige Geest, Die ons hart opent, ons in staat stelt het getuigenis ervan te ontvangen.
Wie Calvijn kent, hoort hier op de achtergrond de ondertoon van de verkiezende genade van God. Woord en sacrament beide worden effectief gemaakt, zodat het niet meer alleen gaat om een aanbieden, een voorstellen. Het komt ook tot een wérken van de genade, door middel van het sacrament, waarbij God Zelf innerlijk werkt wat Zijn dienaar door een uiterlijke handeling afbeeldt en betuigt. Het vruchtdragend effect van het sacrament, evenals dat van het Woord van God, is toe te schrijven aan het werk van de Heilige Geest. Woord, belofte, Evangelie, teken en zegel duiden op een werkelijkheid die God Zelf in handen heeft en in handen houdt.
De doop
Calvijn past dit algemene begrip van een sacrament toe op de doop. En dit houdt in dat Calvijn ook hier het beloftebegrip hanteert om de vastheid van het verbond van God te betekenen en te verzegelen.
De nadruk valt op die twee factoren, bijeengehouden in het geloof, namelijk de belofte en de Geest. Wie dit uit het oog verliest, zal aan Calvijn een zekere tegenstrijdige innerlijke spanning kunnen toeschrijven. Dit blijkt terstond al in de omschrijving van de doop. "De doop is het teken van de inwijding, waardoor wij in de gemeenschap van de kerk worden opgenomen, opdat wij, in Christus ingeënt, onder de kinderen van God gerekend worden. Verder is hij ons met deze bedoeling door God gegeven -waarin hij, zoals ik geleerd heb overeenkomt met alle sacramentenopdat hij allereerst zou dienen om ons geloof voor God te belijden, en daarna ook voor de mensen". Calvijn geeft vervolgens van dit tweevoudig karakter de redenen aan. In de doop belijden wij allereerst God, Die ons reinigt van de zonden. Een getuigenis van de volstrektheid van deze vergeving ligt als in een document voor ons in de doop: de afwassing van de zonden is het eerste wat ons wordt betuigd en verzekerd (Inst. IV, 15, 1-4). In de tweede plaats noemt Calvijn de doop een teken van de afsterving van de zonde en van het nieuwe leven (Inst. IV, 15, 5). Een derde vrucht geeft de doop ons "doordat ons zeker betuigd wordt, dat wij niet alleen in de dood en in het leven van Christus zijn ingeënt, maar dat wij zelf ook zo met Christus Zelf verenigd zijn, dat wij deelgenoten zijn van al Zijn goederen. Want daarom heeft Hij de doop in Zijn lichaam gewijd en geheiligd, opdat Hij die met ons gemeen zou hebben als een bijzonder sterke band van eenheid en gemeenschap, die Hij Zich verwaardigd heeft om deze met ons aan te gaan" (Inst. IV, 15, 6). De goederen die Christus verwierf, worden ons in het Evangelie aangeboden, met de persoon van Christus Zelf.
Zijn lijden en sterven vormen de grond niet alleen van ons geloof, zij tekenen ook de bestaanswijze van het geloofsleven, dat immers niet anders is dan een sterven met Christus en een opstaan in een nieuw leven met Hem.
Deze christologische concentratie blijkt voor Calvijn de toegang te zijn tot een trinitarische rijkdom, waarin de veelkleurigheid van de verlossing tot uitdrukking komt.
"Immers, hetgeen ons in de doop wordt voorgesteld aan gaven van God, wordt slechts in Christus alleen gevonden. En daarom kan het niet gebeuren, dat hij die in Christus doopt, ook niet tegelijk de naam van de Vader en van de Geest zou aanroepen. Want wij worden daarom door Zijn bloed gereinigd, omdat de barmhartige Vader, Die ons naar Zijn onvergelijkelijke goedertierenheid in genade wilde aannemen, déze Middelaar in het midden heeft gesteld om voor ons bij Hem gunst te verwerven. De wedergeboorte ontvangen wij echter slechts dan uit Zijn dood en opstanding, wanneer wij door de Geest geheiligd, doordrongen worden met een nieuwe en geestelijke natuur. Daarom is het zo, dat wij de oorzaak van onze reiniging en van onze wedergeboorte verkrijgen in de Vader, de zaak in de Zoon en de uitwerking in de Heilige Geest. Zo onderscheiden wij de dingen enigermate in onze waarneming" (Inst. IV, 15, 6). We zien hoe hier de concentratie op dood en opstanding van Christus niet leidt tot een versmalling van het heil. Integendeel: in Christus ontvouwt zich het heil op een wijze waarbij Vader, Zoon en Heilige Geest Zich doen kennen. De oorzaak van alle heil legt Calvijn in de Vader. De zaak van de verlossing zelf, haar materiële inhoud, is te vinden in Christus. De uitwerking, het effect, is een werk van de Geest. De doop herinnert dus aan het werk van de drie-enige God. De Vader is de bron, de Zoon bewerkt het wezen en de Geest effectueert de rijkdom van de verlossing. We denken hier onwillekeurig aan de formulering uit het klassiek-gereformeerde doopsformulier, waar het werk van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest nader gespecificeerd wordt op soortgelijke wijze.
Geestelijke rijkdom van de doop
Voor Calvijn gaat de roomskatholieke opvatting te ver wanneer deze stelt dat door de doop de erfzonde wordt weggenomen en ook het verderf dat sinds Adam in diens gehele nageslacht is verbreid (Inst. IV, 15, 10). Calvijn stelt dat voor de gelovigen het oordeel over de zonde is weggenomen wanneer de Heere ons door dit teken belooft dat er een volledige vergeving van de zonden heeft plaatsgevonden, zowel van de schuld die ons was toegerekend als van de straf die vanwege die schuld uitgewist moest worden. "Zij ontvangen ook de gerechtigheid, en wei zodanig als het volk van God in dit leven kan verkrijgen, namelijk slechts door middel van toerekening, aangezien God hen door Zijn barmhartigheid als rechtvaardig en schuldeloos beschouwt" (Inst. IV, 15, 10). Tegelijk roept Calvijn in herinnering dat de verkeerdheid in ons nimmer een einde neemt. De schuld mag dan zijn vergeven, de smet en de kracht van de zonde, de begeerlijkheid zal nimmer ophouden. Zij moet van dag tot dag meer en meer bestreden worden. Wij mogen de zonde niet laten heersen in ons lichaam. De klacht blijft ons bij: "Ik ellendig mens, wie zal ons verlossen?" Intussen blijft ook de belofte van het Evangelie gelden, tegelijk met de troost dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8: 1). Calvijn vat hier de troost samen met een verwijzing naar deze woorden van Paulus: "Waar hij leert, dat wie de Heere eenmaal in de gemeenschap van Zijn Christus heeft ingeplant, en in de gemeenschap van de kerk door de doop heeft opgenomen, bevrijd zijn van de schuld en van de veroordeling, ook al worden zij door de zonde omringd, ja zelfs al dragen zij de zonde in zich" (Inst. IV, 15, 12). De doop is dus een teken waarin het Evangelie ons van Gods kant wordt bevestigd. Tegelijk is het een teken waardoor wij te kennen geven dat we wensen te behoren tot het volk van God. Op die manier staat de doop in dienst van ons getuigenis jegens de mensen: wij dragen daardoor een kenmerk dat wij met alle christenen overeenstemmen in één dienst van God en in één religie. Publiek bevestigen wij door de doop ons geloof. Calvijn staat met deze opvatting nog helemaal in de tijd waarin het christelijke gemenebest gedragen werd door de gedachte dat de doop iedere burger aanmerkte als een christen.
Toch weet Calvijn heel goed dat er andere factoren zijn die hier beslissend zijn. In het gehele geding omtrent de doop komt alles aan op de fundamentele uitspraak dat wij het heil slechts ontvangen in de weg van het geloof. Daarom moeten wij dit teken en zegel ontvangen als uit de hand van zijn Auteur. "Het komt erop aan dat wij zeker en overtuigd zijn, dat Hij Zelf het is die door dit teken tot ons spreekt, en dat Hij het is die ons reinigt, wast en de gedachtenis van onze zonden wegneemt". Wat uiterlijk door de doop geschiedt, is een analogie, een gelijkenis van wat de Heere Zelf innerlijk doet. Daarom moet men ook niet blijven staan bij de dienaar van de doop. Hoger moeten onze gedachten opklimmen, naar de Heere Zelf. Alles komt aan op het geloof in Hem, Die ons zijn beloften geeft. De zaligheid is gelegen in de belofte, die ook vervuld kan worden zonder doop. Op grond daarvan wijst Calvijn ook de nooddoop af. Op de belofte komt het aan, en dan ook op de doop als zegel van de belofte. Niet alsof het zegel de belofte pas goed van kracht zou maken, en alsof de belofte in zichzelf krachteloos zou zijn. Integendeel: geloof correspondeert met de belofte. En de belofte werkt dit geloof in allen die zich aan de Heere toevertrouwen. De doop op zichzelf genomen is niet effectief. Alle kracht ontvangt zij van de werking van de Heilige Geest.
Kinderdoop
Doordat Calvijn alle nadruk heeft gelegd op het beloftebegrip kan hij ook zonder complicaties de kinderdoop handhaven. De wederdopers meenden dat de kinderdoop de oorzaak was geweest van het verval. Voor Calvijn betekende zij het tegendeel. God was in de duistere perioden van de kerkgeschiedenis present gebleven op de manier van de belofte. De kracht van de doop is daarvan afhankelijk. De rechte beschouwing van het sacrament schuilt niet in de uiterlijke tekenen, maar in de belofte (Inst. IV, 16, 2). Fundamenteel is hier de eenheid van het verbond. Ook in het oude verbond gaat het om de belofte. Deze vormt het wezen, de substantie van het verbond der genade. Wat de bediening van het verbond aangaat, daarin is verschil. Het nieuwe verbond is ruimer, geestelijker en krachtiger dan het oude. Het is in geen enkel opzicht minder en daarom komt evenals bij de besnijdenis aan de kinderen de belofte toe. De vrucht van de kinderdoop is voor de ouders die hun kind laten dopen dat zij mogen weten dat de belofte niet alleen voor henzelf geldt, maar dat zij ook van kracht is voor hun kinderen tot in het duizendste geslacht. Voor de kinderen betekent de doop dat zij in het lichaam van de kerk ingelijfd zijn en daarom aan de zorgen van de andere leden van de gemeente zijn aanbevolen. Bij het opgroeien worden zij op een bijzondere manier gestimuleerd om ijverig God te dienen, door Wie zij door het publieke teken van de adoptie tot Zijn kinderen zijn aangenomen, nog voordat zij Hem, gezien hun leeftijd, als Vader konden erkennen. Hun aanneming tot kind van God geschiedt inderdaad op de manier en door middel van die belofte, welke door het geloof wordt vervuld, door de kracht van het werk van de Heilige Geest.
Daarachter staat voor Calvijn de genadige verkiezing van God. Aan de verkiezing komt het "vrije recht" toe om zich hier te laten gelden (Inst. IV, 16, 15). Maar dit neemt niet weg dat God in Zijn barmhartigheid aan het zaad van Abraham, en nu ook aan het zaad van de kerk, een bijzondere plaats heeft willen toewijzen. Paulus houdt er niet van om op dit punt met spitsvondige filosofieën te werken. Evenmin als Petrus, die immers opmerkt dat aan de Joden op de pinksterdag "naar het recht van het verbond" de weldaad van het Evangelie toekomt. Hij noemt hen kinderen, dat is erfgenamen van het verbond.
Calvijns visie op de kinderdoop spoort geheel en al met zijn visie op het sacrament als zodanig. God geeft Zijn belofte. De Heere verzegelt en bevestigt die belofte in het teken van de doop. De Geest eigent ons toe wat de belofte inhoudt. En zo verwerkelijkt zich Gods genadige verkiezing in de lijn van het verbond van God. Volwassenen en kinderen moeten derhalve leren dat het geloof in de belofte beslissend is. Hier functioneert het verbond als middel dat de Geest hanteert om ons deelachtig te maken wat in het sacrament beloofd wordt.
Hetzelfde geldt van het sacrament van het avondmaal. De kinderdoop past volledig binnen deze sacramentele structuur. Zij dient als een prikkel die ons opwekt om onze kinderen op te voeden in de vreze Gods en in de onderhouding van Zijn wet. Vanaf de geboorte worden zij door God voor Zijn kinderen gehouden en erkend. Daarom moet de toorn van het verbond ons verschrikken wanneer wij bedenken "dat God een wreker is, wanneer iemand het veracht om zijn kind met het teken van het verbond te laten kenmerken, omdat door deze verachting de aangeboden genade wordt afgewezen en als het ware afgezworen" (Inst. IV, 16, 9).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
