De Institutie van Calvijn (20)
In dit nummer het twintigste deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
De kerkgeschiedenis is er om te bewijzen dat genade en kerk bij elkaar behoren. Reeds Paulus levert daarvan een voorbeeld. Hij heeft altijd alle nadruk gelegd op de vrije genade van God. Hij heeft tegelijk overal gemeenten gesticht, waarvan hij geloofde dat zij verbonden waren aan de drie-enige God Zelf. De kerk was voor hem de gemeente van de Heere: volk van God, lichaam van Christus en tempel van de Heilige Geest. We treffen hetzelfde aan bij de grote kerkvader van het Westen, Augustinus. Hij was een prediker van de genade en heeft deze verdedigd tegenover Pelagius. Hij was tegelijk de theoloog van de kerk. In de strijd met de donatisten was het voornaamste punt van geschil voor hem gelegen in de visie op de kerk.
Calvijn staat in deze traditie. Zijn theologie is voluit een verdediging van de leer der genade van God. Hij heeft: daarvan de diepte aangewezen in de belijdenis van Gods verkiezing, als volstrekte uitdrukking van het absolute en onverdiende karakter van Gods genade in Christus. Tegelijk is Calvijn de verdediger geweest van de kerkopvatting en de kerkelijke organisatie waarin die genade haar kracht zou kunnen bewijzen en bewaren. De innige band tussen genade en kerk vindt bij de reformator van Genève een heldere uitdrukking in het laatste boek van de Institutie. Het derde boek is voornamelijk gewijd aan een bijzonder zorgvuldige tekening van het verborgen werk van de Heilige Geest in vernieuwing, vergeving en verheerlijking. Het vierde of laatste boek van de Institutie bevat een bespreking van de belijdenis omtrent de kerk, haar ambten en regeringswijze en ook haar verhouding tot de staat. Calvijn heeft zijn gedachten omtrent de kerk reeds in de eerste druk van de Institutie (1536) op papier gezet. Daar valt de nadruk op de kerk naar haar verborgen kant: zij leeft van de verkiezing van God en zij vindt haar wezen ook in de verborgen raad van God. In de ontwikkeling van zijn gedachten is zijn verblijf in Straatsburg van grote betekenis geweest. Daar maakte hij kennis met de organisatie van de kerk zoals Bucer deze voor ogen stond: een pastorale gemeente waarin volop aandacht zou worden geschonken aan de zielszorg. Ook kon Calvijn in die tijd zelf in de praktijk ervaring opdoen in de kleine Franse gemeente van vluchtelingen die hij had te leiden. De terugkeer naar Genève in 1541 betekende voor hem dat hij nu zelf naar het Straatsburgse model de Reformatie verder kon doorvoeren. Het is bekend dat hij een sterke strijd te voeren had om te komen tot een zuivere kerkelijke, dat wil zeggen, geestelijke bestuurswijze. In de gereformeerde traditie is er altijd aandacht geweest voor het koningschap van Christus. Dit was maar niet een kwestie van theorie. Het moest in de praktijk van elke dag tot uitdrukking worden gebracht. Alleen op die manier zou het ook kunnen komen tot de geestelijke groei van de kerk. Gemeenteopbouw is geen uit vinding van onze eeuw. Het was het ideaal van Bucer en Calvijn. De kerkelijke organisatie stond bij hen in dienst van het werk van de Geest.
Geest en kerk
Zo hebben we ook het opschrift te lezen boven het laatste boek: De uiterlijke hulpmiddelen waardoor God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en in haar houdt. Zeer kernachtig komt hier de plaats naar voren die aan de kerk is toegewezen. Zij behoort tot de uiterlijke hulpmiddelen. Maar dit begrip "uiterlijk" staat niet tegenover het begrip "innerlijk". Het functioneert als aanduiding dat wij met tastbare, hoorbare, zichtbare, uiterlijke dingen bezig zijn, die evenwel alle gericht zijn op het verborgen werk van de Heilige Geest.
Achter het uiterlijk van de kerk schuilt het geheim, de verborgenheid van de Geest. Dat zouden wij veel meer moeten bedenken. Voor Calvijn zijn die twee op elkaar betrokken. Wij rukken vaak uiteen wat God niet gescheiden wil hebben. We verzeilen dan in een kerk met allemaal uiterlijkheden. Of we komen terecht in een geheel van zaken die men niet in de vingers kan krijgen. Voor Calvijn lag de weg in het midden: tussen aan de ene kant het oneindig uiterlijk vertoon dat in de kerk van Rome van zijn dagen te vinden was, en aan de andere zijde de verwijzing naar het innerlijk zoals het op een overdreven en overgeestelijke manier bij de dopersen en spiritualisten van zijn dagen te vinden was. Tussen Rome en de anabaptisten speelde zich Calvijns theologie af en de neerslag ervan treffen we aan in zijn leer omtrent de kerk.
Het hart van deze ekklesiologie is te zoeken in de gemeenschap met Christus. Dit was immers ook de centrale inhoud van het gehele derde boek. Het werk van de Heilige Geest brengt ons in levende verbinding met de persoon en vervolgens met de weldaden van Christus. De Geest Zelf is de band met Christus. En zo is de kerk, met haar woordbediening, samen met de bediening van de sacramenten en haar broederlijke tucht, een middel dat God gebruikt om de band aan en met Christus tot stand te brengen en te onderhouden. Op die manier wordt het kerkbegrip zeer krachtig verdiept. Wij vergeten dit wel eens te veel.
Reeds Bucer klaagde dat men in zijn tijd nog steeds niet wist wat een kerk is. Het lijkt erop dat wij niet zo heel veel verder zijn gekomen. Het geheim van de gemeente is de gemeenschap met Christus. Dat zet alles op scherp.
Tegelijk is er iets van een zekere relativering: de gemeenschap met de kerk is geen doel op zichzelf. Dat is tegenover Rome gezegd. Natuurlijk was er ook bij Rome wel het besef dat het niet om uiterlijkheden gaat, zoals dat er ook vandaag zeker te vinden is. Maar dit neemt niet weg dat het kerkbegrip buitengewoon beheerst werd door dit accent op uiterlijke dingen. Anderzijds wist Calvijn zijn opvatting te plaatsen tegenover die van de dopersen en spiritualisten: men mag de uiterlijke hulpmiddelen niet geringschatten. God werkt in Zijn gemeente op een middellijke wijze.
Hulpmiddelen ter wille van onze zwakheid
Calvijn beschouwt onze onervarenheid en traagheid als een voorname reden voor het gebruik van de hulpmiddelen die de kerk ons verschaft: "Omdat onze onervarenheid en onze traagheid, en voeg daarbij ook nog maar de ijdelheid van ons verstand, uiterlijke hulpmiddelen nodig hebben, waardoor het geloof in ons wordt voortgebracht en vermeerderd, en ook tot aan het einde toe zijn vorderingen mag maken, heeft God die hulpmiddelen erbij gevoegd, opdat Hij onze zwakheid te hulp zou komen. En opdat de prediking van het Evangelie haar uitwerking zou hebben, heeft Hij deze schat bij de kerk in bewaring gegeven. Hij heeft herders aangesteld en leraars (Efeze 4:11), opdat Hij door hun mond de Zijnen zou onderwijzen. Hij heeft hen met gezag toegerust. Kortom, Hij heeft niets nagelaten wat ervoor zou kunnen zorgen dat er een heilige eenheid in het geloof en een rechte orde zou zijn" (Inst. IV, 1,1).
Dat Calvijn het begrip "uiterlijk hulpmiddel" gebruikt, betekent niet dat men op een abstracte en mechanische manier over de kerk kan spreken. Er valt een heel andere term wanneer hij aan de kerk denkt: "Ik begin bij de kerk. In haar schoot wil God Zijn kinderen vergaderen. Niet slechts om hen door haar moeite en dienst te voeden, zolang zij nog zuigelingen en kinderen zijn. Maar ook, opdat zij door haar moederlijke zorg geregeerd worden, totdat zij opgegroeid zijn en eindelijk tot het doel van het geloof komen. Want wat God heeft samengevoegd, mag niet gescheiden worden (Markus 10:9): voor wie Hij de Vader is dient de kerk een moeder te zijn". Er is volgens Calvijn geen andere "ingang tot het leven" dan door de kerk. Zij dient ons in haar schoot te ontvangen en ons ook te voeden. Zij neemt ons onder haar hoede. En vergeving ontvangen wij in haar midden. "God geeft ons het geloof in onze harten, maar door het instrument van het Evangelie" (Inst. IV, 1, 5).
Calvijn denkt bij dit alles vooral aan de zichtbare kerk. Zij is de moeder van de gelovigen. Dat er een zekere spanning in deze opvatting zit, ligt voor de hand. In de eerste uitgave van de Institutie verbond Calvijn op een vrijwel directe manier de kerk met de verkiezing. We kunnen dit verklaren, omdat juist in die tijd de zichtbare kerk zich ontpopte als een on-kerk, een ten onrechte zo genaamde kerk, een valse kerk. Dit betekent niet dat er geen gelovigen in gevonden werden, maar de situatie in Frankrijk van een vervolging die steeds heftiger werd, bracht vanzelf een benadering mee die sterke nadruk legde op de onzichtbare kant, de kerk zoals God die gekend heeft en staande houdt.
Moederkerk
Later komt er een accent te liggen op het zichtbare, het tastbare van de gemeente van Christus. Die zichtbare kerk is de moeder van de gelovigen. Zij speelt een belangrijke rol bij de bemiddeling van het heil. Zij is inderdaad een heilsinstituut. De Geest van het Woord werkt in haar en door haar de gemeenschap met Christus. Hoe staat het met de verhouding van het zichtbare en het onzichtbare? We kunnen die twee niet los van elkaar zien. Evenmin mag men die twee met elkaar vereenzelvigen. Immers, de Bijbel spreekt op twee manieren over de kerk. "Soms bedoelt zij, wanneer zij haar noemt, die kerk die inderdaad voor Gods aangezicht is. Daarin worden slechts zij opgenomen die door de genade van de aanneming kinderen van God zijn en door de heiligmaking van de Geest werkelijke leden van Christus. En dan omvat de kerk niet alleen de heiligen die op aarde wonen, maar alle uitverkorenen die er sedert het begin van de wereld geweest zijn" (Inst. IV, 1,7).
De andere manier van spreken in de Bijbel gaat uit van de werkelijkheid zoals wij die zien. Dan wordt onder de naam van kerk "de gehele menigte van mensen aangeduid die belijden dat zij één God en Christus dienen". In doop en avondmaal leggen zij daarvan getuigenis af. Zo is er een zichtbare gemeente, maar onder haar zijn veel huichelaars gemengd, "die van Christus niet meer hebben dan de naam en de schijn". Eerzuchtigen, kwaadsprekers, mensen met een onrein leven, die men voor een tijd verdraagt, óf omdat men ze niet door een wettig oordeel kan overtuigen, dan wel omdat het de kerk aan strengheid ontbreekt ten aanzien van de tucht. Calvijn verzet zich ertegen dat men de zuiverheid van de kerkleden als maatstaf kan nemen. Hij kende te goed de geschiedenis van de donatisten uit de tijd van Augustinus, die een ideaal koesterden van heiigheid dat geen rekening hield met de blijvende kracht van de zonde en die zich daarom afscheidden. Tegen hen keerde Augustinus zich en tegen hen gaat ook Calvijns spreken over de kerk. In de geloofsbelijdenis, zo schrijft hij, wordt het artikel van de kerk heel nauw verbonden met de vergeving van de zonden (Inst. IV, 1, 20). Dat houdt ook in dat de kerk zelf altijd van vergeving moet blijven leven. Dat stempelt het karakter van de heiligheid van de gemeente. Daarom mag men die gemeente ook nimmer verlaten, "ook al is zij overigens vol van fouten" (Inst. IV, 1, 12).
Kenmerken van de kerk
Men vraagt onwillekeurig of wat betreft dit standpunt de Reformatie zelf niet een scheur betekende in het lichaam van Christus. Is de breuk werkelijk noodzakelijk geweest, en is er in het doen en laten van Calvijn ook niet iets wat veel weg heeft van het standpunt van de vroegere donatisten, tegen wie Calvijn zich zo heftig verzet? Die vraag heeft Calvijn op meer dan één plaats en ook op meer dan één manier beantwoord. Telkens is er in dat antwoord een verwijzing naar die kenmerken van de kerk die voor haar bestaan onmisbaar zijn: de prediking van het Woord en de bediening van de sacramenten. Voorzover het voor ons van belang is, heeft de Heere de kerk door zekere kenmerken voor ons aangewezen. Alleen God Zelf weet wie de Zijnen zijn. Calvijn gebruikt hier het begrip "praerogatief", als aanduiding van een zeer bijzonder recht dat God Zichzelf heeft voorbehouden. Hij staat dit recht niet af aan ons. Wij maken niet uit wie Zijn kinderen zijn. Reeds bij zijn spreken over de verkiezing drukte Calvijn, zoals wij reeds eerder zagen, zich zo uit dat wij niet kunnen oordelen met een geloofsoordeel waarin zekerheid ligt, maar wel met een oordeel der liefde waardoor wij hen als leden van de kerk erkennen die met ons dezelfde belijdenis hebben en eveneens met ons dezelfde gemeenschap der sacramenten oefenen. Daaruit ontstaat nu de zichtbare gestalte van de kerk: zij treedt tevoorschijn als gemeente rondom het Woord en nog duidelijker aangegeven: als gemeente rondom het avondmaal. "Want overal waar we zien dat Gods Woord zuiver gepredikt wordt en waar de sacramenten naar de instelling van Christus bediend worden, daar mag men er in geen enkel opzicht aan twijfelen dat we een kerk van God voor ons hebben, aangezien de belofte van Hem niet kan falen: "Waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben ik in het midden van hen"" (Matth. 18:20). Calvijns beschouwing van de kerk wordt gedragen door de diepe overtuiging dat het Woord van God nimmer ledig tot Hem zal terugkeren. De effectiviteit van Gods genadeboodschap is voor hem een garantie dat er een gemeente moet zijn wanneer het Woord recht gepredikt wordt. Eigenlijk is dit het eerste en het krachtigste kenmerk. De andere kentekenen voegen zich daarbij, zoals ook bij Luther en bij Bucer het geval was. Woord en sacrament vallen wel niet samen, maar behoren wel bijeen. Het sacrament is immers niets anders dan het zichtbare Woord. En de bediening van het avondmaal vereist immers broederlijke opzicht en tucht.
Eenheid én katholiciteit
Calvijn wil onderscheid maken tussen de algemene kerk, die bestaat uit de schare die uit alle volken verzameld wordt, en de plaatselijke kerken, die overal verspreid zijn en als afzonderlijke kerken beschouwd kunnen worden. Ieder van hen bezit de naam en het gezag van kerkzijn met recht. Het maakt verschil of men over zo'n kerk als zodanig spreekt, dan wel over de leden van zulk een plaatselijke kerk (Inst. IV, 1, 9). "De manier waarop wij privé-personen beoordelen, verschilt trouwens van die waarop wij de kerken beschouwen". Van sommige mensen is het duidelijk "dat wij hen in geen geval waardig keuren voor de gemeenschap der vromen, terwijl wij hen toch als broeders moeten behandelen en als gelovigen moeten beschouwen, vanwege de gemeenschappelijke overeenstemming met de kerk, waardoor zij in het lichaam van Christus gedragen en geduld worden". "Niettemin laten wij hun de plaats die zij onder het volk van God innemen, totdat deze hun naar recht en wet ontnomen wordt". Het oordeel over afzonderlijke leden, privé-personen zoals Calvijn hen noemt, verschilt dus van ons oordeel over een gemeente als zodanig. Deze "schare op zichzelf" (Calvijn bedoelt blijkbaar een plaatselijke gemeente) zal men toetsen aan de bekende twee punten: "Want als zij de dienst van het Woord heeft en in ere houdt evenals de bediening van de sacramenten, dan verdient zij zonder enige twijfel voor een kerk gehouden en gerekend te worden. Want het is zeker, dat deze niet zonder vrucht is" (Inst. IV, 1,9).
Op die manier bewaren wij de eenheid met de katholieke of algemene kerk. Calvijn was de man van de kerkelijke eenheid. Hij heeft ervoor geijverd het christenvolk in Europa als eenheid te zien optreden. Zijn opvattingen zijn bekend en worden zeer geprezen. Ze berusten op het inzicht dat de eenheid vooral gezocht moet worden in de "hoofdstukken van de ware leer, die niet alle van één gestalte zijn". Calvijn onderscheidt tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke leerstukken (Inst. IV, 1, 12). Het was voor hem de enige mogelijkheid om de eenheid der christenen te bevorderen. Zijn standpunt verschilde niet wezenlijk van dat van Herman Witsius, de bekende vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie in ons land: "In het noodzakelijke eenheid, in het niet-noodzakelijke vrijheid en in alles de liefde". Het is een spreuk die veel scheiding en twist zou hebben kunnen voorkomen of wegnemen. Hoe kan men spreken over de kerk wanneer men haar eenheid niet in één adem met haar heiligheid en katholiciteit belijdt?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 2002
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
