In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De Institutie van Calvijn (15)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Institutie van Calvijn (15)

14 minuten leestijd

In dit nummer het vijftiende deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.

Christelijk leven

Voor Calvijn was het christelijk leven in zijn totaliteit en naar zijn diepste wezen een zaak van geloof en bekering, meer niet. Dat het voor hem daarop aankwam, blijkt uit de indeling van het derde boek van de Institutie. In het kader van het werk van de Heilige Geest, Die Christus verheerlijkt, spreekt Calvijn over het geloof. Verheerlijking van Christus is het eigenlijke werk van de Geest. In termen van bijzondere intimiteit, mystiek gekleurd, wordt daarover gesproken. Christus komt in ons wonen. Hij blijft niet op een oneindige afstand van ons. Dan zou immers Zijn werk voor ons weinig betekenen.

Christus moet niet van ons gescheiden zijn. Hij moet de onze worden en in ons wonen (Inst. III, 1, 1). Christus woont in ons door Zijn Geest, Die door Zijn verborgen werk ons de goederen van Christus doet genieten. Hij is de Geest van de heiligmaking en tegelijk de Geest van het geloof.

Zo komen de dingen van het Koninkrijk naar ons toe: Christus in ons door de Geest. De Geest in ons door Zijn verborgen werk. En het nieuwe leven in ons door het geloof. De mystiek is geloofsmystiek, gegrond in het Woord Gods.

Ook nu wordt opnieuw duidelijk dat Calvijns onderricht in de religie geen speculatief verhaal is, geen kwestie van redenering, die vooral kloppend gemaakt moet worden.

Hier, op dit punt, oefent Calvijn kritiek op de rooms-katholieke beschouwing van de bekering, waarin de ware boetvaardigheid bestaat in drie componenten: verbrijzeling van het hart, belijdenis van de mond en voldoening door de werken. Door middel van een theologische redeneermethode probeerden de toonaangevende godgeleerden vast te stellen wat ware en onechte bekering was (Inst. III, 4, 1). Voor Calvijn gaat het echter niet om een uitgebalanceerd boetesysteem, maar om een oprechte en krachtdadige omzetting van verstand en wil van de mens. De vergeving der zonden is voor hem in het geding. In het denken van de schooltheologen bij Rome berust die vergeving in zekere zin op de verbrijzeling van het hart, waarvan echter niemand ooit weet of zij werkelijk oprecht is en waarvan niemand ook de maat en de genoegzaamheid kan aangeven. Zo komt alles te rusten op de onzekere factor van de menselijke ervaring, die aan allerlei wisselvalligheden onderworpen is. De zekerheid van het geloof is verdwenen. Zij heeft haar plaats moeten afstaan aan gissingen of vage vermoedens. Het oog wordt afgewend van de barmhartigheden van God en het richt zich dan op de vraag of de verbrijzeling van het hart oprecht en diep genoeg is (Inst. III, 4, 2/3). Zo wordt de mens inderdaad op zichzelf teruggeworpen. Het belijden van de zonde in de biechtstoel biedt weinig uitzicht wanneer déze theologie erachter schuilgaat. Eerder is er sprake van wanhoop. Calvijn stelt zijn standpunt daartegenover: "Ook wij hebben ergens gezegd, dat nooit zonder boetvaardigheid vergeving van zonden kan verkregen worden, omdat slechts zij die terneergeslagen zijn, door het bewustzijn der zonden gewond, Gods barmhartigheid oprecht kunnen inroepen. Maar wij hebben daar ook aan toegevoegd, dat de boetvaardigheid niet de oorzaak is van de vergeving der zonden. En wij hebben die foltering der zielen weggenomen, dat het verschuldigde moet worden volbracht" (Inst. III, 4,3).

Terecht kunnen wij met Calvijn deze veelvormigheid van onzekerheden afwijzen. Intussen is er bij velen vandaag een gelijksoortige vorm van onzekerheid waar te nemen. Deze ontstaat waar men het oog van Christus, Zijn lijden en sterven, afwendt en op onderzoek gaat in het eigen hart. Zo heeft men het christelijke leven beroofd van zijn diepste grond en fundament. Calvijn spreekt over "de meest zegenrijke fundamenten om het leven goed in te richten" (Inst. III, 6, 3). Zij zijn te vinden in het volbrachte werk van Christus. Daar ontvangen wij de zekerheid van het geloof. En daar krijgt het christelijke leven een stempel van hoge en heilige zedelijkheid.

Ethisch gehalte van Calvijns theologie

Met bijzondere zorg heeft Calvijn aandacht gegeven aan de beschrijving van het christelijke leven. Hij betrachtte daarbij wel de beknoptheid. Hij had over dit veelzijdig en inhoudrijk onderwerp gemakkelijk een groot boek kunnen schrijven. "Ik bemin van nature de kortheid" (Inst. III, 6, 1). Reeds in de uitgave van 1539, die in Straatsburg totstandkwam, voegde Calvijn aan zijn boek een afzonderlijk hoofdstuk toe, waarin zijn ethiek te vinden is. Voor hemzelf vormde dit stuk een afgerond geheel, dat in alle latere uitgaven vrijwel ongewijzigd werd overgenomen.

Wij mogen aannemen dat nog voor 1540 dit gedeelte in een afzonderlijk geschrift op de markt werd gebracht. Het werd in die vorm ook verscheidene malen in het Nederlands uitgegeven als een "Gulden boekske over de recht christelijke wandel". Wij verwonderen ons wellicht over het feit dat Calvijn nog voordat hij spreekt over de rechtvaardiging en over de verkiezing, het christelijke leven ter sprake brengt. Wij mogen eruit afleiden dat hij inderdaad "het zedelijk karakter van de Reformatie" wil benadrukken, niet door allerlei deugden op uitgebreide manier te bespreken, zoals de oude kerkvaders het deden in hun preken. Integendeel. Calvijn zoekt de bronnen van het christelijke leven op te sporen en daaruit te putten. Zo trachtte hij het verwijt weg te nemen dat de Reformatie een leer hanteerde die de mensen zorgeloos en goddeloos zou maken.

Twee principes stelt Calvijn in het volle licht. Het eerste is de liefde tot gerechtigheid, "die ons wordt ingedrupt". Het tweede is de regel, die ons wordt voorgeschreven en waarnaar wij hebben te leven (Inst. III, 6, 2). Wij herkennen hier de twee elementen die altijd weer terugkeren: vernieuwing en gehoorzaamheid. De vernieuwing is vrucht van bekering. De gehoorzaamheid onderwerpt zich aan de regel, "die ons wordt voorgeschreven". Is Calvijns ethiek daarom wettisch? Allerminst. De diepste grond vinden wij in de verzoening. God de Vader heeft ons in Christus met Zichzelf verzoend en tegelijk heeft Hij ons in Christus het beeld getekend waaraan Hij ons gelijkvormig wil maken. Let wel: de ethiek, die ons leven regelt, vangt aan met de verzoeningsdaad van de Vader en tegelijk met de vernieuwing naar het beeld van Christus.

Christelijke ethiek heeft altijd betrekking op menselijk handelen. Maar zijlijke actie, ook niet uitsprong in komt niet op uit deze mense een christelijke actie. Zij vindt haar oor het verzoeningswerk van de Vader en zij ontvangt haar norm in het beeld van Christus, waartoe wij ver nieuwd worden. Wij herinneren ons de formulering van onze Catechismus: Waarom moeten wij goede werken doen? Het antwoord corrigeert de vraag: Omdat Christus nadat Hij ons verzoend heeft, ons ook vernieuwt (vraag en antwoord 86).

Zo krijgen wij te maken met een dilemma: christelijke ethiek of menselijke moraliteit of moraalfilosofie. Deze laatste vloeit niet voort uit de ware bron. De moraliteit van de heidenen, dat wil zeggen de mensen die God niet kennen in Zijn openbaring, die moraliteit vraagt hoogstens dat wij "in overeenstemming met onze natuur moeten leven" (Inst. III, 6, 3). Daarmee is een hoog ideaal gesteld. Mensen zakken gemakkelijk af naar een benedenmenselijk, een dierlijk niveau. Daarom is menselijke moraliteit volstrekt niet negatief te beoordelen. Calvijn doet dit ook niet. Maar zijn bronnen, zijn fonteinen, liggen niet in de tempel van menselijke religiositeit. Zij zijn te vinden in "des Heeren tabernakel". In verzoening en vernieuwing naar het beeld van Christus. Het past allerminst dat "het heiligdom, waarin God woont, als een stal gevuld is met vuil" (Inst. III, 6, 2).

Naamchristenen missen de gemeenschap met Christus. Zij wenden vals en ten onrechte de kennis van Christus voor. Wie van Hem is richt het oog op de volkomenheid, ook al heeft hij deze nog lang niet bereikt. In oprechte eenvoud dienen wij te streven naar dit doel, totdat wij na dit leven tot de volle gemeenschap met Christus zijn aangenomen. Christelijk leven staat derhalve in het teken van de wasdom. "De moeite is niet verloren, wanneer de dag van heden die van gisteren overtreft" (Inst. III, 6, 5).

Christelijk leven bestaat uit zelfverloochening

Christelijke ethiek bestaat in een leven naar de wet van de Heere. De regel in de wet voorgeschreven, dient als richtsnoer. Toch is er een beginsel dat nauwkeuriger werkt. Het bestaat in de plicht van de gelovigen om zichzelf voor God en aan God te offeren. Dat is een kwestie van gehoorzaamheid. Daarvan heeft Calvijn bij menige gelegenheid een voorbeeld gegeven. "Ik breng mijn hart aan de Heere ten offer". Er zijn momenten geweest dat deze dienst van het offer heel veel van hem vroeg. De situatie was heel vaak zo dat hij zich had willen terugtrekken. Maar in gehoorzaamheid ging hij de weg die de Heere van hem vroeg en die hem soms door zijn vrienden als weg van God werd aangewezen. Gehoorzaamheid werd dan alles voor hem, en wel geen formele gehoorzaamheid die zich angstig aan gebod op gebod en regel op regel hield, maar gehoorzaamheid die voortkwam uit de bron van oprechte heiliging en toewijding. "Dit is iets groots, dat wij aan God geheiligd en toegewijd zijn, opdat wij daarna niets denken, spreken of overwegen en doen, dan wat tot Zijn eer strekt" (Inst. III, 7, 1).

Het thema dat daarbij telkens weer doorklinkt is: wij zijn niet van onszelf, wij zijn van God. "Wij zijn niet van onszelf. En dus mag bij onze plannen en bij onze daden noch ons verstand, noch onze wil heerschappij voeren. Wij zijn niet van onszelf. En dus zullen wij ons niet ten doel stellen om na te jagen wat ons naar het vlees nuttig is. Wij zijn niet van onszelf. En dus zullen wij onszelf en al het onze zo veel als maar mogelijk is vergeten. Anderzijds: wij zijn van God. Laten wij dus voor Hem leven en sterven. Wij zijn van God. Laten dus Zijn wijsheid en Zijn wil al onze handelingen leiden. Wij zijn van God. Dus moet ons gehele leven in al zijn delen zich naar Hem uitstrekken, als naar het enige rechte doel (Rom 14:8)" (Inst. III, 7, 1).

Het is duidelijk dat Calvijn door deze sterke nadruk op heiliging als uitdrukking van het feit dat wij van God zijn, een sterke stimulans aanbracht voor de eenheid van het christelijke leven. Maar al te gemakkelijk verbrokkelt het in afzonderlijke en losse acties. Calvijn oordeelt terecht dat de eenheid van dit christelijke leven gezocht moet worden in de zelfverloochening. Deze is tweezijdig. Ten opzichte van de mensen geldt zij. Zij staat of valt met de belijdenis dat wij alles wat wij bezitten uit genade ontvangen hebben. Tegelijk moeten wij de gaven opmerken die de Heere aan onze naasten heeft geschonken. Ons streven moet gericht zijn op het nut van de naaste. Veel meer echter geldt onze zelfverloochening onze houding ten opzichte van God. En hier werkt de zelfverloochening door in alle lagen van ons bestaan. Daar neemt de zelfverloochening de vorm aan van het sterven aan onszelf en van een totale onderwerping aan de hand van God. Wat er ook gebeurt, wij zullen het met een kalm en dankbaar gemoed aanvaarden. Hier ziet Calvijn een wezenlijk verschil met "die dwaze en allerellendigste troost" die het levensgeluk laat afhangen van de fortuin. Een regel voor de vroomheid is voor hem dat alleen Gods hand voorspoed en tegenspoed beoordeelt én bestuurt. Aan Hem onderwerpen wij ons, ook al brengt dit met zich dat wij onze eigen wil verzaken en die van God als alleen goed aanvaarden.

Kruisdragen behoort bij Calvijns ethiek

Vergeleken met Luthers spreken over het kruisdragen achter Christus lijkt dat van Calvijn minder krachtig. Bij Luther is alles ingebed in zijn theologie van het kruis, die oneindig veel meer inhoudt dan dat er zo nu en dan een verwijzing plaatsvindt naar het lijden en sterven van Christus. De enig ware theologie is voor Luther de theologia crucis. Daar Ieren wij God waarachtig kennen: "door veel lijden en kruis heen". Voor Luther valt daarbij het volle accent op het priesterlijke ambt van Christus. Ons lijden en ons kruis vormen de Voorwaarden' voor het verstaan en voor het kennen van God. Geen theologie van de heerlijkheid, de theologie van het kruis baant de weg voor de ware godskennis. De conditie van het christenleven wordt bepaald door de op deze manier totstandgekomen kennis van God. Luther keerde zich tegen de gladgepolijste theologie van de scholastieke meesters uit de Middeleeuwen en ook tegen die van zijn eigen tijd. In zijn ervaringen speelde de aanvechting een grote rol. Maar deze kwam tot rust bij het kruis van Christus.

Wie van Luther naar Calvijn gaat, bemerkt dat het klimaat zich enigszins gewijzigd heeft. In de gereformeerde theologie speelt het kruis eveneens een beslissende rol. Maar de klanken zijn anders geïntoneerd. Voor Bucer, evenzeer voor Calvijn, is het kruis een doorgangsfase naar de heerlijkheid. Daarmee is hun theologie nog geen theologie der heerlijkheid geworden, zoals men ten onrechte wel eens hoort zeggen. Evenals in het vierde Evangelie gesproken wordt over het kruis als punt van vernedering en van verhoging in één moment, zo is bij Bucer en bij Calvijn het kruis de plaats waar het koningschap van Christus werkelijkheid wordt.

Christus regeert niet slechts van het kruis. Hij heeft er ook overwonnen en onze overwinning is zeker in de Zijne.

Wie nu in dit licht en tegen deze achtergrond Calvijns uiteenzetting over het christelijke leven leest, bemerkt dat het kruisdragen, als onderdeel van de zelfverloochening, er wezenlijk bij behoort. Onze gelijkvormigheid aan Christus betekent dat wij met Hem lijden. Christus heeft voortdurend een kruis gedragen. Hij moest gehoorzaamheid leren uit hetgeen Hij geleden heeft (Hebr. 5:8). In Zijn lijden ligt de troost voor ons, onder het kruis. Ons lijden is met het Zijne eenvoudig niet te vergelijken. Wij hebben het nodig om onze zwakheid te leren kennen (Inst. III, 8, 2). Wij worden erdoor geoefend in geduld en vertrouwen, wanneer wij onder het kruis gewaar worden dat Gods trouw beproefde trouw is, die wij bij ervaring hebben leren kennen. Ons geloof wordt erdoor op de proef gesteld, en het blijkt dan ook in hoeverre het echt geloof is. Ons vlees wordt onder het kruis mede gedood. Wij ontvangen ook een bijzondere troost. Immers wanneer wij het leed gevoelen, wanneer het verdriet aan ons knaagt, dan wil Christus in ons verheerlijkt worden, Die immers in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.

Calvijn verwijst naar het kruisdragen van de christen, om duidelijk te maken dat zijn troost absoluut verschilt van die van de wijsgeren. Dezen zijn onkundig geweest van de verandering die de gelovige in zijn leven heeft leren kennen. De wijsgerige troost (Calvijn weet waarover hij spreekt) bestaat hierin dat men zegt: Een mens moet zijn verstand gebruiken en hij moet naar dat verstand luisteren.

"Maar de christelijke wijsbegeerte draagt het verstand op om zijn plaats af te staan en zich te onderwerpen aan de Heilige Geest en zijn juk op zich te nemen, opdat de mens voortaan niet zelf meer zal leven, maar Christus in zich laat leven en regeren (Gal. 2:20)" (Inst. III, 7, 1). Zo kan Calvijn dit onderdeel van zijn ethiek ook weer eindigen met een verwijzing naar het verschil tussen wijsgerig geduld en christelijke lijdzaamheid. Wij zeggen niet: een mens moet nu eenmaal toegeven, want het kan niet anders! Een christen heeft in dit alles zelfs weet van een geestelijke blijdschap, waardoor onze harten ontspannen worden naar de mate waarin zij onder het kruis samengeperst werden.

Zo komt er plaats voor dankzegging: "De lof van de Heere en de dankbaarheid jegens Hem kunnen slechts uit een vrolijk en blij hart voortkomen. En er is echter niets wat haar in ons zou moeten verstoren. En daarom blijkt het wel, hoe noodzakelijk het is om de bitterheid van het kruis te verzachten door geestelijke vreugde" (Inst. III, 8, 11). Indien wij met Hem lijden zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden. "Wij zijn slechts mede-erfgenamen van Christus, indien wij voor het aanvaarden van de erfenis Hem navolgen op dezelfde weg, waarop Hij is voorgegaan". Ook Luther sprak geen andere taal. Beide reformatoren lieten de Schriften spreken en zij ontleenden daaraan hun visie op het christelijke leven, getekend als het is door het dragen van het kruis achter Christus aan en in Zijn kracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 augustus 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's

De Institutie van Calvijn (15)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 augustus 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's