De Institutie van Calvijn (14)
In dit nummer het veertiende deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus-hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
Calvijn over geloof en bekering
Nadat Calvijn in zijn Institutie de betekenis van het geloof heeft uiteengezet gaat hij spreken over de bekering. Geloof en bekering horen volgens hem onlosmakelijk bijeen. Voor Calvijn ligt deze samenhang vast in de Heere Jezus Christus. Het geloof bezit Christus en door dit geloof genieten wij Zijn weldaden. Iedere uiteenzetting van het geloof zou haar kracht verliezen, wanneer wij de twee hoofdstukken van bekering en vergeving van de zonden zouden weglaten. De wijze van onderricht en ook de volgorde, waarvoor Calvijn nu weer opzettelijk aandacht vraagt, vereist volgens Calvijn dat er nu een begin gemaakt wordt met het bespreken van de bekering.
Er zijn een paar kwesties die in het onderzoek van Calvijns theologie telkens weer aan de orde komen. Men noemt daarbij dikwijls ook de volgorde waarin Calvijn de dingen aan de orde stelt. Het zou volgens menigeen voor de hand hebben gelegen, wanneer hij na de bespreking van het geloof de vrucht ervan, namelijk de rechtvaardiging, allereerst zou hebben behandeld. Dit strookt meer met een dogmatische opvatting van de orde van het heil, zo meent men. Nu gaat Calvijn echter eerst spreken over het geloof, vervolgens over de bekering, daarna over het christelijke leven en over de manier waarop een christen het kruis moet dragen en eerst daarna bespreekt hij de rechtvaardiging door het geloof. Was het niet op zijn plaats geweest, dat Calvijn direct de heerlijke vrucht van de vrijspraak van de zondaar zou hebben behandeld?
Wij mogen niet aannemen dat die kwestie aan Calvijn zelf zou zijn ontgaan. De opzet en de indeling van de Institutie in haar geheel zijn uitermate doordacht. En ook nu zegt Calvijn zelf, dat de 'wijze en de volgorde van het onderricht' deze gang van zaken vereist (Inst. III, 3, 1). Wat bracht hem daartoe?
Wij kunnen zeggen dat de inzet van Calvijns theologie geen andere opzet toelaat. Het is Hem te doen om de gemeenschap met Christus, of om het anders te zeggen om de band van het geloof met Hem. Het leven uit de Heere Jezus Christus. Calvijn geeft zich rekenschap van de noodzaak van déze volgorde: 'Het meest voor de hand liggend is voor ons de overgang van het geloof naar de bekering. Wanneer men dit hoofdstuk goed kent, dan zal des te beter duidelijk worden op welke manier een mens alleen door het geloof en uit pure genade gerechtvaardigd wordt, terwijl niettemin de werkelijke heiligheid van het leven, om zo te zeggen, niet gescheiden wordt van de genadige toerekening van de gerechtigheid'. Dit is daarom Calvijns motief: toerekening, geheel en al, maar in geen enkel opzicht zonder reële heiliging van het leven. Calvijn heeft door deze aanpak het argument dat in zijn dagen tegen de leer der genade werd ingebracht, willen ontzenuwen. De leer der genade, de belijdenis van het sola fide betekent in geen enkel opzicht een verzwakking van het leven in een ander, een nieuw leven. Het zedelijk karakter van de Reformatie kon op geen betere manier gehandhaafd worden. Déze leer maakt geen goddeloze en zorgeloze mensen. Geloof en bekering behoren in één adem genoemd te worden.
Berouw en bekering
Calvijn heeft dus op een ondubbelzinnige manier de samenhang tussen geloof en bekering tot uitdrukking willen brengen. Het opschrift boven het betreffende hoofdstuk luidt: "Wij worden door het geloof wedergeboren. Waarbij gesproken wordt over de boetvaardigheid" (III, 3, 1). Wij hebben ons nu eerst rekenschap te geven van het gebruik der woorden, die Calvijn hanteert. Wij doen dit, omdat er bij tijden een misverstand dreigt, dat samenhangt met de terminologie. Wij reserveren het begrip 'wedergeboorte' meestal voor de daad van Gods Geest, waardoor Hij zondaren van geestelijk dood geestelijk levend maakt. In die zin spreken ook de bekende Dordtse Leerregels over de wedergeboorte. Wij moeten eerst wedergeboren worden, anders kunnen wij niet geloven. Maar in de Nederlandse Geloofsbelijdenis functioneert het begrip in een ruimere zin, als aanduiding van de algehele geestelijke vernieuwing die een mens ondergaat, wanneer hij tot geloof komt. En zo is het ook bij Calvijn. Wie gelooft wordt een ander mens. Maar dit geloof is voor Calvijn niet minder dan voor de Dortdse vaderen, een geschenk van Gods Geest, een gave van boven. Wij kunnen op dit punt verwijzen naar zijn verklaring vanjohannes 1: 13. Het geloof is geen product van onze eigen natuur, het is de vrucht van een 'geestelijke wedergeboorte'. Niemand kan geloven dan degene die uit God geboren is.
Ik citeer nu een gedeelte van de tekst uit Calvijns commentaar op Johannes 1:13. "Het heeft er alles van dat de evangelist, averechts verkeerd, de wedergeboorte aan het geloof laat voorafgaan, terwijl dit immers veel meer een effect is van het geloof, dat er dus op volgt. Ik antwoord, dat beide zaken voortreffelijk samengaan, aangezien wij ook door het geloof een onvergankelijk zaad ontvangen, waardoor wij tot een nieuw en goddelijk leven herboren worden. En toch is het geloof zelf al een werk van de Heilige Geest, Die alleen in Gods kinderen woont. En daarom is het geloof, al naar gelang van een verschillend gezichtspunt, een onderdeel van onze wedergeboorte en tegelijk de ingang in het koninkrijk van God, zodat Hij ons tot Zijn kinderen rekent. Dat immers de Geest ons verstand verlicht, heeft al betrekking op onze vernieuwing. Op die wijze bezien, vloeit het geloof als uit een bron, uit de wedergeboorte voort".
Men ziet dat beide aspecten bij Calvijn te vinden zijn. Er is een geheel nieuwe geboorte noodzakelijk om ons tot geloof te brengen. Tegelijk is het ook waar, dat een geheel nieuw leven slechts tot stand kan komen, wanneer wij uit het geloof in Christus de kracht putten. Wij ontvangen Christus met hetzelfde geloof, waardoor Zijn Geest ons heiligt. Wanneer de Heere ons het geloof verleent wederbaart Hij ons op een verborgen wijze die ons onbekend is. Geloof en wedergeboorte: het is het begrippenpaar, dat bij elkaar behoort, evenals dat van de rechtvaardiging en de heiliging. Adoptie en nieuwheid van leven, toegerekende gerechtigheid en effectieve gerechtigheid: Calvijn spreekt altijd met twee woorden.
In verband daarmee staat de zuivering der begrippen die hij toepast, zodat de bijbelse inhoud weer helder naar voren komt. Ik doel op de begrippen van het doden van de oude mens en de levendmaking van de nieuwe mens. Beide vinden plaats in Christus. Zij betekenen voor Calvijn méér dan alleen de innerlijke droefheid, de verbreking van het hart en de verootmoediging die tekenen zijn van het oprechte berouw. En tegelijk ook méér dan de innerlijke vertroosting, die vrucht is van het geloof. Voor de Geneefse reformator kan men het berouw of de verootmoediging niet voldoende weergeven met behulp van het schema van de wettelijke en de evangelische boete. Daarmee heeft Calvijn afscheid genomen van een opvatting die binnen de rooms-katholieke wereld langzamerhand gegroeid was in verband met het instituut van de boetedoening. Er moet berouw zijn, er moet sprake van belijdenis zijn die geschiedt in de biechtstoel en er moet eveneens voldoening aangebracht worden. Calvijn gaat heel summier op deze oudere, aan de scholastiek ontleende opvattingen in, en hij haast zich om een omschrijving te geven van de boete en bekering, die veelomvattend is en ontleend aan de Schrift.
Bijbelse opvatting van de bekering
De omschrijving die Calvijn geeft en die hij in een aantal paragrafen toelicht (Inst. III, 3, 5-8), wil recht doen aan de betekenis van het geloof, zonder wat geen waarachtig berouw of bekering mogelijk is.
Poenitentia omvat de gehele bekering tot God. "Het is een ware ommekeer van ons leven naar God. Zij vloeit voort uit een oprechte en ernstige vrees voor God. En zij bestaat in de doding van ons vlees en van de oude mens en in een levendmaking van de Geest". Mensen die in hun eigen begeerten leefden, beginnen het Woord van God te gehoorzamen.
Ter toelichting op deze definitie voert Calvijn de volgende drie punten aan. Wanneer wij ons tot God bekeren, is het ons te doen om een radicale ommekeer. Zij bestaat niet alleen maar in uiterlijke werken. Bekering is een realiteit die zich afspeelt in de ziel van de mens. Wanneer daar het oude bestaan wordt afgelegd, in het innerlijk van de mens, dan eerst komen er de vruchten. Zij openbaren zich in de werken die in overeenstemming zijn met de vernieuwing. Deze verwijzing naar een innerlijke vernieuwing doet recht aan het begrip dat in het Nieuwe Testament gebruikt wordt. Een nieuwe manier van denken en zijn, een wezenlijke omkeer in het centrum van ons bestaan is er mee bedoeld. Daarbij gaat het niet meer in eerste instantie om uiterlijke ceremoniën. Daarvan is dan vooreerst geen sprake meer (Inst. III, 3, 6).
Een tweede aspect ligt voor Calvijn in datgene wat in het Oude Testament genoemd wordt: de vreze des Heeren. Deze ontstaat, waar wij ons geplaatst weten voor Gods rechterstoel. Dit tribunaal betekent het oordeel van God, dat over de zondaar gaat. Wie zich daarvoor geplaatst weet leert de droefheid kennen, die naar God is. Deze heeft niet alleen te maken met de vrees voor straf. Zij gaat samen met het haten en vlieden van de zonde. Deze vrees voor God bewerkt een innerlijke verbrokenheid.
Het derde kenmerk, dat van wezenlijk belang is voor Calvijn bestaat in het doden van het vlees en in de levendmaking van de geest. Het vlees is vijandschap tegen God. Daarom moet het gedood worden. Slechts zo komt het tot de "nieuwheid van leven", die behoort bij het wezen van de ware bekering. En het geheim van beide ligt voor Calvijn in de gemeenschap met Christus. Deelgenootschap (participatie) aan Zijn dood en aan Zijn opstanding. Wij beluisteren hier dezelfde klanken waarvan heel Calvijns theologie doortrokken is. Geloof en bekering drijven tot Christus uit.
Maar zij komen tegelijk uit Christus voort. De Geest is de Geest van het geloof Hij is de Geest van de ongedeelde Christus en derhalve tegelijk de Geest van de heiligmaking. Wij zullen het thema telkens weer ontmoeten, vooral nu het gaat om de vraag, hoe wij deel krijgen aan het heil. Bekering is noodzakelijk. Zij vloeit voort uit het volbrachte werk van Christus en zij wordt ons deel in de gemeenschap met Hem.
Proces der bekering
Uit Calvijns verhandeling over de bekering worden ons een aantal zaken duidelijk, dat wij kunnen zien als kenmerkend voor zijn theologie als zodanig. Er komt een zeker nuanceverschil in uit, wanneer wij haar vergelijken met de presentatie die wij bij Luther aantreffen. Daar valt de volle nadruk op de rechtvaardiging, het éne geloofsartikel, waaraan alle troost voor een bestreden ziel kan worden ontleend. Bij Calvijn is er meer oog voor het tweede aspect, dat nauw samenhangt met het centrale gegeven van de gemeenschap met Christus. Hij heeft volledig oog en ook zeker een hart voor de vragen die zich in de ziel kunnen voordoen: is mijn berouw wel oprecht? Is de verbrokenheid van mijn hart wel diep genoeg? Calvijns spreken over deze dingen verraadt dat hij als weinig anderen thuis was in de vragen die op een heel persoonlijker manier cirkelen om de kwestie van de heilstoe-eigening. Ook weet hij, zoals uit deze behandeling blijkt, te onderscheiden tussen wat de wet doet en wat alleen het Evangelie kan. Maar de volle aandacht wijdt hij aan de betekenis van het geloof als band aan de levende Christus. Zowel de doding van de oude mens als de levendmaking door de Geest "vallen ons te beurt uit het deelgenootschap aan Christus" (Inst. II, 3, 9).
Deze geestelijke vernieuwing bestaat uit een voortdurende, soms zelfs langzame voortgang. Zij komt niet tot stand in één ogenblik, op één dag, of binnen één jaar. De oefening duurt het gehele leven. Deze krijgsdienst wordt niet eerder beëindigd dan in de dood. De oorzaak van deze permanente en intensieve strijd ligt voor Calvijn vooral in de diepe opvatting van de zonde als innerlijke, godevijandige macht. Zij blijkt uit de kracht van het vlees. Zij heeft voortdurend te maken met de aanvallen van de duivel zelf, die zich kan opstellen als een engel van het licht. Sterker dan Augustinus geldt voor Calvijn dat de begeerlijkheid op zichzelf als zonde moet worden aangemerkt. De oudchristelijke kerkvader durfde de begeerlijkheid geen zonde te noemen. Het was voor hem een ziekte, die overbleef maar die niet altijd in concrete zonden behoefde uit te breken. Calvijn gaat een stap verder. "Wij houden juist dat voor zonde, dat de mens door de een of andere begeerte tegen de wet van God in, geprikkeld wordt. Ja, wij beweren, dat de verdorvenheid zelf, die dergelijke begeerten in ons voortbrengt, zonde is". Niet eerder dan wanneer een mens zijn sterfelijke lichaam aflegt, zal de heerschappij van de zonde worden afgelegd (Inst. III, 3, 10).
De zonde zal over u niet heersen
Calvijn wil duidelijk maken dat de zonde een werkelijke macht is in het leven van de gelovige. Tegelijk toont hij aan dat de heerschappij van de zonde door de vernieuwende genade van Christus in feite ten einde is. Hij wijst terecht de opvatting van de Dopers af. Zij leerden, dat een kind van God hersteld zou zijn in de staat van onschuld, gelijk aan die van Adam in het paradijs. Zij maakten op die grond ook geen ernst met het bestrijden van de vleselijke begeerten, maar leefden zoals hun hart het hun ingaf (Inst. III, 3, 14). Dit waanidee wijst Calvijn resoluut van de hand:
"Wat voor een Christus maken zij ons en wat voor een Geest spugen zij uit?" (Inst. III, 3, 14). Op geen enkele manier kan Calvijn hun gedachten volgen, alsof een christen maar zou kunnen leven naar het goeddunken van eigen hart.
Anderzijds heeft Calvijn oog voor de menselijkheid van het schepsel Gods. Wat is een mens zonder begeerten? Het is maar de vraag op welke manier die gereguleerd worden. God is de Auteur van de natuur. De aard of natuur die God als Schepper in Zijn schepsel heeft gelegd kan er niet uit gerukt worden, zonder de humaniteit zelf weg te nemen (Inst. III, 3, 12). Ware menselijkheid kan alleen maar tot stand komen waar de onmatigheid, en de verdorven krachten worden weggenomen. In het algemeen gesproken gebeurt dit waar de vruchten van de boetvaardigheid of bekering blijken. Deze bestaan in de plichten van de vroomheid jegens God en in de vervulling van de taken der liefde jegens de naaste. Kortom in de algehele heiligheid en zuiverheidving verdiend zou kunnen worden.
Het omgekeerde is waar: de Heere heeft besloten om aan mensen barmhartigheid te bewijzen met geen ander doel dan opdat zij zich zouden bekeren (Inst. III, 3, 20). Zo gaat inderdaad Gods genade vooraf, en wel in alle opzichten. Zijn barmhartigheid gaf Zijn Zoon. Zijn Zoon verwierf volkomen verzoening tussen God en mens. Hij verwierf de levendmakende Geest, die ons doet delen in de gemeenschap met Christus, in Wie de grond van de vergeving te vinden is. En daar is tegelijk de fontein van een geheiligd leven in oprechtheid voor Gods aangezicht. Berouw is een gave Gods. Belijdenis stelt ons voor Zijn aangezicht. En voldoening is er in het verzoenende werk van Christus. Zo is bekering vrucht van het geloof, dat ons wederbaart tot een nieuwheid van leven, waarbij de macht van het vlees van dag tot dag wordt overwonnen, totdat eindelijk de volkomen verlossing ons deel zal zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
