In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De Institutie van Calvijn (13)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Institutie van Calvijn (13)

13 minuten leestijd

In dit nummer het dertiende deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus-hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.

Calvijn over het geloof

In de Institutie van 1536 heeft Calvijn een korte omschrijving gegeven van het geloof. Zij gaat vooraf aan de uitleg van de twaalf artikelen. Zo komen geloofsdaad en geloofsinhoud wel heel dicht bij elkaar te liggen. Het geloof waarmee wij geloven is nimmer los te maken van het geloof dat wij geloven. Dit betekent echter niet dat deze twee vormen van geloof samenvallen.

Calvijn onderscheidt in 1536 duidelijk twee 'vormen van geloof . De eerste vorm gaat er vanuit dat er een God bestaat en ook dat de geschiedenis die omtrent Christus verteld wordt, waar is. Deze algemene vorm van geloof verdient echter in geen enkel opzicht de naam van geloof. Ook de duivelen hebben dit geloof en het heeft geen nut. Integendeel, een gevolg is dat ze nog meer verschrikken en sidderen en in nog groter angst geraken. De tweede vorm waarin men over geloof kan spreken is wezenlijk verschillend van de eerste. Wij geloven niet alleen dat God en Christus er zijn. Wij erkennen Hem ook als onze God en Christus als onze Zaligmaker. Wij houden niet alleen voor waar wat er over God en Christus gezegd wordt. Wij vestigen ook onze hoop op God alleen, doordat wij vast vertrouwen dat ons gegeven zal worden hetgeen wij naar ziel en lichaam nodig hebben. Wij koesteren geen twijfel, of Christus zal werkelijk voor ons Jezus zijn, dit wil zeggen:

Zaligmaker. Vergeving, heiliging en zaligheid ontvangen wij door Hem. Het christelijk geloof vindt dus zijn centrum in het heil. Het stelt een gelovige in bezit van de zaligheid en dit is de hoofdzaak van wat ons in de Schrift wordt voorgehouden. Calvijns kijk op de Schrift is daarmee bepaald. De Bijbel is er niet om allerlei wetenswaardigheden op te doen. Zij is er ter wille van de verlossing van mensen door Christus.

Voorwerp en doel van het geloof is derhalve het Woord van God. Het is het fundament waardoor het geloof bevestigd en gesteund wordt. Zonder het Woord bestaat er geen geloof en kan het ook niet bestaan. Calvijn geeft vervolgens een eenvoudige definitie van het ware geloof, dat eerst recht een christelijk geloof kan worden genoemd. Het is 'niet anders, dan een krachtige overtuiging van het hart, waardoor wij bij onszelf vaststellen, dat de waarheid van God zo zeker is, dat het onmogelijk is dat Hij niet zou uitvoeren wat Hij in Zijn heilig Woord op zich genomen heeft'. Calvijn leunt in zijn verklaring van het geloof in 1536 sterk aan tegen Luther, die immers ook kon zeggen dat het dit geloof is, dat God in het eerste gebod van ons eist. Ook ontleent hij gedachten aan Bucer, die in zijn commentaar op de evangeliën een soortgelijk geloofsbegrip hanteerde. Geloof is vertrouwen op God, overtuiging van Zijn Vaderschap, leven uit de goedheid Gods in vreze en heiliging.

Calvijn heeft aan het eind van zijn verklaring van de geloofsbelijdenis de verhouding van geloof, hoop en liefde besproken. Een levend geloof behelst een hartelijk vertrouwen op God en het wordt vergezeld van hoop en liefde. Wanneer het geloof God geheel en al vertrouwt volgen de hoop en de liefde als vanzelf. Het geloof is een vast vertrouwen omtrent de waarheid van God. De hoop is de verwachting van hetgeen God beloofd heeft.

Het geloof gelooft de waarachtigheid van God, de hoop verwacht dat Hij Zijn waarheid ter gelegener tijd zal openbaren. Het geloof vindt in Christus ook de liefde, als een gave en vrucht van de Heilige Geest. En in het leven van de gelovige (een leven in heiligmaking), weerspiegelt zich de kracht van de liefde van God en tot God. Men ziet dat het geloofsbegrip bij Calvijn geen abstractie is. Het totale christelijke leven komt er in mee, zonder dat het gesystematiseerd wordt. Het geloof is een diepe existentiële levenswerkelijkheid, die ons bindt aan God en Christus in Zijn Woord.

Geloof als band aan Christus Zelf

Wie de gerijpte visie van Calvijn op het wezen en de werkzaamheid van het geloof wil leren kennen, moet de eerste druk van de Institutie vergelijken met de laatste uitgave van 1559. Er is, zo merken wij op, geen wezenlijk verschil waar te nemen. De essentie van Calvijns beschouwing is gelijk gebleven. Wat wél verschilt is de nauwkeurigheid, waarmee Calvijn stap voor stap tot een heldere omschrijving komt, waaruit blijkt dat hem de zaak van het geloof bijzonder dierbaar was. Ook laat hij het niet bij een duidelijke definitie. De verschillende elementen belicht hij daarna in een zorgvuldige uiteenzetting. Zo blijkt dit hoofdstuk uit zijn leerboek een bijzondere bijdrage te vormen tot een klaar inzicht in de reformatorische beschouwing. Was in de eerste druk de invloed van Bucer en Luther merkbaar, deze is nu niet verdwenen. Zij staat nog steeds op de achtergrond, maar wat Calvijn biedt is kenmerkend voor heel zijn werk: openheid, duidelijkheid, een zekere beknoptheid die in dienst staat van het eerste.

Kenmerkend voor Calvijn is de grote nadruk op de belijdenis van de Christus. Zijn werk is volbracht. Hij heeft verzoening tot stand gebracht. Dat is een historisch feit, dat diep verankerd ligt in de eeuwige raad van God. Dit historische feit echter krijgt zijn effectiviteit in de geschiedenis, door het toepassende, verborgen werk van de Heilige Geest. Verwerving en toepassing zijn de twee facetten van het werk van Christus. Opmerkelijk is nu de wijze waarop Calvijn die twee aan elkaar weet te verbinden door het werk van de Heilige Geest. De genade wordt ons deel, doordat wij met Christus Zelfverbonden worden. Hier staan wij voor een van de meest centrale gedachten uit Calvijns theologie, die ook in de gereformeerde theologie altijd weer naar voren komt. De gemeenschap met Christus Zelf vormt het geheim van de toe-eigening van het heil. Door het verborgen werk van de Heilige Geest komt hetgeen Christus verworven heeft ons ten goede (Inst. III, 1,1). Alles wat Christus gedaan heeft, heel Zijn lijden en sterven zou nutteloos zijn en voor ons geen enkele waarde hebben, zolang Christus buiten ons is en wij van Hem gescheiden zijn. Christus staat niet alleen buiten ons. 'Hij moet de onze worden, Hij moet in ons wonen om ons mee te delen wat Hij van de Vader heeft ontvangen'.

Calvijn aarzelt niet om te spreken van een unio mystica, een verborgen gemeenschap met Christus. Daarmee is een element aangereikt, dat hem verbindt met de voor-reformatorische mystiek, zoals deze in de middeleeuwen bij voorbeeld bij Bernard van Clairvaux te vinden was. Dat Calvijn spreekt over de verborgen werkzaamheid, of verborgen besprenging met het bloed van Christus, betekent dat de wijze van onze verbintenis met Christus een diep geheim is en blijft. Het heeft alles van een relatie die in het huwelijk bestaat tussen man en vrouw: een geheimenis dat ziet op de verhouding tussen Christus en de gemeente. Ook bij Luther en Bucer treft ons deze verwijzing. Zij wordt echter bij Calvijn uitgewerkt tot in de finesses. Dit geschiedt in zijn uiteenzetting van het geloof. De Geest is de band met Christus. Dat betekent tegelijkertijd niets anders dan dat het geloof de innige betrekking tussen Christus en ons is. De gedachte bij dit alles is, dat wij aan de weldaden van Christus part noch deel hebben, wanneer wij geen deel hebben aan Christus Zelf. In een geschrift uit 1556 (Secunda defensio contra Westphalum, CO 9,88), lezen wij:

"Wanneer het over de genadeweldaden van God gaat, pleeg ik altijd met Christus te beginnen en terecht. Wij moeten immers van alle genaden waarvan Hij de volheid in Zichzelf bevat, beroofd en verstoken blijven, totdat Hij de onze wordt." Wij hebben geen deel aan de weldaden van Christus los van de gemeenschap met de persoon van Christus'. De mystieke unie met Christus is echter ten volle een geloofsverbintenis. Calvijns mystiek is geloofsmystiek, gevoed door het Woord van God.

Geloof als kennis en vertrouwen

Calvijn heeft bij zijn toelichting op zijn geloofsopvatting zich duidelijk gedistantieerd van de zienswijzen die binnen de rooms-katholieke scholastieke theologie opgeld deden. Deze komen nu niet uitvoerig ter sprake. Geloof bestaat in kennis en het is derhalve iets anders dan het blinde vertrouwen op een kerkleer. Calvijn had diep respect voor de kerk.

Lange tijd weerhield deze eerbied hem, om tot de Reformatie over te gaan. In de Institutie schrijft hij nu echter, dat geloof iets anders is dan reverentie voor de kerk (Inst. III, 2, 3). Wellicht kan deze helpen als een soort voorbereiding van het geloof. Maar als het er op aan komt, dan reikt deze eerbied niet tot op de hoogte van het persoonlijk geloof.

Ook andere zienswijzen die in de scholastieke theologie ter zake van het geloof aan de orde waren, wees Calvijn af. Het gaat hem om de kennis van Christus: "En dit is derhalve de ware kennis van Christus, wanneer wij Hem aanvaarden zoals Hij door de Vader wordt aangeboden, namelijk bekleed met Zijn Evangelie (Inst. III, 2, 6). Deze fraaie omschrijving hanteerde Calvijn eerder (Inst. II, 9, 3), toen hij sprak over de beloften van het Evangelie, die wat het wezen aangaat overeenstemmen met de beloften aan de vaderen gedaan. Zij komen tot ons op de manier van de verzegeling met de Geest der belofte. "En wij genieten Christus op geen andere wijze, dan voor zover wij Hem omhelzen, bekleed als Hij is met Zijn beloften." Het geloof steunt op de belofte, die soms door Calvijn een 'naakte belofte' wordt genoemd, maar die ook dan slechts waarde heeft omdat Christus Zelf op die manier tot ons komt, gehuld in en bekleed met de belofte van het Evangelie. "Inderdaad: daar worden voor ons de schatten der genade geopend. Wanneer die gesloten blijven zal Christus ons van weinig nut zijn."

Er is derhalve een vaste en sterke relatie tussen Christus en de Zijnen. Die komt tot stand door het geloof in het Woord, waarvan het geloof net zomin is los te denken als de stralen van de zon. "Neem derhalve het Woord weg, en er blijft geen geloof over."

In het Woord gaat het om de kennis van God: niet dat Hij er is, maar hoe Hij is, staat daarbij centraal. "Want in het geloofsbegrip gaat het maar niet om dit éne, dat wij weten dat er een God is, maar wel voornamelijk hierom, dat wij verstaan wat Hij met betrekking tot ons wil. Want het komt er voor ons maar niet op aan dat wij weten wie Hij in Zichzelf is, maar hoe Hij voor ons wil zijn.

Daarom kunnen wij nu al zeggen dat het geloof de kennis is van Gods wil jegens ons, een kennis die wij uit Zijn Woord ontvangen." (Inst. II, 2, 6). Calvijn gaat vervolgens een stap verder door op te merken dat het ook nu niet alleen gaat om de kennis van Gods wil zonder meer, doch om de kennis van Zijn heilswil, of Zijn welwillendheid jegens ons. Die kennis komt niet op uit de mens zelf. Zij is een kwestie van verlichting van het verstand en tevens van bevestiging aan het hart.

Belangrijk is dat die twee in één adem genoemd worden: verstand en hart. Wie ze van elkaar scheidt belandt onherroepelijk in een steile orthodoxie, zonder belangstelling voor het gevoel. Of hij komt terecht in de ijdele sfeer van gevoelsmatige mystiek, niet gereguleerd door het Woord Gods. Verstand en hart behoren bijeen te blijven en zij doen dat ook in de definitie die Calvijn geeft van het geloof. Deze is helder en klaar en luidt als volgt: "Nu zijn wij in staat om een juiste definitie van het geloof te geven, wanneer wij zeggen dat het een vaste en zekere kennis is van Gods welwillendheid jegens ons, die gegrond is op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus en die door de Heilige Geest zowel aan ons verstand wordt geopenbaard als aan ons hart verzegeld." (Inst. III, 2, 7). Wij herkennen in de omschrijving van Zondag 7 uit de Heidelbergse Catechismus de tweeslag: kennis en vertrouwen. Een stellig weten van alles wat God geopenbaard heeft en tegelijk een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door middel van het Evangelie in het hart werkt. Stap voor stap kwam Calvijn tot deze omschrijving. Het werk van Christus is volbracht. Nu wordt Christus door het Evangelie aangeboden. Zonder band aan Hem is er geen heil. De Geest is de band. En het geloof is de band. Het rust op het Woord van het Evangelie. Het bestaat uit kennis die berust op openbaring. Het wordt tegelijk gevormd door het vertrouwen, dat berust op de verzegeling door de Heilige Geest. In het vervolg van het belangrijke hoofdstuk heeft de reformator dit geloofsbegrip toegelicht. Wij gaan daaraan nu voorbij, omdat in de geboden omschrijving van Calvijns hand alle elementen aanwezig zijn, die voor de geloofsoefening van betekenis zijn. En daarover sprak Calvijn uitvoerig.

Geloofsoefening bij geloofsaanvechting en strijd

Calvijn spreekt over een drietal factoren die voor de zekerheid van het geloof van beslissende betekenis zijn. De eerste is een openbaring van de Geest aan het verstand. De tweede is een verzegeling door de Geest aan het hart. Deze twee echter komen samen in de absoluut betrouwbare beloften van God. Deze beloften van goddelijke barmhartigheid zijn niet slechts 'buiten ons' waar. Integendeel, zij ontvangen ook een zekerheid in ons: "Veeleer aanvaarden wij ze in ons binnenste en wij maken ze tot de onze." (Inst. III, 2, 16). Daar, in ons binnenste ontstaat dan het vertrouwen, dat wij vrede noemen. Zekerheid en vrede kenmerken dus het geloof.

Maar is er geen andere ervaring, die dit schijnt te weerspreken? De gelovigen ervaren iets totaal verschillends, geen zekerheid, maar onrust en schrik die met de zekerheid van het geloof niet schijnen te stroken. In hun geweten heerst geen onbestreden rust. Voorbeeld voor Calvijn is David, die in menige psalm zijn klachten uit (Inst. II, 2, 17). Hoe bestaat het, dat in één en hetzelfde hart op één en hetzelfde moment schrik en vast geloof plaats kunnen hebben? (Inst. III, 2, 23). Ook in zijn verklaring van de psalmen lezen we dergelijke vragen: "Het heeft er alles van dat vrees en hoop te zeer tegenstrijdige gevoelens zijn, dan dat zij in één en hetzelfde hart kunnen wonen, maar de ervaring toont aan dat in waarheid de hoop regeert waar de vrees een deel van het hart bezet houdt" (Ps. 56: 4). Calvijn grijpt niet boven de werkelijkheid van het leven uit. Hij heeft er bij ondervinding kennis van. Toch overwint het geloof, omdat het een geloof is in de belofte van Christus, ja meer nog, omdat Christus Zelf in die belofte tot de aangevochten mens komt. "En derhalve verwachten wij van Hem ons heil, niet omdat Hij als uit de verte ons verschijnt, maar omdat Hij ons, in Zijn lichaam ingeënt, niet alleen aan al Zijn goederen deel doet hebben, maar ook aan Hem Zelf." (Inst. III, 2, 24). "Zo is het inderdaad. Het gaat niet aan om Christus van ons te scheiden of ons van Hem. Maar met beide handen moeten wij krachtig vasthouden aan de gemeenschap waardoor Hij Zich met ons heeft verbonden." (Inst. III, 2, 24). Zo vindt het bestreden geloof rust, niet in de kwaliteit of intensiviteit van het geloof zelf, maar in de goddelijke vastheid die het ontvangt in de Heere Jezus Christus Zelf, in Zijn persoon en in de gemeenschap met Hem. Het bestreden geloof vindt rust. Slechts rust, in Hem die de waarborg is voor de betrouwbaarheid van al Gods beloften, ja en amen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's

De Institutie van Calvijn (13)

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's