De Institutie van Calvijn (12)
In dit nummer het twaalfde deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
Calvijn over de verzoening
Reeds in de eerste uitgave van de Institutie heeft Calvijn in het kort gewezen op de betekenis van het lijden en sterven van de Heere Jezus. Hij verbond de gedachte van de verzoening op een directe manier met de belijdenis van de persoon van Christus, God en mens. De vleeswording van het Woord betekende dat God ons in Christus zeer nabij is gekomen, zozeer dat wij Hem zouden kunnen aanraken. Wanneer Hij niet zodanig het onze had aangenomen dat Hij het Zijne op ons overbracht en hetgeen Hij van nature bezat tot het onze maakte door genade, dan had Hij nooit uit mensenkinderen kinderen van God kunnen maken. De menswording stond in het teken van de komende verzoening. Hij moest zo de dood kunnen vernietigen. De mens had zichzelf door zijn ongehoorzaamheid in het verderf gestort. Door Zijn gehoorzaamheid heeft Christus het verderf opgeheven. Hij heeft door Zijn gerechtigheid aan God genoegdoening gegeven en de straf van de zonde gedragen. "Daarom is onze Heere als waarachtig mens verschenen. Hij bekleedde zich met de persoon van Adam, nam diens naam aan, opdat Hij aan de Vader in zijn plaats gehoorzaamheid zou betonen, om ons vlees ter voldoening aan de gerechtigheid van God aan te bieden, opdat Hij in ons vlees der straf van de zonde zou betalen. En daarom, wie Christus berooft, hetzij van Zijn godheid, hetzij van Zijn mensheid, belastert of Zijn majesteit, of hij verduistert Zijn goedheid. Niet minder echter brengt hij ons geloof aan het wankelen. Hij keert het ondersteboven. En het kan niet anders dan alleen op dit fundament blijven staan. Het Woord is derhalve vlees geworden."
Vleeswording en verzoening zijn beide op elkaar betrokken. De eerste staat niet op zichzelf. Er is ook geen spoor te vinden bij Calvijn van de idee dat Christus evengoed mens had kunnen worden, wanneer Adam staande was gebleven, een idee die in Calvijns dagen reeds opgeld deed en die in de tijden van de optimistische Verlichting werd gebruikt, om de verhevenheid van het humanum aan te geven. Calvijns belijdenis van de vleeswording wordt reeds gekenmerkt door de begrippen van verzoening, plaatsbekleding, voldoening. De verlossing is een zaak van de persoon van Christus, die voldoet aan de eis van Gods gerechtigheid. In de geschiedenis van kerk en theologie blijkt de eeuwen door de samenhang van persoon en werk. Wie de verzoening door voldoening loslaat, raakt op een directe manier ook aan de leer van de twee naturen van Christus. En daarmee is ons geloof aan het wankelen gebracht.
Christus is, ofschoon Hij God is en blijft, als een sterfelijk mens geboren. Door Zijn bloed, als een prijs der verlossing, heeft Hij ons bevrijd van het hoogste gericht. Het zijn de volgende woorden die ons doen denken aan de uitleg van de Heidelbergse Catechismus: "Hij heeft onder Pontius Pilatus geleden, door het vonnis van de rechter veroordeeld als een schuldige en boosdoener, opdat wij in het gericht van de hoogste Rechter door Zijn veroordeling zouden worden vrijgesproken". Onze vloek heeft Hij gedragen, onze dood is Hij gestorven. Hij heeft de verschrikkelijke strengheid van het goddelijke oordeel gevoeld, opdat Hij in onze plaats aan Gods gerechtigheid zou voldoen. Calvijn betrekt dit goddelijke oordeel met al zijn angsten en benauwdheden op de belijdenis dat Christus is neergedaald ter helle.
Opmerkelijk is het, dat Calvijn in dit verband opmerkt dat wij dit alles niet mogen opvatten alsof de Vader ooit op Hem vertoornd is geweest. "Hoe zou Hij immers vertoornd kunnen worden op Zijn geliefde Zoon, in Wie Zijn welbehagen is? Of hoe zou Hij de Vader door Zijn borgstelling hebben kunnen verzoenen, wanneer Hij Hem tot vijand zou hebben gehad?" Men vraagt zich onwillekeurig af wat dan de aard is geweest van de toorn van God jegens Zijn Zoon. Door Gods hand is Hij terneergeslagen en doorboord. Hij heeft alle tekenen van de vertoornde en straffende God gedragen. Maar die betrof niet Zijn persoon, doch de last van onze zonden, die op Hem waren en die Hem zozeer neer drukten, dat Hem de angsten der hel niet bespaard bleven. Intussen is de Vader nooit op Hemzelf vertoornd geweest. Hoe zou Hij kunnen, daar Jezus Zijn veelgeliefde Zoon was? Men proeft dat Calvijn de Middelaar Christus ziet als de Gezondene van de Vader Zelf.
Verzoening, geen verandering
De Vader en de Zoon, beide zijn Zij op het punt van de verlossing geheel eenstemmig. Calvijn legt daarop een sterke nadruk. De verzoening in Christus betekent niet dat God door het offer tot andere gedachten, tot andere gevoelens jegens de mens is gekomen. Men gebruikt soms een term, die in die richting zou kunnen wijzen. God was vertoornd. Maar Zijn toorn is gestild en nu is Hij veranderd van een vertoornd Rechter in een goeddoend Vader. Calvijn probeert duidelijk te maken, dat de Bijbel op die manier niet spreekt. In de Institutie (II, 16, 2) werpt hij de vraag op hoe het met elkaar te rijmen is dat God Die ons met Zijn barmhartigheid voorkomt onze vijand kan zijn, totdat wij in Christus met Hem verzoend zijn. God is de allereerste in het openbaren van Zijn genade. Die gaat aan alles vooraf: eeuwige barmhartigheid is het die ons opzoekt in onze ellende. God geeft ons als een pand van Zijn liefde Zijn eniggeboren Zoon. Dit zou Hij nimmer gedaan hebben, wanneer Hij ons niet reeds te voren met Zijn onverdiende gunst had omhelsd. Inderdaad: eeuwige liefde is het, die ons in Christus betoond wordt. Dat is ook constante, onveranderlijke liefde, waarin voor enige wijziging, verandering, of 'Umstimmung geen enkele plaats is.
Voor Calvijn is het een "schijn van tegenstrijdigheid" die zich aan ons voordoet, een knoop die ontward moet worden. Hij tracht dit te doen, door de ernstige uitspraken van de Schrift te noemen: "Op deze wijze ongeveer spreekt de Geest in de Schrift, dat God de mensen vijandig geweest is, totdat zij door Christus' dood in genade hersteld zijn; dat zij vervloekt waren, totdat hun ongerechtigheid door Zijn offerande is verzoend; dat zij van God vervreemd waren, totdat zij door het lichaam van Zijn vlees in Zijn gemeenschap werden opgenomen". Hier is sprake van vervreemding, vloek en vijandschap.
Kan men die woorden ooit ernstig genoeg nemen? Calvijn doet aan die ernst niets af. Maar hij verwijst naar de wijze van spreken, die aan ons begrip is aangepast, "opdat wij des te beter zouden begrijpen, hoe ellendig en rampzalig onze toestand buiten Christus is". Er is geen sprake van een oppervlakkige benadering van de toestand waarin een zondaar buiten Christus verkeert. Integendeel. Calvijn wijst er op, dat de wijze waarop de Schrift spreekt over onze verlorenheid buiten Christus, ons tot echte verootmoediging wil brengen. Wie hoort wat de Schrift leert, namelijk dat hij door de zonde van God vervreemd is geweest, een erfgenaam van de toorn, onderworpen aan de vloek van de eeuwige dood, zonder enige hoop op de zaligheid, slaaf van satan, gevangen onder het juk van de zonde; en wie dan hoort van het tussenbeide komen van Christus, van de straf die op Hem was, en van de voldoening die Hij gegeven heeft, dié zondaar zal des te meer bewogen worden om zich levendig voor ogen te stellen, uit wat voor rampzaligheid hij weggerukt is.
"Kortom, omdat ons hart het leven in Gods barmhartigheid niet begerig genoeg kan aangrijpen en ook niet met passende dankbaarheid kan ontvangen, tenzij het eerst door vrees voor de toorn van God en door schrik voor de eeuwige dood getroffen en neergeworpen is, daarom worden wij door de heilige leer onderwezen, opdat wij gewaar zouden worden dat God voor ons zonder Christus in zekere zin bedreigend is en dat Zijn hand tot ons verderf gewapend is en dat wij Zijn goedertierenheid en vaderlijke liefde alleen maar in Christus kunnen omhelzen".
In zekere zin…
In zekere zin bedreigend:
Calvijn gebruikt een uitdrukking die wij dikwijls (in de Institutie 85 maal!) bij hem aantreffen: "in zekere zin", (quodammodo). Men voelt dat hij tracht vergelijkenderwijs te spreken, rekening houdend met het spreken van de Schrift zelf, die immers zich voegt naar ons begrip en vermogen om te verstaan. Calvijn gaat tastend naar het grote geheim van de verzoening te werk. Hij spreekt niet op de spitsvondige en bespiegelende manier, waarmee middeleeuwse theologen hun betoog sluitend probeerden te maken. Dit betekent echter niet dat dit zou inhouden, dat er een verkeerd beeld van Gods toorn zou ontstaan.
"Ofschoon dit gezegd wordt naar de zwakheid van ons begrip, het is niet ten onrechte gezegd" (II, 16, 3). Gods toorn is werkelijkheid, maar dan een realiteit die "in zekere zin" alle ruimte laat voor de eeuwige liefde van God. Wij voelen aan, dat in Calvijns gedachten de rijkdom van Gods eeuwige verkiezing in Christus reeds overal meeklinkt. Zij is permanent in de geest van Calvijn present. Niettemin verduistert deze presentie der eeuwige liefde op geen enkele manier de openheid van het Evangelie der verzoening, dat immers het grote middel is, waardoor de liefde zich openbaart in het leven van de zondaar en waardoor tegelijk de eeuwigheidsernst van het oordeel, waaraan de gelovige ontkomen is, zich aftekent.
Calvijn verwijst naar de hoogste gerechtigheid die er in God is. Hij kan onmogelijk de ongerechtigheid die Hij in ons allen waarneemt, beminnen. Wij hebben allen iets in ons wat God haat en wat Zijn haat ook verdient. Daarom zijn wij allen schuldig voor Zijn ogen, gezien onze verdorven natuur en met het oog op de daaruit voortkomende verdorven levenshouding. Maar de Heere wil het Zijne, wat Hij in ons aantreft niet verderven en zo vindt Hij nog iets wat Hij naar Zijn goedertierenheid bemint. Wij blijven schepselen van God en God had ons tot het leven geschapen. Derhalve is er sprake van liefde. Gaan we verder, dan ontdekken we dat die liefde aan alles vooraf is gegaan. "Daarom komt God de Vader met Zijn liefde, vóór onze verzoening in Christus, ja zelfs, omdat Hij ons eerst bemint, verzoent Hij ons daarna met Zich".
Dat Calvijn de volle nadruk legt op de verdienste van Christus en op de eeuwige liefde die alleen in Hem is geopenbaard, blijkt uit het volgende citaat: "Maar omdat in ons de ongerechtigheid blijft die ons Gods verbolgenheid waardig maakt en die voor Zijn aangezicht vervloekt en veroordeeld is, net zo lang totdat Christus ons te hulp komt, daarom hebben wij niet eerder een volkomen en vaste gemeenschap met God dan wanneer Christus ons met Hem verenigt. En derhalve, wanneer wij de vaste zekerheid willen hebben dat wij met God verzoend zijn en in Hem een genadige God hebben, dan komt het er op aan oog en hart uitsluitend op Christus te richten. Want werkelijk, door Hem alleen verkrijgen wij dat onze zonden ons niet worden toegerekend, terwijl de toerekening ervan de toorn van God met zich meebrengt". Verzoening door het werk van Christus, omdat Hij als God en mens de straf gedragen heeft die ons de vrede aanbrengt. We staan hier bij het hart van de Reformatie, altijd aangevochten, permanent bedreigd door een denken in termen van menselijke verdienste en waardigheid. Daaraan maakte Rome zich schuldig. Maar wie dit zegt, zal spoedig ontdekken, hoezeer ieder mensenhart nodig heeft om naar dit geheim der genade heengeleid te worden.
Verkondigde verzoening
Het geheim van de verzoening blijkt bij Calvijn samen te hangen met het geheim van de persoon van Christus: God en mens. Het vloeit voort uit een onbegrijpelijke liefde, die niet belemmerd wordt door welke menselijke inbreng ook. Met een citaat van Augustinus, exegeet van Paulus, tekent Calvijn nog aan, dat het inderdaad een onbegrijpelijke liefde is, die zich in de verzoening door Christus openbaart. "Onze verzoening door het bloed van de Zoon mag men dus niet opvatten, alsof de Zoon ons zo met God verzoend zou hebben, dat Hij nu eerst zou beginnen ons lief te hebben, terwijl Hij ons tevoren gehaat zou hebben. Neen wij werden met Hem verzoend toen Hij ons reeds beminde, ofschoon wij door onze zonden met Hem in vijandschap waren" (II, 16, 4). Calvijn behandelt de geloofsbelijdenis inzake het werk van Christus vanuit dit gezichtspunt: Christus alleen, en Christus geheel!
Zo blijft het een onbegrijpelijk wonder, dat wij ook niet op een menselijke manier doorzichtig kunnen maken. In zijn preken heeft Calvijn de verzoening bediend. Wat is prediking immers anders dan de bediening van de verzoening die God aan mensen heeft toevertrouwd. Daarvan geef ik nu nog drie voorbeelden. Zo lezen wij het in Calvijns commentaar op 2 Cor. 5:18-21. Daar valt de nadruk op het feit en op de prediking. Het feit is geen ander dan dat Christus tot zonde is gemaakt. Er is geen andere verzoening met God dan die in het enige offer van Christus gegrond is. Christus heeft in zekere zin "onze per
soon aangenomen", om voor ons beschuldigd te worden en veroordeeld, niet vanwege Zijn eigen zonden, maar om de onze. Dit is het Evangelie. En het wordt bediend. Het gaat om de bediening der verzoening. Het is de hoogste lof voor het Evangelie, dat het een boodschap is, om mensen met God te verzoenen. Het is ook de hoge waardigheid van de dienaren, dat zij daartoe geroepen worden, zó, dat God met mensen een verbond maakt, zo dikwijls al zij het Evangelie horen. Het ambt van de dienaar is een ambt der verzoening. Het gezag berust niet op menselijke kwaliteit maar op goddelijke waarachtigheid, die een fundament vindt op Golgotha, zoals zij daar vanuit eeuwige liefde zich openbaart. God was in Christus: ziedaar het grote geheim. De Vader was in de Zoon. En wie de Zoon heeft gezien, die heeft de Vader gezien. De komst van Christus was niets anders dan een nadering van God tot de mensen, waarin Hij hen tot kinderen wil aannemen. In de persoon van Christus is de voldoening volbracht.
Dat dit voor Calvijn werkelijk een komen Gods in Christus tot schuldige mensen is, blijkt uit een preek over Galaten 1:3-5. Christus gaf Zich voor onze zonden, in overeenstemming met de wil van God en onze Vader. Achter de zoendaad van Christus staat de heilswil van de Vader. "Paulus wil niet dat wij zouden denken dat Jezus is gekomen om God de Vader te verzoenen, op een manier om Hem te overreden om Zijn gedachten te veranderen, hoewel de mensen er zulke aardse en onedele meningen op na houden. Nee, hij zou liever willen dat wij zouden zien dat God niet verzoend werd op de manier van mensen, en daarom stelt hij dat, hoewel Christus Zich overgaf voor onze zonden, Gód het was Die dit verordende. In deze preek legt Calvijn uit dat God ons zowel haatte, én beminde. Het laatste, omdat wij Zijn schepselen zijn. Het eerste vanwege onze zonde. Daarom moest Christus komen ter verzoening. God zond Zijn Zoon en dit had God besloten in Zijn eeuwige Raad. Verzoening door Zijn Bloed. Dat is: alleen door Zijn eeuwige liefde en verdienste.
Een preek over Jesaja 53 zegt nog eens dat Paulus spreekt over een tweevoudige verzoening. De eerste, geschied in de persoon van onze Heiland, toen Hij werd geofferd voor onze zonden. De andere is die, welke wij iedere dag ontvangen door het geloof, wanneer God ons verklaart dat wanneer wij Hem hebben verbitterd door onze zonden, Hij altijd bereid is onze zonden te vergeven. Door de prediking van het Evangelie, de bediening der verzoening, ontvangen wij deel aan de dood en aan het lijden van Christus.
Geen verzoening zonder voldoening. Geen andere vrede dan door het bloed van het kruis. Geen ander middel om het hart tot rust te brengen dan door het Evangelie, dat een kracht van God is tot zaligheid voor een ieder die gelooft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 2001
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 2001
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
