In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De Institutie van Calvijn (11)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Institutie van Calvijn (11)

11 minuten leestijd

In dit nummer het elfde deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.

Geen nieuwsgierige en spitsvondige redeneringen bij de belijdenis van Christus

Reeds in de eerste uitgave van de Institutie (1536) heeft Calvijn in het kort zijn belijdenis omtrent de Christus uiteengezet. Hij deed dit in het kader van een korte verklaring van de geloofsbelijdenis. Het thema bevat dan reeds de elementen die ook in de latere uitwerking breder worden geplaatst. Slechts is er dit verschil dat Calvijn gedwongen werd om de belijdenis van de kerk, waarbij hij zich in principe aansloot, tegen verschillende afwijkende opvattingen te verdedigen. Daarbij denken we aan zijn tegenstanders, die reeds in een vroeg stadium, maar ook later, in Geneve van zich lieten horen. Verder houdt Calvijn zich in de latere uitgaven van de Institutie bezig met de opvattingen van Osiander en vooral ook met de ideeën van Servet. Wij willen deze apologetische stukken hier niet ter sprake brengen, omdat het ons te doen is om Calvijns eigen belijdenis, waarvan de hoofdtrekken in onze eigen belijdenisgeschriften zijn terug te vinden.

Het is wel volstrekt duidelijk, dat we hier staan voor het centrum van Calvijns theologie. Het is hem in alles en altijd weer te doen om de Christus van God gegeven, in wie alle heil is te vinden voor tijd en eeuwigheid. Buiten Christus is er geen leven, geen heil en geen toekomst. Onze zaligheid is in Hem te vinden en nergens anders. Daarom is de kennis van Christus ook inderdaad het leven. In zijn commentaar op Johannes 14:6 schrijft Calvijn, dat wie Christus deelachtig is, aan niets gebrek heeft en dat degene die met Hem alleen niet tevreden is, streeft naar een volmaaktheid, die alles te boven gaat. Nergens anders dan in Hem wordt God ons deel, bij Wie de fontein van het leven is. "Daarom is alle godgeleerdheid buiten Christus om, niet slechts verward en ledig, maar ook dwaas, bedrieglijk en vals". Slechts in Christus kennen wij God.

Dit betekent echter niet dat wij het geheim van Christus' persoon en werk kunnen doorgronden. Daartegen waarschuwt Calvijn. Wanneer wij geloven in Jezus Christus, de enige Zoon van de Vader, dan onderscheiden wij Hem van alle anderen. Hij is de natuurlijke Zoon, van eeuwigheid door de Vader gegenereerd. De gelovigen zijn het slechts door aanneming. Zij zijn geadopteerde kinderen van God. Maar Christus is God zelf, 'een met de Vader, van dezelfde natuur, substantie of wezen en alleen als persoon van Hem onderscheiden. Calvijn hanteert hier de oud-christelijke terminologie van wezen, persoon, natuur. Niet omdat hij daarmee het mysterie van Christus' persoonlijkheid tracht te begrijpen. Maar omdat de Schrift hem daarbij leidt. In 1536 schrijft Calvijn: "Wanneer het om menselijke wijsheid gaat, deze heeft zich hier te onderwerpen. Zij moet als krijgsgevangen worden gehouden. Zonder enige nieuwsgierige en spitsvondige redeneringen, ook zonder te twijfelen, dienen dergelijke geheimen aanbeden te worden. Zij gaan geheel en al het menselijke bevattingsvermogen te boven". Hij begeert in dit stuk van zaken niets te zoeken, te begrijpen of te denken en uit te spreken dan wat de Schriften ons leren. Wie dit niet doet stort hals over kop in af te tobben met de vraag waar dan toch die Middelaar te zoeken is, of op welke manier men tot Hem kan komen. Hij noemt Hem een mens daarmee aanduidend dat Hij nabij is, men kan Hem zelfs aanraken" (II, 12,1). In Christus komt zo de verzoening tot stand. De aanraking met Hem brengt genezing. Wie immers zou de dood kunnen overwinnen dan Hij die het leven is. "Het was zijn taak om de zonde te overwinnen. Wie zou dit vermogen dan alleen Hij die de gerechtigheid zelf is. Hij moest de machten van de wereld en van de lucht vernietigen. Wie zou dit kunnen, dan alleen Hij die de kracht is, die wereld en lucht overtreft? Verder, bij wie is het leven, de gerechtigheid of de heerschappij en de macht van de hemel anders dan bij God alleen? En daarom heeft de allerbarmhartigste God zichzelf in de persoon van de Eniggeborene tot onze Verlosser gemaakt toen Hij ons verlost wilde hebben" (Inst. II, 12, 2).

Verzoening is derhalve het doel van de menswording. Overwinning van de zonde en het aanbrengen van leven en gerechtigheid. Daartoe was de menswording van de Zoon van God noodzakelijk. Wanneer Christus alleen God was, kon Hij de dood niet ondergaan. Als Hij alleen mens was kon Hij de dood niet overwinnen. Daarom heeft Hij de goddelijke natuur met de menselijke verenigd. Wie aan een van beide te kort doet, vermindert de majesteit en de heerlijkheid van Christus, of ook zijn goedheid. Men doet ook de mensen te kort, wier geloof dan aan het wankelen gebracht wordt. Dit kan immers slechts staande blijven wanneer het steunt op dit fundament: Christus, waarachtig God en mens in eenheid van zijn persoon.

Dat het Calvijn niet te doen is om een hogere vorm van speculatie wordt duidelijk wanneer we in hem de uitlegger van de Schrift horen spreken. Calvijn wil sommige exegetische moeilijkheden die zich kunnen voordoen oplossen door te letten op de eenheid van beide naturen in de persoon van de Middelaar. Zoals de eigenschappen van de ziel bij de mens soms worden overgedragen op het lichaam, zo kunnen ook dingen die speciaal passen bij de goddelijke natuur worden toegeschreven aan de menselijke natuur en omgekeerd. Voor Calvijn gaat het dan om een "redekundige figuur" die door de ouden een verbinding der eigenschappen werd genoemd. Deze technische term neemt Calvijn over, om aan te geven dat de Schriften, bijvoorbeeld in het evangelie naar Johannes ("eer Abraham was ben Ik" en andere dergelijke uitspraken), op deze manier verklaard moeten worden (Inst. II, 14, 3). Ook dan echter gaat het hem om de volle openbaring van de persoon van de Middelaar, in Wie God zelf tot ons komt.

Drievoudig ambt

Een van de bijzondere trekken in Calvijns christologie is die van het drievoudige ambt van Christus. Wij dienen oog te hebben voor de persoon van de Zaligmaker. Straks zal Calvijn de nadruk leggen op de gemeenschap die wij hebben door het geloof met Hem, als persoon gedacht. De persoon is echter niet afzonderlijk te denken, los van zijn werk. En het werk van Christus wordt beschreven aan de hand van het ambt, of de ambtelijke taakvervulling van Christus.

Als we willen weten, waartoe Christus door de Vader gezonden is en wat Hij ons heeft verworven zal men vooral moeten letten op drie zaken in Hem: zijn profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt (Inst. II, 15, 1). Men kan zeggen dat er sprake is van ëën ambt, dat bestaat in drie delen, want Hij is zowel als profeet, als priester en als koning gegeven.

De verwijzing naar dit drievoudige ambt van Christus heeft Calvijn ontleend aan de theologie van de Straatsburgse reformator, Martin Bucer. Hij heeft om het werk van Christus helder te kunnen prediken het schema ervan in deze ambtelijke structuur weergegeven. En bij Bucer, zowel als bij Calvijn valt de nadruk op het koninklijke ambt van Christus. Men heeft daarin wel een tegenstelling willen zien met Luthers opvatting van de theologie als kruis-theologie, waarbij alle nadruk komt te liggen op het priesterschap van Christus. De gereformeerde theologie zou daardoor een koninklijk accent hebben gekregen, waarin gemakkelijk de vernedering van het kruis niet meer krachtig zou doorklinken. Maar als die mogelijkheid al aanwezig is, zij geldt niet voor Bucer en ook niet voor Calvijn. De eenheid der ambten, zoals Calvijn deze benadrukt, laat zo'n tegenstelling niet toe. Weliswaar is de naam van Christus vooral gegeven met het oog op het koningschap van Christus, maar ook de profetische en priesterlijke zalving behouden hun plaats en mogen niet verwaarloosd worden (Inst. II, 15, 2).

Het profetisch karakter van het ambtelijke werk van Christus blijkt uit de onafgebroken prediking van het evangelie in het lichaam van de kerk, die beantwoordt aan de kracht van de Geest. Christus heeft de "volmaaktheid van de leer" aangebracht, waardoor een eind is gekomen aan alle profetieën. Hij heeft in de "hoofdsom van de leer" die Hij geleerd heeft, alle factoren van de hemelse wijsheid besloten. De continue prediking van het evangelie beantwoordt vandaag aan het profetische ambt van Christus. Als we met het Evangelie niet tevreden zijn, en er van buiten af iets aan willen toevoegen, doen wij afbreuk aan het gezag van Christus als de hoogste profeet (Inst. II, 15, 2).

Dit raakt onmiddellijk het koningschap van Christus. Christus is bekleed met een eeuwige macht, weliswaar alleen geestelijk op te vatten en niet op wereldlijke manier in te vullen, maar die macht oefent Christus uit door de prediking van het Evangelie. Daarvan hangt het eeuwige voortbestaan van de kerk af. Wij moeten door het besef dat het een geestelijk koninkrijk is opgewekt worden tot de hoop op een beter leven. Toch dient deze verwijzing naar de toekomst niet om onze handen traag te maken in de geestelijke strijd die wij heden te voeren hebben. Vertrouwend op de kracht van de Geest van Christus gaan we de strijd aan zonder twijfel of we zullen de satan en de wereld uiteindelijk overwinnen. Het koningschap van Christus is tweeledig. Hij is een Herder voor al de zijnen. Maar al de goddelozen verplettert Hij met zijn ijzeren scepter. De geschiedenis levert daarvan nu reeds voorbeelden. Het laatste oordeel zal het ten volle laten zien.

Als priester is Christus de Middelaar die ons door Zijn heiligheid met God verzoent. Door Zijn dood heeft Hij de Zijnen gereinigd van de schuld der zonden. Door Zijn voorbede treedt Christus nu ook tussen bij de Vader. Ook maakt Christus de Zijnen tot priesters, die in het heiligdom van de hemel vrijmoedig mogen binnen treden, waar offeranden van gebeden en lof worden gebracht.

Samenhang tussen verwerving en toepassing van het heil

Het valt op dat het drievoudig ambt bij Calvijn een plaats krijgt in de bediening van het heil, door de verwerving en tegelijk ook door de toepassing. Zo vallen deze twee, verwerving en toe-eigening weliswaar niet samen. Maar men kan ze ook niet zo scheiden, dat de deelachtigmaking een werk is, dat alleen aan de Geest wordt toegeschreven. De Heilige Geest is door Christus verworven. Hij heeft Christus in de wereld gebracht, en daarmee is het Heilige dat uit Maria geboren werd inderdaad de Christus Gods, waarachtig God en mens in de waarheid van een persoon. Dit is het werk van de Geest.

Maar nu Christus de Middelaar Gods en der mensen is geworden verwerft Hij de levendmakende Geest, die in Hem als in het Hoofd en in ons als in Zijn lidmaten woont. En door de Geest krijgen we deel aan Zijn persoon en zo ook aan al Zijn schatten en gaven.

Dit is het bijzondere werk van de Geest, waaraan Calvijn in het derde boek van de Institutie met bijzondere toewijding en uitvoerigheid zijn volle aandacht zal wijden. Hij zal dan het werk van de Geest beschrijven. Maar het is de Christus die vandaag door Zijn Geest dit werk verricht. Dit werk van de Geest staat onder het voorteken van de christologie. Dit betekent, dat ook de toepassing van het heil werk van Christus is, uit Hem en tot Hem. We zouden ons vergissen, wanneer we de drie ambten slechts zouden verbinden aan de verwerving van het heil. Ze functioneren op geestelijke wijze in een eeuwig koningschap van Christus, evenzeer in de toepassing van het heil. Daardoor wordt het werk van de Geest niet verzelfstandigd ten opzichte van dat van Christus. Daar achter staat het decreet, de vredesraad, de verkiezende liefde zelf, ja het wezen van de Drieenige God, die mensen met Zich verzoent.

Het is van eminent belang voor de invulling van de leer van de Heilige Geest op een goede dogmatische manier. Maar het is daarom van even groot belang voor onze opvatting van de aard en het karakter van het geestelijke leven. Dit wordt ontvangen in de gemeenschap met Christus. Geestelijke groei door de Heilige Geest behelst derhalve niets anders in wezen dan een toenemen in de kennis en genade van de Heere Jezus Christus. Geestelijke leiding in prediking en pastoraat zal daarom ook uitkomen in de prediking van Jezus Christus en dien gekruisigd. En naarmate de kennis van Christus in het hart verdiept wordt als kennis van de Middelaar, ook naar zijn drie-erlei ambt, naar diezelfde mate zal ook de zekerheid van het geloof toenemen. In de christologie valt theologisch gezien de beslissing over de aard en het karakter van geheel onze theologie. Daar valt eveneens de beslissing wanneer wij de vraag stellen naar het wezen van en de groei in het geloof. Daarbij komt onontkoombaar ook de vraag aan de orde naar de aard en het wezen van de verzoening met God. Daarover hopen we een volgende maal Calvijn nader te horen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's

De Institutie van Calvijn (11)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's