In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De Institutie van Calvijn (9)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Institutie van Calvijn (9)

13 minuten leestijd

In dit nummer het negende deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof. dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.

Eerste uitgave van de Institutie

Reeds in de eerste uitgave van de Institutie heeft Calvijn met bijzondere zorgvuldigheid een stuk geschreven over de betekenis van de wet van God. Dit lag wel voor de hand. De wet behoorde immers tot het catechetische materiaal, waarmee de kinderen in het kerkelijk onderricht vertrouwd werden gemaakt. Ook na de Reformatie bleef de inhoud van de catechisatieboekjes grotendeels gelijk: wet, geloof en gebed. Calvijn heeft zich van meetaf aangesloten bij deze traditie.

We herkennen in de behandeling van de wet een sterke invloed van Luther en van Bucer. De Wittenberger reformator had over de wet een zeer duidelijk uitgeproken standpunt. Het hing samen met de grote ontdekking van de rechtvaardigende genade, die een mens geheel om niet wordt geschonken. Daardoor was er, ook al moet men voorzichtig zijn om dit al te sterk te benadrukken, bij Luther een tegenstelling ontstaan tussen wet en evangelie. De functie van de wet lag bij Luther vooral in het ontdekkende karakter: de wet doet de zonde kennen. De wet kreeg een plaats met name in de orde van het heil. Zij werd, zo zou men kunnen zeggen, heilsordelijk geplaatst binnen het werk van de Geest, die ons alleen uit genade leert leven. Voor Bucer, de grote reformator uit Straatsburg lag de zaak al iets anders: hij legde een krachtig accent op de heilshistorische betekenis van de wet, hoewel ook bij hem de heilsordelijke functie niet afwezig was. Deze werkte bij hem echter aanzienlijk minder binnen een zekere systematiek: éérst de wet en dan het evangelie. Voor Bucer was vooral van belang de vraag of wij de wet leren kennen met of zonder het werk van de Heilige Geest. Maar dat gold voor hem ook van het evangelie, dat naar zijn idee tot een nieuwe wet zou kunnen ontaarden, wanneer het niet door de Heilige Geest in de sfeer van de persoonlijke ervaring geleerd werd.

Geen legalisme

Calvijn heeft van beiden, zowel van Luther als van Bucer, het een en ander verwerkt in zijn beschrijving van de wet. Men verdenkt hem er nogal eens van dat hij al te wettisch is opgetreden. Men schrijft hem dan een zeker legalisme toe, een overaccentuering van de betekenis van het gebod Gods. Reeds zijn innerlijke verwantschap met Luther en met Bucer zou hem van zulk een misplaatst oordeel dienen te vrijwaren. Het blijkt duidelijk uit de inzet van de eerste uitgave van de Institutie (1536) dat hij het thema benadert vanuit de hogere schematiek van Godskennis en zelfkennis. Aan deze benadering is Calvijn trouw gebleven, bij alle methodische veranderingen die hij in zijn leerboek heeft aangebracht in de verschillende edities. Het is deze toon die de muziek maakt en daarin klinkt een tweeklank helder door: door een ongeveinsd berouw komen wij tot de kennis van onszelf en door een zeker geloof komen wij tot de kennis van de barmhartigheid en liefelijkheid van God, zoals deze in Christus zijn geopenbaard.

In de uitleg van de wet is Calvijn zeer beknopt. Later zal dit anders worden. Nu is het genoeg voor hem om evenals Luther deed, de kern van de geboden weer te geven. Daarbij geldt het principe dat de wet niet alleen uiterlijke werken voorschrijft. Zij betreft ook de overdenkingen en de diepste gevoelens van het hart. Zo veroordeelt zij het gehele menselijke geslacht. Het is onderworpen aan de vloek van de wet, omdat het God niet liefheeft met het gehele hart en met de gehele ziel. Intussen verwijst Calvijn naar het bekende gebed van Augustinus: "De Heere is het, in wie wij krachtig zijn. Hij moge geven wat Hij beveelt en Hij moge bevelen wat Hij wil. Dat de christenen onder de wet van de genade zijn, betekent echter niet dat zij teugelloos zonder wet omzwerven, maar dat zij in Christus zijn ingelijfd door wiens genade zij van de vloek der wet zijn bevrijd, en door wiens Geest zij de wet in hun harten ingeschreven hebben". De genade is niet afhankelijk van de onderhouding van de wet. Dit zou slechts de twijfel en de wanhoop in het hart brengen, "wanneer een ieder voor zichzelf zou overwegen door welk een schuldenlast hij gedrukt wordt, en hoe ver hij verwijderd is van de voorwaarde die hem is opgelegd. Ziedaar: het geloof is reeds onderdrukt en weggevaagd". Zekerheid is er uit de wet niet te verkrijgen. Voor Calvijn heeft de wet reeds in dit stadium drieërlei functie. Allereerst, zij leert ons om "ledig en naakt de toevlucht te nemen tot de barmhartigheid van God". In de tweede plaats heeft zij een functie in het in stand houden van de menselijke samenleving. Hen gedwongen en afgeperste gerechtigheid is daarvoor onmisbaar. In de derde plaats is de wet "voor de gelovigen een aansporing, niet om hun geweten met een vloek aan banden te leggen, maar om hun traagheid door een voortdurend aandringen af te schudden en een prikkel te vormen voor hun onvolkomenheid".

Wet van het verbond - Wet van Christus

In zijn latere geschriften heeft Calvijn over de functie van de wet veel meer geschreven dan in de eerste editie van de Institutie mogelijk was. Zijn inzicht rijpte niet alleen, zijn ordening van de stof werd ook meer en meer weloverwogen. Dit betekende niet dat hij beschouwd kan worden als de eerste grote systematicus van de gereformeerde reformatie. Inderdaad berustte de verdere ontwikkeling bij hem op de verheldering van methode. Deze stond echter in dienst van het pastoraat, zoals men vandaag meer en meer ontdekt. We wijzen op enkele verbanden die we met betrekking tot de wet Gods bij Calvijn aantreffen.

Allereerst is voor hem de wet, meer dan bij Luther, een wet van het verbond der genade. Zij is niet los te maken van de relatie waarin God zich tot zijn volk heeft gesteld. Boven de geboden staat het evangelie. Voordat God komt met zijn eisen, schenkt Hij zichzelf aan ons. Laat het waar zijn, dat bij Calvijn nog geen verbondsleer te vinden is, zoals deze een halve eeuw later tot ontwikkeling zou komen, meer dan bij Luther overweegt bij hem het heilshistorische moment. En daarin is ruim plaats voor de gedachte van de wet als document van het historische verbond dat God met Abraham en later met Israël sloot. "Dit moet onze harten wel week maken, zelfs al waren ze harder dan steen. Wie zijn wij wel, dat de Heere zo diep naar ons afdaalt om met ons een verbond aan te gaan en ons te beloven dat Hij onze Vader en Redder wil zijn, zodat Hij als een mens voor ons staat die een schenkingsverdrag met ons gesloten heeft?" (Preek over Deut. 32: 16-19).

Wat Mozes deed in de proclamatie van de wet, staat niet in tegenstelling met hetgeen aan Abraham was beloofd. Mozes was er niet om de zegening die aan Abraham gedaan was, op te heffen. "Integendeel. We zien dat hij overal in herinnering roept het genadige verbond dat met hun vaderen was gesloten en waarvan zij de erfgenamen waren, alsof hij gezonden was om dit verbond te vernieuwen" (Inst. II, 7,1). De omschrijving die Calvijn van de wet geeft, laat alle ruimte voor een brede verbondsmatige opvatting. "Ik versta onder de naam van de wet niet slechts de tien geboden, die een regel voorschrijven om vroom en rechtvaardig te leven, maar de vorm van de religie door de hand van Mozes van Godswege overgeleverd".

Wet als vorm van religie

De wet als vorm van religie: breder kan het nauwelijks. De religie is hier echter opgevat als de wandel in het spoor van het verbond, gestipuleerd naar de levensgeboden die God heeft gegeven. Het kan niet anders, of Calvijn moet nu deze brede opvatting in nadere onderscheidingen opvullen. En hier blijkt de betrokkenheid op Christus centraal te staan. Deze geldt allereerst de ceremoniële wetten. Juist hier treedt volgens Calvijn aan het licht dat de wet tendeert naar een hogere opvatting dan alleen voorhanden scheen in de uiterlijke dienstverrichtingen rond tabernakel en offer. Mozes kreeg een voorbeeld te zien, waarnaar de dienst ingericht moest worden. Het was het hemelse heiligdom dat als voorbeeld strekte voor het dienen van God in geest en in waarheid. Waar dit laatste uit het oog wordt verloren, is het geen wonder dat onheilige mensen, die zich nooit in ernst hebben toegelegd op de ijver voor vroomheid bij het waarnemen van de oudtestamentische wetten er over lachen alsof het kinderspelletjes waren. Voor Calvijn was het echter allesbehalve een spel. de ceremoniële wetten bevatten een verwijzing naar de volheid der genade die in Christus zou worden geopenbaard (Inst. VII, 1,1). Inderdaad waren de kinderen Israëls voor de komst van Christus als kinderen, onmondig, totdat het éne offer der verzoening zou zijn gebracht.

Voor Calvijn hadden deze oudtestamentische wetten een verwijzend karakter. En daarom zijn ze ook voor de christenen van nu niet zonder betekenis. Christus is immers het einde der wet voor een ieder die gelooft en dit geloof kan bevestigd en versterkt worden. Maar dan geldt dit in veel sterker mate nog van de morele wetten. Juist hier geldt dat Christus het einde van de wet is: Christus is de Geest die de van zichzelf dodelijke letter levend maakt. Tevergeefs verwacht men gerechtigheid van de wet, "totdat Christus deze door een genadige toerekening en door de Geest der wedergeboorte verleent". De enige en ware voorbereiding tot het zoeken van Christus bestaat in de verootmoediging die de mensen ontvangen wanneer zij overtuigd zijn van hun veroordeling. En hiertoe werkt de wet speciaal, opdat wij de vergeving zouden begeren. De leer van de wet gaat ons vermogen om haar te volbrengen verre te boven. De mens mag zich wel proberen vast te houden aan de beloften die bij de wet gevoegd zijn, maar hij kan daaruit geen enkele vrucht verkrijgen. Slechts dit éne resteert, dat wij des te meer zeker worden van een zekere dreiging van de dood.

Spiegel der zonde

Wanneer wij dus alleen maar naar de wet zien, kunnen wij niets anders doen dan de moed opgeven, in verwarring tot wanhoop geraken, aangezien wij allen door haar veroordeeld worden en vervloekt en wij worden verre gehouden van de zaligheid die zij belooft aan hen die haar onderhouden (II, 7, 4). "En daarom zou men kunnen vragen of de Heere zo met ons een spelletje speelt?". Calvijn weet beter. God speelt niet met ons. Hij zoekt ons heil. Maar daarbij kan de wet ons niet wezenlijk van dienst zijn. De wet is niet in staat om werkelijk tot heil te brengen, vanwege de onmacht van onze natuur (II, 7, 6). De wet werkt in zekere zin als een spiegel, waarin wij onze onmacht, en vervolgens onze zonde leren kennen, om ten slotte uit beide onze vervloeking te aanschouwen. Calvijn beroept zich op een treffend woord van Augustinus: "Wanneer de Geest der genade ontbreekt, dan is zij er slechts om ons schuldig te stellen en ons te doden".

Uitvoerig heeft Calvijn weergegeven hoe de wet zondaren overtuigt van zonde, terwijl hij tegelijk betoogt dat dit werk der wet zelfs ook voorkomt bij de verworpenen, die er vrijwillig altijd op uit zijn om uitvluchten te zoeken tegenover het oordeel van God. Toch kan dit volgens Calvijn de bedoeling van de wet niet zijn: "Dat ons aller zonde en oordeel door het getuigenis van de wet bezegeld wordt, gebeurt niet daartoe opdat wij in wanhoop zouden bezwijken en de moed zouden opgeven en in het verderf zouden storten" (II, 7, 8). We leren om naakt en ledig tot Gods barmhartigheid de toevlucht te nemen, om daarop geheel en al te steunen, daarin ons te verbergen en haar alleen als gerechtigheid en verdienste aan te grijpen, die voor allen in Christus is uitgestald, die Hem met een waar geloof begeren en verwachten.Voor Calvijn is dit de eerste functie van de wet: spiegel tot kennis van de zonde.

Politiek gebruik

Haar tweede taak bestaat in het beteugelen van de kwaden. Weliswaar kan men met uiterlijke middelen het innerlijk, het hart van de mensen niet bewegen of werkelijk bereiken. Maar de mensen worden gedwongen om zich te voegen en te schikken, zodat zij niet schaamteloos hun verdorvenheid zouden uitgieten. Weliswaar zijn zij daardoor niet beter of rechtvaardiger voor God. Deze afgedwongen en afgeperste gerechtigheid is noodzakelijk voor de publieke gemeenschap van de mensen. Zo houdt men rust en voorkomt men dat alles door opschudding in verwarring raakt. Calvijn werkt de gedachten die reeds in 1536 door hem vertolkt werden verder uit in de latere edities. Wezenlijk verschillen zij echter niet van wat gemeengoed was onder reformatoren van zijn tijd. Ook Melanchthon heeft in zijn Loei communes aan dit gebruik van de wet een redelijk uitvoerige uiteenzetting gewijd. Beide functies van de wet ziet Calvijn aangeduid in het woord van Paulus, dat de wet een tuchtmeester tot Christus is geweest. Zowel als spiegel voor de kennis van de zonde, en ook in haar taak om in de sfeer van politiek en samenleving ordenend te werken, beschouwt Calvijn het werk der wet in zekere zin als voorbereidend.

Regel van dankbaarheid

Het derde gebruik van de wet is het belangrijkst. Het specifieke doel, waarop de wet eigenlijk zich richt, bestaat in haar betekenis voor de gelovigen, in wier hart reeds de Geest van God krachtig is en regeert. Zij dragen in hun hart reeds de door Gods eigen vinger geschreven en ingegraveerde wet. Daardoor zijn ze zozeer gevoelig gemaakt en bezield door de leiding van de Geest, dat zij begeren om God te gehoorzamen. Toch vorderen zij in tweeërlei opzicht in de wet. Zij ondergaan de versterking door een steeds nauwkeuriger kennis der geboden, hetgeen dagelijks meer en meer noodzakelijk is.

Daarbij kunnen de gelovigen ook de aansporing niet missen, die uitgaat van een ernstige overdenking van de wet. Dit geldt niet de vervloeking waardoor hun geweten gebonden zou kunnen worden. Immers zij zijn in Christus gerechtvaardigd en staan in Hem in de vrijheid der kinderen Gods. De wet is er wél om hun traagheid en onvolkomenheid te verdrijven. Calvijn heeft zijn inzichten omtrent de wet zonder onderbreking in zijn preken laten uitkomen. In een serie over Psalm 119 liet hij de gemeente kennis maken met de onschatbare betekenis van Gods geboden, met name als het ging om de concretisering ervan.

Men kan ni et zeggen dat de Calvijn van de preekstoel een ander was dan die van de Institutie. Wél speelt in zijn Woordbediening een complexe totaliteit van religieus pastoraat een grotere rol. Niet slechts vanwege de toespitsing van de wet op de voorhanden zijnde situatie. Vooral echter ook, omdat Calvijn oog in oog met de gemeente de fundamentele patronen van zijn theologie tot gelding kon laten komen. En wel op een manier waaruit zonneklaar bleek wat de essentie van zijn boodschap was: vroomheid, leven voor Gods aangezicht, zekerheid, vrijheid, innerlijke rust en overtuiging, eeuwigheidsernst en tegelijk daarom ook relativering van aardse omstandigheden. Leven uit het evangelie naar de geboden des Heeren en van dag tot dag daarin wassend en toenemend.

Dáár op de kansel bleek dat Calvijn niet de wettische, strenge en onbarmhartige theoreticus was waarvoor onze eeuw hem nog wel pleegt te houden. Maar wél de profeet die ervan overtuigd was dat de wet niet was afgeschaft, terzijde gesteld. Dat zij integendeel vervuld was door het volbrachte werk van Christus. En dat het in de geestelijke gemeenschap met Christus onmogelijk moest heten om niet te vragen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's

De Institutie van Calvijn (9)

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's