In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

In gesprek met elkaar over Maria

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In gesprek met elkaar over Maria

8 minuten leestijd

Begin oktober was ik in Zuid Limburg met vakantie. Ik bezocht toen opnieuw de kerk van het klooster in Wittem waarin ik vier jaar heb verbleven. In de Ronde Kapel kan men een beeld van Maria vereren. Veel kaarsen worden ervoor opgestoken. Vóór het altaar staat op een versierde plank dit gebed te lezen:

"Moeder van Altijddurende Bijstand, ik kniel met een groot en kinderlijk vertrouwen voor Uw Beeltenis neer. Nog nooit heeft iemand tevergeefs tot U zijn toevlucht genomen. Gij hebt op aarde zo dikwijls aan Uw goddelijke Zoon uw moederlijke bijstand verleend. Met tedere zorg hebt Gij Hem in Zijn jeugd beschermd en geleid. Gedurende Zijn openbaar leven Hem getroost en bemoedigd. In de smartvolle uren van Zijn lijden gesterkt. Wees zo ook voor mij een Moeder van Altijddurende Bijstand. Maria, ook ik ben Uw kind. Aan het kruis heeft Uw goddelijke Zoon U als mijn Moeder gegeven en hebt Gij Mij als Uw kind aangenomen. Ik. weet dat Gij over heel de wereld vooral Uw kinderen die U in deze beeltenis vereren, met ontelbare gunsten naar ziel en lichaam hebt overladen. Voor mezelf en voor hen allen dank ik U oprecht voor Uw liefdevolle bescherming. Laat mij ook nu niet ongetroost van U heengaan. Voortdurend, maar vooral in de moeilijkheden waarin ik thans verkeer, heb ik Uw moederlijke bijstand nodig.

Moeder! Zie dan vol goedheid en medelijden op mij neer en verkrijg voor mij van Uw goddelijke Zoon de gunsten waarom ik U thans met alle aandrang smeek. Ik beloof U dankbaarheid en liefde alle dagen van mijn leven, totdat ik U zal komen bedanken in de hemel. Gij kunt mij helpen, Gij wilt mij helpen, Gij zult mij helpen. 0 machtige, o goede, o getrouwe Moeder van Altijddurende Bijstand."

Toen ik later in Maastricht de basiliek van Maria, Sterre der Zee, bezocht, stond daar eenzelfde soort gebed aangeplakt. Ik citeer daaruit:

"O Maria, Sterre der Zee, Gij verkrijgt voor de zondaars vergiffenis. 0 liefste Moeder, ik kom thans tot U met het grootste vertrouwen. De menigvuldige wonderen die hier op Uw voorspraak geschied zijn, vervullen mij, ellendige zondaar, met de zoete hoop dat Gij, Moeder van barmhartigheid, ook mijn bede zult verhoren. Gij zijt immers de machtigste na God."

Ik moet eerlijk erkennen dat ik zeer bedroefd en teleurgesteld was, toen ik dat gebed las dat ook te koop wordt aangeboden met een afdruk van het schilderij van Maria, Moeder van Altijddurende Bijstand. Graag wil ik daarover een gesprek hebben met rooms-katholieke lezers van ons blad. Ik wil mij daarbij zoveel mogelijk beperken tot het stellen van vragen. Ik zou ook aan protestantse lezers willen voorstellen: begin hierover eens een gesprek met rooms-katholieke kennissen. Een gesprek in liefde, dus zonder nare en zure polemiek.

"Beste rooms-katholieke vriend, Voorop wil ik nadrukkelijk stellen dat ook wij, christenen van de Reformatie, groot respect hebben voor Maria. Hoe kan dat ook anders? Zij werd immers door de engel Gabriël de begenadigde genoemd. Zij werd uitverkoren om de moeder te worden van de Verlosser van de wereld, van een Mens die tegelijk waarachtig God was en is. In die bewondering voor dit nederige meisje weten wij ons dus één. Maar…

1. Als u Christus persoonlijk kent, als Hij in u is en u in Hem, als u Hem door het geloof ziet in al Zijn heerlijkheid, in Zijn genadige, nederige en zachtmoedige liefde, in Zijn Zelfofferande tot in de. verschrikkelijke kruisdood, hoe kunt u dan nog behoefte hebben aan iemand anders? Als Hij met Zijn volheid in u woont, hoe kunt en wilt u dan nog plaats inruimen voor een ander mens?

2. Als u toch nog behoefte hebt aan iemand anders, betekent dat dan niet onvermijdelijk een gebrek aan vertrouwen in Christus? Denkt u werkelijk dat Maria meer liefde voor ons zou hebben dan Christus? Dat zij eerder bereid zou zijn om ons te helpen? Wat had de Zoon van God dan nog méér moeten doen om ons vertrouwen in Hem te winnen? Is Zijn menswording, Zijn leven, lijden en sterven dan niet één doorlopend bewijs dat wij ons in alle vertrouwen aan Hem kunnen overgeven? Waarom bidt u dan nog tot Maria: "Zie vol goedheid en medelijden op mij neer"? Denkt u datjezus uw gebed niet zal verhoren als u diezelfde smeekbede tot Hem richt, en dat Maria dat wél zal doen?

3. Het Tweede Vaticaanse Concilie heeft in de Dogmatische Constitutie Dei Verbum (nr.11) gezegd: "Deze boeken (van het Oude en Nieuwe Testament) onderwijzen zeker, trouw en zonder dwaling de waarheid die God omwille van ons heil in de heilige Schriften opgetekend wilde hebben." Maar:

a. Nergens in de hele Bijbel vinden wij ook maar één aansporing om tot overledenen te bidden. Op verzoek van Jezus (Joh. 19:27) - althans zo heeft Johannes die woorden verstaan - heeft hij Maria bij zich in huis genomen. Hoe is het dan mogelijk dat ook hij nooit gewezen heeft op het belang om Maria na haar dood aan te roepen? Wist hij dat niet? Verzweeg hij dat opzettelijk? Indien ja, wat hebben we dan nog aan de Schrift, als daarin niets te vinden is over zo'n belangrijke waarheid, namelijk "dat nog nooit iemand tevergeefs tot Maria zijn toevlucht zou nemen"? Johannes schreef in zijn Evangelie: "Jezus heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid van Zijn discipelen gedaan… Maar deze (tekenen) zijn geschreven opdat gij gelooft datjezus de Christus is… en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam" (Joh. 20:30, 31). Volgens Johannes gaat het er dus om dat wij het eeuwige leven ontvangen door het geloof in Christus; zie Joh. 6: 47. Wat willen we dan nog meer?

b. In dit gebed wordt Jezus voorgesteld als iemand die ook tijdens Zijn openbare leven en lijden voortdurend getroost en bijgestaan moest worden door Zijn moeder. Maar de Bijbel tekent ons de volwassen Jezus helemaal niet als een hulpbehoevende die nog de troost en de bijstand van Zijn moeder nodig zou hebben. Tijdens Zijn gebedsworsteling in Gethsémané vroeg Hij wel om een mee-bidden van zijn drie discipelen, maar nergens lezen we dat Hij iets dergelijks heeft gevraagd aan Zijn moeder. Ook toen Maria onder het kruis stond, zocht Jezus Zijn troost niet bij Zijn moeder. Zou Johannes dat niet vermeld hebben, als dat wel het geval was geweest? Bovendien: het gaat om de Christus van nu. Wij moeten onze hoop vestigen op Hem "Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt" (Rom. 8:34). En zou het gebed van Jezus voor ons niet machtiger zijn dan een gebed van Maria voor ons? Johannes beschrijft de Christus van nú in Zijn volle glorie. Hij wil ons dat beeld van Hem inprenten. "Zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in haar kracht." En als Johannes Hem zo ziet, is hij zozeer onder de indruk dat hij als dood voor de voeten van Jezus neervalt. Dan legt Hij zijn hand op Johannes en zegt tegen hem dat hij niet bang hoeft te zijn; 'Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste; Ik ben levend tot in alle eeuwigheid"; zie Openb. 1:9-20. Is het niet beter om ons Jezus zó voor te stellen dan als de hulpbehoevende Jezus van dit Mariagebed? c. In de Bijbel staat wel dat wij door het geloof in Christus tot kinderen van God, maar niet tot kinderen van Maria worden aangenomen.

4. In deze gebeden wordt het voorgesteld alsof het van het grootste belang is dat we kind van Maria worden. Maar waarom wordt dat dan in de Bijbel niet duidelijk vermeld? Bovendien, Paulus schrijft: "Gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus" (Gal. 3:26). Als je kind van God bent, wat moet je clan nog meer? In Rom. 8:32 roept Paulus hen die in Christus geloven, toe: "Zal Hij (God) ons ook met Hem (Christus) niet alle dingen schenken?" Als u het daarmee eens bent, waarom dan nog proberen een kind van Maria te worden? Ik wijs er ook nog op dat hier staat: we worden door het geloof kinderen van God; dus door niets anders. En geloven is het kindschap van God (met alle heerlijkheid die daaraan verbonden is) om niet, uit loutere genade, ontvangen. Je kunt het alleen maar als een geschenk aanvaarden. Je kunt een cadeau niet verdienen, anders is het geen cadeau meer, maar salaris, verdiend loon. Wie tegenover de Heere wil staan in een verhouding van werkgever-werknemer, dus met een recht op uitbetaling, kan geen kind van God zijn. Dat heeft Christus duidelijk gemaakt, in de gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15: 11-32). Toen die jongen tot inkeer was gekomen, wilde hij tegen zijn vader (overigens terecht want hij had het er naar gemaakt) zeggen: "Ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen". Maar de vader-en in die gelijkenis wordt de hemelse Vader bedoeld wilde daar niet van weten. Zo wil ook de Vader van Jezus Christus berouwvolle zondaars die al hun vertrouwen in Zijn Zoon hebben gesteld, aannemen als Zijn kinderen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's

In gesprek met elkaar over Maria

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 2001

In de Rechte Straat | 16 Pagina's