De Institutie van Calvijn (6)
In dit nummer het zesde deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritus-hoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
God kennen, eren en dienen
De Heilige Schrift is het middel dat God gebruikt om ons te brengen tot de zaligheid. Deze bestaat hierin dat wij God kennen. Wat van God kenbaar is in de natuur en in de geschiedenis is niet voldoende om ons deze kennis mee te delen. We hebben de bril van de Schrift nodig om de openbaring van God in de schepping te verstaan. En we hebben diezelfde Schrift nodig om het heil in Christus te leren kennen. Eén van de belangrijkste hoofdstukken uit het eerste boek van de Institutie is daaraan gewijd. Door de Schrift leren we God kennen als de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Voordat Calvijn dit uiteenzet, maakt hij twee dingen duidelijk.
Allereerst dat de Bijbel alle vormen van bijgeloof wil uitsluiten en daartoe de enige ware God stelt tegenover de goden van de heidenen. De kennis van de enig ware God, zoals de Bijbel die ons voor ogen stelt, staat in dienst van de vreze Gods en tegelijk bedoelt zij ons vertrouwen op Hem te werken. Vreze Gods én geloofsvertrouwen dienen samen te gaan. We herkennen hier de componenten van de ware vroomheid, zoals deze Calvijn voor ogen staat. Eerbied en gehoorzaamheid, die uitmondt in het dienen van God. Zo wil de Heere de Bijbel gebruiken om kennis van God in het hart te leggen. "Zij nodigt ons namelijk eerst tot vreze Gods en daarna tot vertrouwen op Hem: opdat wij èn door volkomen rechtschapenheid van het leven èn door ongeveinsde gehoorzaamheid Hem leren dienen en ook geheel van zijn goedheid afhankelijk zijn" (Inst. I, 10, 2). Het tweede punt waarvoor Calvijn de aandacht vraagt, bestaat in de afwijzing van iedere vorm van visualisering van ons Godsbeeld. Die laatste term zou Calvijn zeker niet gebruiken, omdat zij teveel in strijd is met het gebod tegen de gesneden, eigen verzonnen beelden van God. Calvijn heeft een groot deel van zijn activiteiten gericht tegen het ontwerpen van godsbeelden. De wijsgeer uit de oudheid, maar ook de moderne mens van zijn eigen tijd had er vele geschapen. De afgoden van de tijd zijn niets anders dan de visualisering, de toekenning van een zichtbare gestalte aan de almachtige Schepper. Men proeft de afkeer van Calvijn tegen de methode die Rome gebruikte in de religieuze kunst, om aan God en ook aan de heiligen een plaats te geven, die het oog, de zinnen, zou kunnen bevredigen. De kennis van God bestaat niet uit het resultaat van onze waarneming door middel van het zien. Wij hóren vanuit de Bijbel de stem van God. "Wij zien dat God duidelijk zijn stem stelt tegenover alle gedaanten, opdat wij zouden weten, dat van God afwijken, allen die zichtbare gedaanten van Hem begeren te hebben" (I, 11, 2). Een stuk hout of steen kan geen beeltenis van God zijn. Voor Calvijn valt dit alles binnen het kader van het te kort doen aan de openbaring van God door zijn Woord. God spreekt ook vandaag door zijn Woord en Geest. Daarom kan men geen beelden gebruiken, die als boeken der leken dienst zouden kunnen doen. Voor Calvijn is dit een onderschatten van de kracht en betekenis van het Woord Gods. Het is tegelijk een onderschatten van die kennis waarover 'leken' kunnen beschikken als zij door God geleerd zijn. De gehele beeldendienst van Rome is niets anders dan een eigenwillig gebruik van een medium dat God niet heeft voorgeschreven. Het doet te kort aan de betekenis en kracht van het Woord Gods, waardoor God zich openbaart en waardoor Hij ons oproept tot de dienst der geloofsgehoorzaamheid. "Naar zijn welbehagen wil God gediend worden zoals het behoort" (1,12,1). In dit verband wijst Calvijn het woordenspel met de begrippen dienen en vereren radicaal af. Wie God wil eren moet Hem dienen en men mag de eer van God aan geen ander geven.
Triniteit
In de Schrift gaat het om de kennis van de enige ware God, die zich in zijn Woord heeft geopenbaard. Voor Calvijn is dit geen andere God geweest dan de eeuwige, enige en drie-enige God. De ware religie steunt op het geloof in de drie-enige, Vader, Zoon en Heilige Geest. Voor Calvijn is de belijdenis van de drie-enige God het hart van de religie, het belangrijkste artikel van ons geloof. Daarom verwondert het ons ook niet dat de laatste editie van de Institutie wat haar indeling betreft trinitarisch van opzet is. De behandeling van de gehele geloofsleer wordt gerubriceerd naar dit schema, zoals we het later voor een deel ook zullen aantreffen in de Heidelbergse Catechismus. Calvijn ontleende dit schema aan de apostolische geloofsbelijdenis, en hij geeft daarvan breder rekenschap in de tweede uitgave van de Institutie (1539). Reeds in de eerste editie uit 1536 heeft Calvijn zich verklaard over de inhoud van de geloofskennis, zoals deze gewerkt wordt door Woord en Geest. Een vergelijking van enkele uitgaven laat zien dat er bij hem van een bepaalde ontwikkeling wel sprake is geweest, hoewel deze evolutie geen wezenlijke verandering van inzicht betekende.
Enkele kenmerkende trekken zijn van meetaf aanwezig geweest. Ik noem de volgende vier: juist hier geldt, dat we te maken hebben met de diepste geheimen van Gods wezen zelf. De grote vooronderstelling die we nimmer uit het oog mogen verliezen is dan ook, dat alleen God een genoegzame getuige is van zichzelf, die niet anders dan door zichzelf gekend kan worden (1,13, 21). Calvijn citeert dit woord van een vertegenwoordiger van de vroege kerk, Hilarius. Hij sluit zich inderdaad wat zijn opvattingen inzake de triniteit aangaat, heel nauw aan bij de kerkvaders en bij de geloofsuitspraken van de vroege concilies. Zijn overtuiging brengt mee, dat de openbaring op dit punt heel sterk het karakter aanneemt van de accommodatie. Dit houdt in dat God zich voegt naar onze kleine en zwakke begrippen. Het betekent eveneens, dat het niet zozeer moet gaan om de vraag wat God is, als wel veel meer om de vraag hoe Hij is. De leer van de triniteit staat in dienst van Gods toewending tot schuldige en verloren mensen, die bekeerd moeten worden tot leerzaamheid.
Een tweede kenmerk van Calvijns spreken over dit hart van het christelijk geloof bestaat in de overtuiging, die geheel strookt met het wezen van zijn theologie, dat alleen de Schrift ons hier kan leiden. Er kan geen sprake zijn van enige invloed van de wijsbegeerte, uit welke school die ook maar zou mogen stammen. Geloof in de drie-enige God vindt zijn diepste en laatste grond in de openbaring van de Schriften. Het is geheel en al in overeenstemming met Calvijns overtuiging wanneer later de Heidelbergse catechismus op de vraag, waarom wij van drie personen spreken, terwijl we immers de eenheid van God belijden, antwoordt: omdat God zich alzo in zijn Woord heeft geopenbaard, dat deze drie onderscheidene personen de enige, waarachtige en eeuwige God zijn. Geen wijsgerige constructie, maar Schriftgeloof bracht Calvijn in het spoor van de vroege kerk en haar belijdenissen tot een hartelijke aanvaarding van de leer der drie-eenheid Gods.
Een derde kenmerk van Calvijns theologie, óók op dit punt bijzonder klaar en duidelijk, bestaat in het feit dat de belijdenis van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest gekenmerkt is door de christologische inzet ervan. Bijzonder helder treedt dit aan het licht in de tweede uitgave van de Institutie, die in Straatsburg tot stand kwam (1539). De Godsopenbaring treedt ons in Christus tegemoet. Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien. En wie Hem gelooft deelt in de rijkdom van de Geest.
Daarom is heel de openbaring, evenals heel de verwerving en toepassing van het heil, een zaak van de drie-enige God. De gehele zaak, die ons leidt tot de kennis van het heil, dient onder de gezichtshoek van deze drie punten: "Het is de zichzelf gevende goedheid van de Vader en diens overvloedige liefde tot het menselijk geslacht, die daarin tot uitdrukking kwam, dat Hij zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar dat Hij Hem voor ons allen heeft overgegeven tot de dood, opdat Hij ons in het leven zou herstellen. Het is de gehoorzaamheid van de Zoon, die een uitvloeisel van goddelijke barmhartigheid is in het volbrengen van ons heil. Het is de macht van de Geest, waardoor de vrucht van de goddelijke goedheid in Christus ons wordt meegedeeld. En hierop slaat, hetgeen Paulus de Corinthiërs toebidt, de liefde van God, de genade van Christus en de gemeenschap van de Heilige Geest. Want uit de liefde van God vloeit ons toe, wat er aan goeds is; in Christus als uit de bron van alle genaden, wordt het ons geschonken; door de kracht van de Geest worden wij deelgenoot van alles wat door de goedertierenheid van God ons wordt aangeboden". Zo blijkt wel heel klaar dat Calvijns
opvatting van het heil trinitarisch van aard is. Zij doelt op de persoonlijke toe-eigening. Dit is een vierde, beslissende karaktertrek van de leer der drie-eenheid van God. In dit licht is een telkens onderstreepte relatie zeer treffend te noemen. We doelen op het verband dat van meetaf door Calvijn gelegd wordt met het sacrament van de Heilige Doop. Men kan dit zien als een noodzakelijke voorwaarde voor het verstaan van de doop. Men kan het ook zien als een verwijzing naar het geheim van de drie-eenheid van God. In ieder geval is het opmerkelijk dat Calvijn de eenheid van het geloof zoals dit rond de doopvond openbaar wordt, nauw verbindt met de eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest. De kennis van Vader, Zoon en Heilige Geest behoort tot die geloofskennis, die niet alleen het geloofsgeheim als geopenbaarde kennis aanvaardt op gezag van de Schrift, maar die tegelijk het hart vervult met een vertrouwen, dat uit de overtuiging voortvloeit. Deze gerichtheid op de persoonlijke experientia, op de bevinding of ervaring maakt van het geloofsleven een rijk geschakeerd leven, waarin schepping, herschepping en verwachting een plaats ontvangen vanuit de kennis van God. Zij laat de mens niet leeg. Zij vult integendeel het leven vanuit de diepe bronnen van God zelf. Het zijn deze vóórtekenen, die ons duidelijk laten zien dat Calvijn belijdenis van de drie-enige God, als een hooggestemde lofzang heeft willen losmaken uit de harten der gelovigen.
Ontwikkeling
De grondtoon van hetgeen Calvijn laat horen is, zoals we opmerkten, van meetaf gelijk geweest. Er is niettemin sprake van een zekere ontwikkeling. Vergelijken we de eerste uitgave van de Institutie met de laatste, dan is er een verschil in de breedte van behandeling. In 1536 omvat het thema slechts enkele bladzijden. In de laatste uitgave is er sprake van een breed uitgewerkt en zorgvuldig behandeld onderwerp. Dit verschil is wel te verklaren. In de eerste, kleine Institutie treft ons een zekere onbevangenheid in de wijze waarop Calvijn te werk gaat. Hij waakt er voor om met strijdlustige lieden zich in gevecht te begeven. Hij wil leergierigen bij de hand leiden. Vaste grond is er voor hen die de Schrift laten spreken. Zij weet van één God en spreekt niet over verscheidene en toch verklaart zij in geen duistere termen, dat de Vader God is en dat de Zoon God is en dat de Heilige Geest God is. Calvijn verwijst hier, zoals we reeds opgemerkt hebben, eenvoudig naar de doop: "Zoals de doop één is, zo is ook het geloof één, aangezien beide tot de éne God behoren. Hieruit volgt eveneens dat men niet anders dan in de éne God gedoopt kan worden, omdat wij gedoopt worden in het geloof in Hem, in wiens Naam wij gedoopt worden. Wanneer verder de Schrift wil (Matt. 28: 19), dat wij in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest gedoopt worden, heeft zij daarmee tegelijk gewild, dat allen met één geloof in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest geloven. Maar wat betekent dit anders, dan dat men klaar en duidelijk getuigt, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest één God zijn?" Calvijn heeft deze verwijzing naar de doop ook toegepast in zijn exegese van Ef. 4: 5. In een preek over diezelfde tekst werkt hij met dezelfde gedachte: er is één doop, één geloof en één God. Voor hem is de doop een sacrament van de eenheid, maar dan van een eenheid die gegrond is in het geloof in de drie-enige God zelf. Het is een oecumenisch geloofsartikel van de eerste orde, en wie zich buiten deze grens begeeft, begeeft zich buiten het christelijk geloof, zoals dit van meetaf in de christelijke kerk beleden is.
Calvijn accepteert de woorden en begrippen die op de vroeg-christelijke concilies werden gebruikt om het geloofsgeheim te bewaren. Voor hem is het eigenzinnigheid, wanneer men woorden verwerpt, "die niets anders willen dan uitleggen wat door de Schriften betuigd en bekrachtigd is". Wij dienen inderdaad de regel voor ons denken en spreken aan de Schrift te ontlenen. Gemeten aan die maatstaf kan men plaatsen uit de Schrift die moeilijk zijn met duidelijke woorden ter sprake brengen. Dit geldt ook voor andere zaken en begrippen. De vroege kerk zag zich genoodzaakt om haar gevoelen helder uiteen te zetten. Zij gebruikte daartoe begrippen, die moesten verhinderen dat goddelozen "voor wie het omhulsel van lege woorden zou kunnen dienen tot een schuilplaats van hun dwalingen" zich van verborgen sluipwegen zouden bedienen. Calvijn billijkte dit woordgebruik en gaf als zijn belijden het volgende weer: "dat als er sprake is van één, daaronder verstaan moet worden de eenheid van wezen; en wanneer wij van drie horen, dat er dan in dit éne wezen niettemin drie bijzondere wezenseigenschappen onderscheiden moeten worden".
Strijd
Het heeft Calvijn behoorlijk gestoken dat hij door één van zijn vroegere Parijse kennissen, Pierre Caroli in 1537 samen met Farel beschuldigd werd van de loochening van de godheid van Christus. De aanklacht was fel en Calvijn heeft het nimmer vergeten. Die aanklacht raakte het centrale punt van zijn theologie, wellicht een reden waarom hij niet bereid was om op dit punt aan deze wispelturige figuur, want dat was Caroli, tegemoet te komen. Het werkte wel uit dat Calvijn in de latere uitgaven van de Institutie breder aandacht schonk aan het leerstuk, waarvan voor hem het wezen van de christelijke religie afhankelijk was. De felheid van het verzet tegen Michaël Servet zullen we ook hieruit moeten verklaren, hoewel er in het optreden van Calvijn hier en daar van onduidelijkheid, onzekerheid en ook tweeslachtigheid sprake is. De Italianen, de Polen, met wie Calvijn later op dit punt in conflict raakte, hebben hem aanleiding gegeven om over de drie-eenheid van God bredere tractaten te publiceren. We gaan daarop nu niet in, omdat wat het wezen van dit leerstuk betreft voor Calvijn vast stond dat hij een leerling van de Schriften was. Daarin heeft hij zijn kracht gezocht. Zijn werk geeft daaromtrent een helder beeld. Wat Calvijn aan Schriftbewijs te berde bracht stamde voor een deel uit de geschriften van de kerkvaders, evenals uit de beslissingen van de eerste concilies. We vinden zijn argumentatie grotendeels ook terug in de boeken van middeleeuwse theologen. De gereformeerde traditie ademt dezelfde geest. De leerlingen van Calvijn hebben zijn Schriftbewijs overgenomen en zo heeft men de wacht betrokken bij dit kem stuk van de ware religie. Daarin gaat het om de essentie van wat de Bijbel bedoelt, wanneer er over de Vader gesproken wordt. Daarin gaat het niet minder om de eeuwige diepten van Christus' verlossing. En daarin gaat het evenzeer om de waarachtigheid van een geestelijk leven, dat uit Christus leert putten, voor de Vader leert leven en waarin tevens van dag tot dag ervaren wordt hoezeer wij afhankelijk zijn van de gemeenschap van de Heilige Geest. We spreken van een triniteit der verlossing. En deze ligt daarom vast, omdat zij verankerd is in het wezen van God Drie-enig. Daarom is ons heil wezenlijk een zaak buiten ons, maar geopenbaard in Christus in wie al des Vaders welbehagen te vinden is, zoals de Geest het ons in zijn Woord openbaart en verzegelt. Daarom zegt een christen niet allereerst dat hij een leerstuk aanhangt, maar: Ik geloof in de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
