De Institutie van Calvijn (3)
In dit nummer het derde deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
Drie fronten
Calvijn zag zich in zijn reformatorische werkzaamheid vanuit het nieuwe verstaan van het Evangelie vooral geplaatst tegenover drie frontlijnen, die voortdurend zijn waakzaamheid vereisten. De sporen daarvan zijn terug te vinden in zijn Institutie. We denken allereerst aan het conflict met Rome. Daarnaast had hij zijn aandacht te richten op de activiteiten van dopers en geestdrijvers. Hun opvattingen worden in de Institutie op principiële gronden afgewezen. Als derde groep die eveneens zijn verzet wakker riep, is te denken aan de zogenaamde Libertijnen, ook wel Epicureeërs genoemd, naar een klassieke richting uit de wijsbegeerte. We zouden bij hen ook de 'Nicodemieten' kunnen rekenen, die er moeite mee hadden om openlijk uit te komen voor de belijdenis van het Evangelie. Het zou verkeerd zijn wanneer we uit deze driedelige frontsituatie wilden afleiden, dat Calvijns houding ingegeven was door een negatieve instelling. Hij was niet bij voorbaat op zoek naar afwijkende meningen. Zijn positiekeuze vloeide voort uit een zeer positieve instelling, die ontleend was aan de rijkdom van het evangelie der genade. Waar hij dit Evangelie in gevaar zag, wist hij zich geroepen te waarschuwen. Vandaar dat hij met deze groeperingen permanent op polemische voet leefde.
Dit laatste gold vooral de kerk van Rome. Ook de opvattingen en handelingen van de geestdrijvers en de Libertijnen riepen zijn verzet op. Wij beperken ons nu echter tot zijn verzet tegen de pauselijke kerk.
Conflict met Rome
Calvijn maakte in de jaren dertig van de zestiende eeuw een verandering mee, die zijn bekering werd. Hij omschreef deze zelf in 1557 als een getrokken worden uit de diepe afgrond van het bijgeloof van het pausdom: God had uiteindelijk door een verborgen teugel van zijn voorzienigheid de gang van zijn leven veranderd, en wel toen hij zo hardnekkig toegewijd was aan de bijgelovigheden van het pausdom, dat het heel moeilijk was om hem uit die diepe modderpoel te trekken. Zijn hart was gezien zijn leeftijd bijzonder verhard. Maar door een plotselinge bekering bracht God hem tot leerzaamheid. Het verwondert ons niet, dat deze ingrijpende verandering een totaal andere instelling meebracht tegenover de kerk van Rome.
We kunnen de Institutie lezen tegen deze achtergrond. Calvijns beschrijving van de Franse kerk in de brief die hij aan de Institutie doet voorafgaan, gericht aan de koning van Frankrijk, is veelzeggend. De waarheid van Christus is verdreven en verstrooid. Zij is als het ware begraven en onbekend geworden. De priesters zijn de aanstichters geworden van de hete vervolging. Het interesseert hun niet wat iemand echt gelooft, wanneer men maar bereid is zijn verstand aan het oordeel van de kerk te onderwerpen. Men mag openlijk God lasteren, als men maar geen vinger opheft tegen het primaat van de pauselijke stoel en het gezag van de heilige moederkerk. Men strijdt met bitterheid voor de mis, het vagevuur, bedevaarten en dergelijke onbenulligheden. Calvijn verdenkt prelaten en priesters er van dat zij deze religiositeit staande willen houden om de buik. Hun rijk mag geen einde hebben. Zij beroepen zich telkens op de kerkvaders.
Die leerden echter heel wat anders. Hun beroep op de concilies deugt evenmin. Van hun verwijzing naar de apostolische stoel geldt hetzelfde. Calvijn verzet zich tegen de opvatting dat de priester die op deze stoel zetelt in feite de kerk als zodanig voorstelt of representeert. Men moet door de paus en zijn bisschoppen gewijd zijn, want dan weet men zeker dat de kerk niet kan dwalen. Uit het woord vooraf aan Frans I blijkt Calvijns gedachte over de pauselijke kerk. Zij komt overigens in de Institutie zelf ook duidelijk uit.
Hiërarchie
Calvijns kritiek op de kerk van Rome betreft voornamelijk haar structuur. De hiërarchie die zij vormt betekent dat ieder voor de zaligheid van haar afhankelijk is. Daarnaast tekent Calvijn ook telkens bezwaar aan tegen de wijze waarop binnen dit instituut en aan haar universiteiten de theologie wordt bedreven. Daarmee waren de twee factoren aangeduid die ook door de andere reformatoren genoemd werden. Hiërarchie en scholastieke theologie, zij hingen op een bepaalde manier met elkaar samen. Al voor Luther wasgewijzigd werden overgenomen. Zij leggen getuigenis af van zijn grote kennis van de kerkgeschiedenis. Calvijn handelt uitvoerig over de vijf roomse sacramenten, die door de Reformatie werden afgewezen. Ook bespreekt hij in dit stuk de opkomst van het pausdom en de ontwikkelingen die zich in de pauselijke kerk hebben voorgedaan. Het is duidelijk dat de rooms-katholieke kerkelijke structuur als zodanig bij hem zwaar onder vuur ligt. Zij was volgens hem niet geschikt om de vrije doorgang voor de boodschap van het Evangelie te waarborgen. De visie op ambt en gemeente bij Rome wees Calvijn met kracht van de hand. dit het geval. De reformator uit Wittenberg heeft al in 1520 de muren van de hiërarchische burcht geslecht. In zijn traktaat 'Aan de christelijke adel' verdedigde hij toen de stelling dat iedere christen "die door de doop gekropen was" een gewijde priester is. Rome leerde, dat de priester uit kracht van de sacramentele wijding die hij ontvangen had, beschikte over een buitengewone macht om Christus te representeren. De kerk was verdeeld in twee lagen: de geestelijken die de bovenlaag vormden en de leken die voor hun zaligheid van de eersten afhankelijk waren. Aan het hoofd van de geestelijke piramide stond de paus met de volmacht om als opperherder van de hele kerk te beschikken over tal van geestelijke bevoegdheden. Van hem was in feite alles afhankelijk, omdat onder zijn handen via de apostolische successie, de geestelijke macht in de kerk verspreid werd. Het was dit punt dat Calvijn breed heeft beschreven in het laatste boek van de Institutie. De eerste druk uit 1536 laat al duidelijk zien, dat hij er bijzondere aandacht aan gewijd heeft. Het laatste deel ervan beslaat vele bladzijden, die in latere edities vrijwel onongewijzigd werden overgenomen. Zij leggen getuigenis af van zijn grote kennis van de kerkgeschiedenis. Calvijn handelt uitvoerig over de vijf roomse sacramenten, die door de Reformatie werden afgewezen. Ook bespreekt hij in dit stuk de opkomst van het pausdom en de ontwikkelingen die zich in de pauselijke kerk hebben voorgedaan. Het is duidelijk dat de rooms-katholieke kerkelijke structuur als zodanig bij hem zwaar onder vuur ligt. Zij was volgens hem niet geschikt om de vrije doorgang voor de boodschap van het Evangelie te waarborgen. De visie op ambt en gemeente bij Rome wees Calvijn met kracht van de hand.
Theologie
Dit ging gepaard met een even krachtige bestrijding van de roomskatholieke theologie. Calvijn was wat de theologie betreft geen professionele theoloog. Zijn studie aan de universiteit had zich voltrokken volgens een klassiek schema, waarbij echter het einddoel niet in de theologie lag, maar in de rechten. Zijn eerste vorming betrof vooral de studie van de talen. Daarnaast oefende hij zich in wat men tegenwoordige de a-vakken zou noemen: retorica en logica. Toen zijn vader overleed voelde Calvijn zich vrij om een andere studierichting te kiezen. Het werd eerst de klassieke oudheid die zijn belangstelling trok. Na 1533 was het voornamelijk de theologie. Hij las vooral de kerkvaders en raakte ook voldoende bekend met de middeleeuwse scholastieke theologie. Zijn kennis daarvan versterkte hem in het oordeel dat de scholastiek een afwijking betekende van de bijbelse theologie. Zo kon hij instemmen met het oordeel dat Luther over de scholastieken van de middeleeuwen velde. Het was negatief, vooral omdat deze theologie zich liet leiden door een rationeel en ethisch optimisme. Calvijn veroordeelde beide even sterk als Luther. De theologen van de Sorbonne, de destijds befaamde faculteit van de universiteit van Parijs, moesten het vooral ontgelden.
Twee bezwaren zijn het vooral die we bij Calvijn tegen komen. Allereerst de futiliteit van hun wetenschap. Zij gingen in op problemen die Calvijn aanduidde als speculaties, nutteloze tijdverkwisting, omdat zij geen bijdrage leverden aan de werkelijke vroomheid. Ook Erasmus had deze kritiek geuit. Hij had in zijn Lof der zotheid de belachelijkheid van deze vorm van theologie bedrijven aan de kaak gesteld. Calvijn was wars van zulke toernooien in de logica. Dit hing samen met zijn overtuiging dat het in de echte theologie moest gaan om de vermeerdering van echte kennis van het geloof en om wasdom in de genade. Kortom hij bepleitte een ware vroomheid in heel het leven. We kunnen zeggen dat het hem te doen was om de zedelijkheid van het ware geloof, een trek die we in heel zijn theologie aantreffen. Het gaat dan om de samenhang tussen rechtvaardiging en heiliging, vergeving en vernieuwing.
Een tweede bezwaar komt telkens naar voren, wanneer Calvijn het wapen opneemt tegen de theologie van de Sorbonne. Het is gelegen in het gebrek aan zekerheid, waarvan deze theologen blijk geven. Voor hemzelf berustte het geloof op een vast vertrouwen in de belofte van God, waardoor het hart in alle omstandigheden een onwankelbare zekerheid bezat. De 'Sorbonnisten', zoals Calvijn deze theologen uit Parijs noemde, kwamen niet verder dan een gissen naar de zekerheid. Hun geloof was ethisch van aard en het was niet alleen in zekere zin vertegenwoordigd en opgenomen in het geloof van de kerk. Daardoor kon het een onpersoonlijk karakter verkrijgen. Het was daarnaast ook volstrekt afhankelijk van de eigen prestaties, wanneer het de zekerheid zocht. Calvijn sprak over Gods genade en vond daarin de grond van het vaste vertrouwen en van de zekerheid van het geloof. Er is immers in het menselijke denken en evenmin in het menselijke doen, enige grond te vinden voor vastheid en vertrouwen.
Wanneer we vaststellen dat deze twee aspecten vooral Calvijns apologetische verhouding tegenover Rome bepaalden, mogen we niet denken dat Calvijn alle rooms-katholieken als het ware over één kam scheerde. Zijn afkeer van de hiërarchische structuur van de kerk en zijn bestrijding van de scholastieke theologie waren zeer duidelijk. Zij bleven vanaf het begin tot het einde hem begeleiden. Zij verblindden hem echter niet, zoals blijkt uit enkele opmerkelijke feiten.
Godsdienstgesprekken, brief aan Sadoletus
Allereerst denken we aan Calvijns deelnemen aan de godsdienstgesprekken die rond 1540 tussen protestanten en rooms-katholieken werden gevoerd. Calvijn maakte een deel van deze gespreksronden mee. Ze waren georganiseerd door de keizer. Deze hoopte de tegenstellingen in zijn rijk te overbruggen door in afwachting van een generaal concilie de zaak van een binnenkerkelijke reformatie in eigen hand te nemen. Calvijn nam deel, omdat men hem daartoe uitgenodigd had vanwege zijn kennis van de kerkvaders. Het kwam in Regensburg (1541) tot een zekere overeenstemming tussen de partijen. De rechtvaardiging door het geloof kon zo geformuleerd worden dat de gesprekspartners elkaar de hand konden geven. Calvijn stemde daarmee in, hoewel hij met de formule niet helemaal gelukkig was. Hij zal vooral gedacht hebben aan de mogelijkheden die ontstonden om in een gezamenlijk Duitse alliantie de Franse protestanten te hulp te komen. Hoe dit ook zij, hij verdedigde het resultaat in een bief aan Farel. Daaruit blijkt dat zijn vermogen om zich flexibel op te stellen al in het begin van de jaren veertig aanwezig was.
De breuk tussen de partijen trad eerst goed aan het licht toen het ging over de leer omtrent de kerk en haar gezag en haar sacramenten. Dat Calvijn intussen over de rechtvaardiging door het geloof zuiver reformatorisch dacht, blijkt uit een brief, die hij omstreeks dezelfde tijd schreef aan kardinaal Sadoletus. Deze had zitting in een pauselijke commissie voor de hervorming van de kerk en voor de voorbereiding van een concilie. Het rapport dat deze commissie vervaardigde trok de aandacht van Bucer en anderen.
Toen Calvijn in 1538 uit Genève werd verbannen, trachtte Sadoletus de stad terug te brengen in de schoot van de moederkerk. Hij schreef een brief die door Calvijn uitvoerig werd beantwoord. Dit geschrift behoort tot een van de fraaiste apologieën van de Reformatie tegenover Rome. Calvijn verdedigt zich tegen de verdachtmaking dat hij om zich te verrijken naar Genève had begeven. Dergelijke argumenten kon hij gemakkelijk weerleggen. Hij wees de kardinaal op het hoge motief, dat een mensenleven moet bewegen, namelijk de ijver voor de eer van God. 'Een christenhart moet zich hoger verheffen dan het zoeken en worstelen om eigen zaligheid'. Het moet zich bekommeren om de ware dienst van God.
Op dit punt concentreert Calvijn zijn argumentatie. Hij vraagt daarbij alle aandacht voor het Woord van God. Immers in de Bijbel heeft God gezegd hoe Hij gediend wil worden. Hier wijst Calvijn op de noodzakelijke verbintenis tussen Woord en Geest: "Omdat God tevoren zag, hoe gevaarlijk het is, om zonder het Woord zich op de Geest te beroemen, daarom heeft Hij de leiding van de kerk zeker door de Geest beloofd, maar opdat dit niet onzeker zou zijn en onbestendig, heeft Hij dit gebonden aan het Woord". De Geest is niet beloofd om een nieuwe leer te openbaren, maar om de waarheid van het evangelie in de harten van de mensen in te drukken. In dit verband wijst Calvijn treffend op de overeenkomst tussen Rome en de sekten van zijn dagen. Op het eerste oog schijnen zij niets met elkaar gemeen te hebben, "want wat voor gelijkenis heeft de paus met de wederdopers? En toch, de duivel kan zich nimmer zo listig verkleden, of men ziet dat hij zich in een klein onderdeel verraadt: beide trachten met hetzelfde hoofdwapen ons murw te maken. Wanneer zij namelijk tot vervelens toe zich beroemen op de Geest, hebben zij niets anders op het oog, dan dat zij bij het onderdrukte en begraven Woord van God plaats maken voor hun eigen leugengebouw".
Calvijn heeft zeer zorgvuldig in zijn brief aan Sadoletus diens argumenten weerlegd. Ook in de belijdenis van de rechtvaardiging van het geloof treedt zijn opvatting helder aan het licht. Opvallend is daarbij de zeer persoonlijke toon, die zijn brief kenmerkt. Wij kunnen zeggen dat hier blijkt dat hij zijn gesprek met Rome voert op een zakelijke manier, waarbij hij zelf op het allernauwst subjectief betrokken is. Het is tekenend voor Calvijn, dat hij zich in zijn apologie niet alleen voor het forum van de wereld weet. Hij beleeft zijn zaak voor en onder het oog van God, met de ernst van het laatste gericht.
Ware oecumene en katholiciteit
Ook al kunnen we die directe intonatie niet op iedere bladzijde van de Institutie aantreffen, het is niet moeilijk om haar ook daar waar te nemen. Zakelijk zuiver, met kennis van de feiten, weerlegt hij de dwalingen die hij bij Rome meent te moeten aanwijzen. Tegelijk spreekt ook hier de mens, die zich voor Gods aangezicht weet. Gesteund door het Woord van God, doet hij een beroep op zijn lezers om zich aan de Heere zelf gewonnen te geven. Juist hier is het Calvijn te doen om de bescherming van de ware vroomheid, die nooit in groter gevaar komt, dan waar vormendienst en bijgeloof haar bedreigen. Waar Calvijn echter ook bij Rome nog deze ware vroomheid aantreft, aarzelt hij niet deze als zodanig te erkennen. Dat de kerk op zichzelf genomen niet meer de trekken vertoont die de Schrift aanwijst, staat voor Calvijn vast. Zoals gezegd berust dit oordeel voornamelijk op de hiërarchische structuur, die aan haar een pauselijk karakter verleent. Daar komt nog bij de kwestie van het leergezag, dat Rome zichzelf toekent, en waarmee het de vrijheid van de Geest in zijn binding aan het Woord tegenstaat. Maar dit betekent niet dat er binnen deze kerk geen ware gelovigen meer kunnen zijn. Calvijn doet alles om hen op te bouwen. En ook daarin zien we één van de belangrijkste motieven, die hem bezield hebben om zijn Institutie op de hoogte te brengen van de tijd. Het authentieke katholieke karakter van de kerk heeft hij nimmer prijs gegeven. Hij wees de dwalingen af, om de waarheid te laten uitkomen in volle majesteit.
We staan hier ook voor één van de sterkste beweegredenen voor zijn oecumenisch streven. Hij had daarbij zeker de Franse gelovigen op het oog. Misschien wel in de eerste plaats. Maar dit betekende niet dat dit in mindering kwam op een brede oecumeniciteit. Deze werd gevoed door het besef van de eenheid van de gelovigen en daarmee ook tegelijk door het verlangen naar de zichtbare eenheid van de kerk. Tegenover de oecumeniciteit van een bovenlokaal, internationaal opererend hiërarchisch instituut plaatste hij de eenheid der gelovigen in Christus door de kracht van Woord en Geest.
Dat hij binnen deze gedachtegang Rome een sekte noemde, betekende voor hem de keerzijde van de belijdenis: ik geloof een heilige, algemene of katholieke, christelijke kerk: de gemeenschap der heiligen. Voor die kerk heeft hij zich met alle gaven waarover hij beschikte ingezet. In de dienst van haar eeuwig Hoofd en Koning.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
