Bidden met verwachting
Tijdens de IRS-conferentie in Rhederoord die in februari jl. gehouden werd, heeft Dr. W.H. Velema een lezing gehouden over 'Bidden met verwachting'. Het eerste deel van een samenvatting van deze lezing treft u hieronder aan.
Calvijn over het gebed
De formulering van het thema doet de vraag rijzen: "Kun je ook bidden zonder verwachting? Is het eigenlijk wel een waar gebed, waaraan de verwachting ontbreekt?" Calvijn heeft de kenmerken van het ware gebed voor ons onder woorden gebracht. Allereerst de innerlijke concentratie. Wie gaat bidden zal zich met zijn hart, dat is met zijn denken en voelen, op God richten. In ons ouderlijk huis was mijn vader vaak een ogenblik stil voordat hij het gebed aan tafel ging uitspreken. Als kinderen vonden wij dat wel eens lastig. Waarom niet direct begonnen? Om je gedachten af te brengen van de dingen en de mensen om je heen en ze op God te richten. Vervolgens hoort bij het ware gebed het waarachtige verlangen. Dat is dat we met ons hart begeren God te ontmoeten en van Hem het gevraagde te verkrijgen. In de derde plaats wijst Calvijn op ootmoed voor God. Dat wil zeggen: "Het besef dat we het niet waard zijn te bidden en geen recht op verhoring hebben. De ootmoed van zondekennis en schuldbelijdenis." Tenslotte als vierde: een zekere hoop op verhoring. Hiermee zijn we bij het thema. Zonder hoop op verhoring kan een mens niet met heel zijn hart bidden. Dat wil dus zeggen: een gebed is een gebed met verwachting, of het is geen doorleefd en waarachtig gebed.
Mozes en Paulus
Toch zijn er in de Bijbel gebeden die door God met 'neen' worden beantwoord. Mozes en Paulus hebben beiden een 'neen' te horen gekregen en daarbij zelfs de vermaning: "Spreek Mij niet meer over deze zaak". Men kan het gebed en Gods afwijzend antwoord vinden in Deuteronomium 3:26 (zie ook 4:21) en in 2 Korinthe 12:7-9. Wellicht dat om deze redenen het thema geformuleerd is zoals het luidt. Kunnen we altijd de verhoring verwachten? Betekent bidden met verwachting dat we altijd van God ontvangen wat we van Hem begeren? Stellig is dat niet het geval. Denk aan Mozes en Paulus. De HEERE hoort wel altijd. Hij verhoort niet altijd zoals wij dat graag willen. Er zijn gebeden waarvan we pas in de eeuwigheid zullen zien hoe ze verhoord zijn geworden. Het gaat erom te bidden in Jezus' Naam. Dat is het thema van deze conferentie. We lezen daarover in Johannes 16. U weet dat de hoofdstukken 14-16 uit het Evangelie naar Johannes wel getypeerd worden als de afscheidsgesprekken die de Heere Jezus met Zijn discipelen voert.
Jezus en het gebed van de discipelen
De Heere Jezus staat aan de vooravond van het grote lijden. Hij kijkt met Zijn discipelen naar de toekomst; over het lijden en de opstanding heen naar de tijd van Pinksteren. De Heilige Geest zal de plaats van de Heiland innemen; overigens zonder dat de discipelen van de Heiland zullen vervreemden. De Geest doet hen delen in de vruchten van Zijn offer. Eén van die vruchten is het directe contact met de Vader. Vandaar dat we lezen: "In die dag zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u niet dat Ik, de Vader, voor u bidden zal (Joh. 16:26). Dit vers roept vragen op. Zegt Paulus dan niet dat we een voorspraak bij de Vader hebben (Rom. 8:34) en lezen we niet in
Hebreeën 7:25 datjezus volkomen kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan? Let op de motivering van dat volkomen zalig maken: alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. De volkomen zaligheid hangt niet alleen af van Jezus' verlossingswerk op aarde, maar ook van Zijn voorbede in de hemel. Hoe kan de Heere Jezus dan zeggen dat Hij niet voor hen zal bidden? We moeten letten op het verband. Dat noemen we tegenwoordig de context. Tot dan toe hebben de discipelen niet gebeden in Jezus' Naam. Dat wil zeggen: ze hebben in hun gebeden nog niet de betekenis van Jezus' offer verwerkt. Ze zijn nog niet zelf tot God de Vader gegaan, pleitend op het verlossingswerk van de Heere Jezus. Straks als de Geest in hen komt en hen in al de waarheid leidt (vers 13), dan zullen ze de betekenis van Jezus' offer voor hun relatie tot de Vader verstaan. Dan hoeft Hij niet voor hen te bidden, maar dan zullen ze het zelf doen: niet buiten Hem om, maar juist met een beroep op Zijn persoon en Zijn werk. Net als ouders voor hun kinderen bidden, maar tegelijk zeggen: je moet zelf ook met eigen woorden tot God gaan. De bemiddelende functie van de Heere Jezus valt niet weg. Ze zullen immers bidden in de Naam van Jezus. Daardoor wordt hun relatie tot de Vader directer. Daarom is Jezus op aarde gekomen. Hij brengt hen bij de Vader terug. Straks in de hemel zal Hij nog wel voor hen bidden. Denk aan de twee hierboven genoemde teksten. Die voorbede is zelfs wezenlijk voor hun behoud. Maar ze zullen door het offer van Jezus ook zelf direct toegang tot de Vader krijgen. Dus de persoon en het werk van Jezus is de grond van hun gebed en van hen verhoord worden door de Vader. Zo past Jezus de winst van Zijn verlossingswerk toe op hun omgang met de Vader. Die wordt verdiept en verrijkt. Die wordt directer. Daarvoor is Jezus op aarde gekomen. Zo haalt de Heere Jezus - als ik het zo mag samenvatten de oogst van Zijn verlossingswerk binnen. Het legt de betekenis van Zijn verzoenend werk uit voor hun gebedsrelatie tot de Vader. Daarom mogen we bidden met verwachting. Betekent dit dat we altijd en alles krijgen wat we van de Heere vragen? Dit is voor ieder een probleem.
Het gebed van Salomo
Ik ga even terug naar het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel (1 Koningen 8:12-30). Hij bidt in vers 29, dat de ogen des Heeren dag en nacht open zullen zijn over dit huis, waarvan Gij gezegd hebt: "Mijn Naam zal daar zijn, om te horen naar het geroep en het gebed dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt". Salomo spreekt over Gods ogen (dat allereerst), dan over Gods oren, terwijl hij ook de Naam van God noemt en aanspreekt. Bidden is een beroep doen op Gods ogen. Dat is de liefdevolle aandacht van Zijn hart. Dan ook op het luisterend oor van God. En dat alles op grond van de Naam waarmee God Zich aan ons openbaart en waarmee Hij door ons wil worden aangesproken. We trekken nu een lijn van dit gebed in het Oude Testament naar Hebreeën 4:16, waar de schrijver zegt: "Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd." De tempel in het Oude Testament was een voorafschaduwing van de troon der genade in het Nieuwe Testament. Uit de troon schenkt God barmhartigheid en genade. Alles wat we van God vragen is alleen te verkrijgen in het kader - mag ik zeggen: in de verpakking - van barmhartigheid en genade! Daarop zal ons gebed allereerst gericht zijn. Wat God verder geeft, hebben we alleen te verwachten als geschenk vanuit Zijn barmhartigheid en genade. Dat is Gods erbarmen met ons zondaren, en Zijn goede, genadige gezindheid en gunst, terwijl wij het tegendeel verdienen.
Het vervolg van dit artikel wordt in het volgende nummer opgenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
