De Institutie van Calvijn (2)
In dit nummer het tweede deel van een reeks artikelen over Calvijn en zijn Institutie. Prof.dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.
De man van één boek
Men heeft Calvijn dikwijls de man van één boek genoemd, omdat hij vooral bekend is geworden door de uitgave van de Institutie. Een kwart eeuw heeft hij er aan gewerkt. De eerste editie kwam in Bazel van de pers in •1536. Hij had daarvoor reeds het een en ander ter voorbereiding gedaan. Dit moet reeds het geval zijn geweest toen hij nog in Frankrijk was in de tijcl waarin hij zich schuil moest houden. Men mag aannemen dat hij al in 1534 zijn plannen gereed had voor de uitgave van dit werk. De laatste en definitieve bewerking van de Institutie waaraan Calvijn, zoals hij zegt, met voldoening gewerkt heeft, verscheen in 1559. Toen eerst was de auteur zelf tevreden over zijn werk en kon hij zeggen dat hij het nu in een vorm kon aanbieden die hem voldeed. Vijfentwintig jaar bezig met een boek? Inderdaad, men kan vragen of Calvijn zelf daarmee de betekenis van de Institutie niet heeft aangegeven. Hij beschouwde het blijkbaar als één van de vele levenstaken die hem was opgelegd. Het is de moeite waard, om een vergelijking te treffen tussen de eerste en de laatste uitgave.
De uitgave van 1536
In 1536 verscheen het boek, dat toen slechts een geringe omvang had. In 514 kleine pagina's bood Calvijn een zeer gecomprimeerde heilsleer, die vooral bedoeld was om de eerste beginselen van het christelijk geloof uiteen te zetten. Hij had daarbij vooral de gelovigen in Frankrijk op het oog, die "door ijver voor de religie waren aangeraakt". Men sprak over een kleine catechismus. Zo was het werk inderdaad ook bedoeld. De vorm van vraag en antwoord ontbrak er aan. De stof werd in zes hoofdstukken ondergebracht. Voorbeeld voor de opzet was de catechismus van Luther. Zo verklaren we dat er eerst een hoofdstuk was over de wet, vervolgens over het geloof en daarna over het gebed. Dit was sinds jaar en dag de gebruikelijke opzet bij de catechese. Een mens hoeft niet zo veel te weten. Als hij hetgeen hij weet slechts op de goede wijze kent. De wet hoort daarbij, ook het geloof en dan vooral het gebed: Tien geboden, apostolisch geloof en het volmaakte gebed, met daaraan toegevoegd een hoofdstuk over de sacramenten van doop en avondmaal.
We mogen ook aannemen dat Calvijn dit gedeelte nog in Frankrijk heeft opgezet. In Bazel heeft hij er twee hoofdstukken aan toegevoegd. Een uiteenzetting over de vijf zogenaamde sacramenten, waarbij een beeld getekend werd van de kerk die in zijn vaderland zich vooral presenteerde als de hiërarchie die steunde op de macht van de priesters en bisschoppen. In het laatste hoofdstuk is het nog duidelijker dat Calvijn de kerk van Frankrijk op het oog heeft zoals zij in zijn dagen zich vertoonde. Hij spreekt in dit gedeelte over de christelijke vrijheid. Zij werd in Frankrijk getiranniseerd. Ook spreekt hij over de kerkelijke macht en over de burgerlijke regering: beide berustten in zijn dagen bij een kleine aristocratische minderheid, gesteund door een vorst die zich maar al te graag liet bewieroken. Frans I leek geponeerd voor een kerkelijke vernieuwing. Maar toen het er op aan kwam, verdrukte hij degenen die naar Gods Woord wilden leven op een meedogenloze manier. In het midden van de jaren dertig woedde de vervolging heftig, gesteund door het hof en door de theologische faculteit van Parijs. We hebben daaraan de apologie te danken, die Calvijn schreef aan het adres van Frans I, en die hij in elke volgende uitgave van de Institutie liet opnemen. Het was een pleitrede zoals Cicero in de klassieke oudheid zijn gehoor wist te boeien. Calvijn zette uiteen dat de protestanten in Frankrijk niets te maken hadden met de revolutionaire wederdopers, waarvoor de koning hen wilde laten doorgaan. Múnster in Westfalen was in deze jaren een begrip voor revolutie en geweld. Maar daarmee hadden de gelovigen in Frankrijk geen enkele relatie.
Apologie
Calvijn heeft in 1557, bij de uitgave van zijn commentaar op de Psalmen, de gelegenheid aangegrepen om te vertellen wat hem in 1536 bewoog. De passage herinnert aan zijn vertrek uit Frankrijk, waarbij hij de bedoeling voorat om in Duitsland rustig te kunnen studeren. Hij schrijft als volgt: "Maar zie, terwijl ik in Bazel woonde, en daar als het ware verborgen was en bij weinig mensen bekend, verbrandde men (de officiële instanties, redactie) in Frankrijk vele gelovige en heilige personen. En toen het gerucht daarvan bij vreemde naties kwam, werden deze brandstapels heel slecht beoordeeld door de Duitsers, zodat zij wrevel opvatten tegenover de bedrijvers van deze tirannie. Om dit te kalmeren bracht men kleine boekjes in omloop, ellendig en vol van leugens: men behandelde geen anderen dan alleen de wederdopers en opstandige lieden, die door hun dromerijen en valse meningen niet alleen de religie ondersteboven keerden, maar ook de burgerlijke orde". Calvijn trad op tegen de 'konkelaars aan het hof, die met hun leugens het vergieten van onschuldig bloed wilden bedekken. Zij probeerden naar buiten toe een grond aan te geven voor het vermoorden van arme gelovigen. Calvijn schreef dat hij zich laf en trouweloos zou voelen wanneer hij zich niet krachtig te weer zou stellen. "Dit was de reden, die mij aandreef om mijn Onderwijzing in de christelijke religie aan het licht te brengen". Hij wilde zijn broeders van blaam zuiveren en hij trachtte hulp te verschaffen bij de Duitse vorsten. Zo verscheen de Insti-tutie. Calvijn zelf schreef in 1557: "Want ik zond het boek toen niet in het licht zo omvangrijk en veel arbeid vergende als het nu is. Maar het was slechts een klein boekje dat in het kort de voornaamste zaken behandelde. Het had geen andere bedoeling dan dat men op de hoogte gesteld werd welk geloof zij beleden die door goddeloze en trouweloze vleiers gemeen en ellendig belasterd werden".
Editie van 1559
De laatste uitgave die Calvijn in 1559 verzorgde, zag er heel anders uit. Het was nu geen klein boekje meer, met een korte samenvatting van wat het geloof inhoudt. Integendeel, het werk was uitgegroeid, sinds jaar en dag door Calvijn bewerkt en verbeterd. In 1539 was er al een tweede uitgave verschenen. Calvijn was toen in Straatsburg en hij werkte daar in een kleine gemeente van Franssprekende vluchtelingen. Hij had een taak als professor aan de academie, die juist in deze tijd werd opgericht. Hij bezocht de godsdienstgesprekken die ten doel hadden om de mogelijkheden van verzoening tussen de kerk van Rome en de protestanten in Duitsland af te tasten. En hij vond de tijd om te werken aan de uitbreiding van zijn Institutie, zodat deze aanmerkelijk uitgebreid was, vergeleken met de uitgave van 1536. In 1541 verzorgde Calvijn zelf een Franse vertaling, die later gevolgd werd door nog weer uitgebreidere latijnse uitgaven.
Hoezeer het werk aan dit boek hem ter harte ging, bleek uit het feit dat hij in 1559, toen hij ernstig ziek was en niet kon preken, niettemin zijn arbeid aan het boek voortzette. In iedere uitgave na 1536 voegde Calvijn iets toe. Calvijn moest echter bekennen, dat het boek als zodanig hem niet bevredigen kon. Hij had geen spijt van het werk er aan verricht. Maar het had hem geen voldoening geschonken "totdat het werk in die gedaante gebracht was, waarin het nu wordt geboden". Calvijn kón ook voldoening hebben, niet alleen omdat het een grootse en omvangrijke uitgave was geworden, maar vooral omdat zijn werk nu beantwoordde aan het ideaal dat hij zich voor ogen had gesteld.
De eerste uitgave was bedoeld als een samenvatting voor beginnelingen op hun zoektocht naar ware vroomheid. Deze eerste editie heeft nog altijd het bekoorlijke daarvan. Men kan zonder enige aarzeling zeggen, dat zij ons laat zien wat voor Calvijn de hoofdsom was van het geloof. Wie het boekje leest, maakt kennis met de echte Calvijn. In feite is de essentiële inhoud van het werk gedurende al die jaren niet veranderd. Het is authentiek en draagt het kenmerk van oprechte vreze des Heeren. De veranderingen liggen op het terrein van de opbouw en de presentatie.
Katholieke Woord-theologie
De uitbreidingen die het werk gaandeweg onderging, hebben betrekking op het onderbouwen van de christelijke leer met behulp van een meer uitgewerkte uitleg van de Heilige Schrift. Calvijns theologie is Woordtheologie. Het blijkt keer op keer, wanneer de leer wordt toegelicht met behulp van het tekstmateriaal uit de Bijbel.
Een tweede opmerkelijke zaak is die van het beroep op de christelijke traditie. Calvijn besefte reeds vroeg de waarde van het beroep op de kerkvaders. Hij had zich door een intensieve lezing van hun geschriften een fonds opgebouwd, waaruit hij met gemak kon citeren. Men ziet dat het zijn bedoeling was om zich één te weten met de vroeg-christelijke kerk. De Reformatie wilde immers absoluut niet iets'nieuws' zijn. Om strijd hebben de kerkhervormers betoogd dat zij niets anders bedoelden dan de terugkeer naar de inzichten en gebruiken van de vroegchristelijke kerk. En zo was het ook bij Calvijn. Hij stond zeer bewust in de katholiciteit van kerk en christendom.
Een derde factor die eveneens van betekenis was bij de uitbreiding en omwerking van de Institutie is ook nu die van de apologie. De verdediging van de christelijke leer met name naar de kant van Rome vroeg een bredere uitwerking. Calvijn trad in discussie met belangrijke vertegenwoordigers van de rooms-katholieke theologie, waarbij vooral het thema van de vrije wil een rol speelde en eveneens de beschouwing van de sacramenten als tekenen en zegelen van het Woord van God. Een andere partij die Calvijn in zijn apologetiek betrok, werd gevormd door de anabaptisten en geestdrijvers. Hun opvattingen eisten een bredere beschouwing en weerlegging. Zo is het te verklaren, dat er bij een fundamentele gelijkheid in materie die aan de orde werd gesteld, tegelijk sprake is van een sterk toegenomen omvang. Het kleine boekje uit 1536 is in de definitieve uitgave een grote foliant geworden. Het werk werd telkens herdrukt en in fraaie uitgaven op de mark gebracht. Calvijn zelf zorgde, zoals we zagen, voor een Franse vertaling. In 1560 kwam in Emden de eerste Nederlandse editie uit, in 1566 en in 1578 in Dordrecht in een kwarto-uitgave opnieuw gedrukt, in het begin van de zeventiende eeuw gevolgd door een nieuwe vertaling, later nog eens opnieuw overgebracht in de gangbare Nederlandse taal.
Het boek beantwoordde ook in deze vertalingen aan de bedoeling van Calvijn: het leiden van mensen op de weg van ware vroomheid, door de kennis van de leer onder de mensen te brengen. De christelijke leer hield voor Calvijn méér in, dan het begrip dat er in de latere orthodoxie aan werd toegekend. En juist daarin zien we de waarde tot op de dag van vandaag. Daarover heeft Calvijn geschreven in het woord vooraf van de uitgave van 1559, die hemzelf voldoening had gegeven. Twee zaken verdienen onze aandacht.
Gefundeerd in de Schrift
Allereerst dat Calvijns werk meer en meer een sterk uitlegkundig karakter heeft verkregen. Het wil zonder meer steunen op de Schrift als het Woord van God. Tegelijk echter bedoelt Calvijn zijn lezers naar de Schrift zelf heen te leiden. In de eerste uitgave dacht hij aan de eenvoudigen die 'enige smaak van de religie' hadden ontvangen en die 'zich wilden wijden aan vroomheid'. Men kan niet zeggen dat hij in zijn laatste en definitieve uitgave deze categorie niet meer op het oog heeft. Hij denkt nu echter wel heel bijzonder aan 'hen die zich gezet hebben tot de studie van de heilige Godgeleerdheid', om hen tot het lezen van Gods Woord voor te bereiden. Met andere woorden: Calvijn wil laten zien wat men in de Bijbel voornamelijk heeft te zoeken. Hij wilde deze mensen van dienst zijn, zodat zij aan de hand van zijn 'hoofdsom' kunnen vaststellen waar het eigenlijk om gaat in de Heilige Schrift.
Tegelijk echter wil Calvijn zichzelf dienen, doordat hij zich bij de commentaren die hij bezig was te schrijven, of die hij nog van zins was te publiceren, ontslagen kon achten van het geven van leerstellige, dogmatische uiteenzettingen. Calvijn schrijft: "Daarom zal ik, nu deze weg als het ware gebaand is, wanneer ik later enige uitleggingen der Schrift uitgeef, het niet nodig achten over de leerstellingen lange uiteenzettingen te geven en uit te weiden over gemeenplaatsen, maar die uiteenzettingen altijd bekorten".
Het is van grote betekenis deze passage goed op te vatten. In de meeste gevallen schreven commentatoren van de Schrift hun verklaringen aan de hand van de teksten die zij voor zich hadden. Maar daar tussendoor boden zij dan dikwijls in allerlei 'excursen' hun dogmatische of leerstellige inzichten aan. Zo kon de uitleg onderbroken worden door een stukje christelijke leer, zonder dat deze leer in haar onderlinge samenhang werd geboden. Een voordeel daarbij was, dat Schriftuitleg, exegese en dogmatiek volstrekt bijeengehouden werden. Zodra de dogmatiek zich losmaakt van de uitleg van de Bijbel, ontstaat het gevaar dat de dogmatiek belangrijker wordt dan de Bijbel zelf. Het nadeel van die positie is op menig punt uit de kerkgeschiedenis gebleken. Men zou kunnen vragen of Calvijn ondanks zijn goede bedoelingen toch niet aan een dergelijke ontwikkeling heeft bijgedragen. Is het gevaar bij hem niet reeds aanwezig dat een dogmatisch inzicht gaat heersen over de uitleg van de Bijbel? En heeft hij zijns ondanks niet het fundament gelegd voor een theologische ontwikkeling, waarbinnen de afzonderlijke vakken van de exegese en van de dogmatiek een al te zelfstandige plaats krijgen en zich niet alleen naast elkaar, maar ook tegenover elkaar kunnen opstellen?
Het is goed om deze vraag te stellen. Het antwoord zal Calvijn zelf moeten geven. Hij doet dit ook, in vrijwel zijn gehele oeuvre. De Institutie is, zo zou men kunnen zeggen, het boek van de éne man. Maar die éne man is niet te verstaan, zonder te letten op alles wat hij naast en na de Institutie heeft gesproken en geschreven. Enkele duizendtallen preken zijn bewaard gebleven. Kan men Calvijn kennen zonder hem te lezen? Neen. Zonder hem als het ware te horen? Nog minder. In zijn preken is de man van de Institutie rechtstreeks bezig met de christelijke leer, de christelijke religie, de christelijke vroomheid. Maar hij eigent die dan toe aan de concrete hoorders in de concrete situatie. Er vindt een soort van contextualisatie plaats. We mogen de Institutie niet losmaken van de preken. Wie dat zou doen, loopt gevaar om de Institutie te laten functioneren, anders dan Calvijn zelf bedoeld heeft: als toeleiding tot de Schriften zelf.
Daarbij dienen ook betrokken te worden de reeksen van bijbelcommentaren, die tot heden nog heel bijzonder actueel zijn. Calvijn is niet de man van het ene boek. In de Institutie horen wij vele stemmen klinken, uit de traditie, uit de catholica, uit het stemmengeroes van de vele reformatoren om Calvijn heen. En wie zo de Institutie leest mag niet vergeten, dat Calvijn in dit werk opzettelijk de weg wijst naar de Schriften. Zij moeten voor onszoals ook voor hem het laatste, het allerlaatste woord hebben.
Vorm en inhoud
Een tweede zaak die we nimmer mogen vergeten, is dat Calvijn zelniet eerder voldoening vond in zijn werk, dan toen hij kon schrijven, dat het werk was gebracht in die gedaantewaarin het nu wordt geboden. We lezeover deze uitspraak gemakkelijk heen. Wat zegt Calvijn echter? Hij betoogt dade ordo waarin het werk nu gebracht ihem voldoet. Men zou kunnen denken aan de vormgeving van het werk, de presentatie, de opbouw of hoe men het ook verder zou willen noemen. We kunnen daarbij denken aan de verdeling in vier boeken, waarin de stof is verdeeld of ondergebracht, en waarover nog meer gezegd dient te worden. We kunnen daarbij echter niet blijven staan. Voor Calvijn werd de vorm van zijn werk in deze laatste editie bepaald door de inhoud en niet omgekeerd. Dit betekent dat de eerste zin van de Institutie, eigenlijk sinds 1536 reeds neergeschreven, beslissend is voor de hele Institutie. Het is Calvijn te doen om het thema van de kennis van God en de kennis van de mens. Daarin bestaat echte wijsheid, dat een mens God kent en zichzelf kent. Dit thema doortrekt de Institutie in haar geheel. Het gaat altijd en overal, bij ieder onderdeel om dit fundamentele principe: God en mens, Godskennis en zelfkennis. Zij zijn altijd aan de orde, in iedere locus, bij elke specifieke paragraaf, altijd en overal gaat het om de ware vroomheid, de echte spiritualiteitde wezenlijke wijsheid. En met deze ordo, zorgvuldig door Calvijn aangebracht, stijgt het werk uit, vér boven andere werken van die tijd. Vér ook boven talloos vele werken van daarna en van onze tijd. De Institutie is en blijft daarom de moeite waard. Het is een stichtelijk werk, opbouwend, vol van levende kennis van God en mens, zoals deze het leven vult en schoon maakt, vervult en leert verwachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
