In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De Institutie van Calvijn (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Institutie van Calvijn (1)

13 minuten leestijd

In de komende nummers zal prof.dr. W. van 't Spijker een reeks artikelen schrijven over Calvijn en zijn Institutie. Dr. Van 't Spijker is emeritushoogleraar van de Christelijke Gereformeerde Kerken en woonachtig te Apeldoorn.

Calvijn en zijn leerboek

De Reformatie heeft een grote schat aan bijbelse geschriften voortgebracht. We beschouwen het als een bijzondere leiding van God in de geschiedenis, dat de hervormers gebruik hebben kunnen maken van de uitvinding van de boekdrukkunst. Toen Luther zijn 95 stellingen aansloeg aan de deur van de slotkapel in Wittenberg, waren zij binnen de kortste tijd verspreid over heel Duitsland. Ze gingen van hand tot hand en konden op deze wijze de oproep van het Evangelie zelf opnieuw leren verstaan. Wie kennis neemt van de boeken en brochures die daarna gevolgd zijn, kan zich slechts verbazen over de grote explosieve en productieve kracht van Luthers ontdekking. Zijn werken werden voor het eerst door Capito uitgegeven. En zij vormden het begin van een stroom die niet meer te stuiten zou zijn.

Voor de moderne lezer is het vrijwel onmogelijk om zich op de hoogte te stellen van alles wat in die tijd uit de pen van de schrijvers vloeide. Luther was beslist niet de enige auteur. Naast en na hem namen vele anderen het werk ter hand om de boodschap van het Evangelie verder te dragen. We kunnen denken aan de bekende namen van Zwingli in Zúrich, Melanchthon in Wittenberg, Oecolampadius in Bazel, Bucer en Capito in Straatsburg. Hun werken liggen voor een deel opgetast in moderne uitgaven, voor een ander deel kan men ze vinden in de afdelingen van zeldzame boeken in de grote bibliotheken. Het is slechts aan weinigen gegeven om van die bijzonder grote en boeiende schat kennis te nemen. En zo lijkt het dat een belangrijk deel van wat de historische beweging van de Reformatie bedoelde te brengen, langzamerhand is weggezonken in de geschiedenis. Dat valt te betreuren, omdat zo het verwijzen naar de Reformatie een leus kan worden zonder inhoud, een vlag die niet meer de lading dekt. De begrippen vervagen, de leuzen worden leeg en in onze eigen tijd met zijn vele nieuwe vragen en problemen speelt de vitale boodschap van de Reformatie niet meer de rol die haar zou moeten worden toegekend. We plegen onrecht ten opzichte van de geschiedenis. We plegen niet minder onrecht ten opzichte van onze eigen tijd. We laten de bronnen niet meer vloeien, die ook voor vandaag een belofte van levend water inhouden. Is er een middel om enigermate te voorzien in de behoefte aan levende kennis van de Reformatie? Kunnen we informatie krijgen, die ons helpt om inzicht te krijgen in hetgeen de mensen bewoog, om zich gewonnen te geven aan het Evangelie, dat door zo veel specifieke vertegenwoordigers werd gepredikt? Er bestaat inderdaad een mogelijkheid om de gehele boodschap van de Reformatie in zekere zin compact weer te geven. Daarbij behoeven we er niet voor te vrezen, dat we aan de gevarieerdheid van de prediking der Reformatie te kort zullen doen, wanneer we ons gaan beperken tot één boek. De Institutie van Calvijn beschouwen we als een geschikt middel om de veelkleurigheid van de genade Gods, die in de zestiende eeuw aan het licht trad, weer te geven. We noemen daarvoor een aantal argumenten, die ons ervan kunnen overtuigen dat we ons niet vergissen. Te denken valt aan factoren die we voor het gemak aanduiden met behulp van de begrippen tijd en plaats, persoon en werk.

Tijd en plaats

Calvijn trad aan op een moment in de geschiedenis, waarop de Reformatie zelf als beweging reeds tot een bepaalde afronding was gekomen. Toen in 1536 voor de eerste keer de Institutie verscheen, waren de grote beslissingen in de geschiedenis reeds gevallen. Staatkundig gezien waren paus en keizer reeds enigszins gewend aan het nieuwe verschijnsel dat zich in de situatie binnen Europa voorgedaan had. Zij accepteerden geen van beiden de 'nieuwe leer'. Hun pogingen om de zaak te beheersen vielen verschillend uit, omdat er meer factoren waren die een stevige rol speelden. De Turk stond aan de poorten van het Westen. De Franse koning was permanent bezig om de frustratie te verwerken, dat hij geen keizer was geworden, hoewel hij bij zijn sollicitatie naar deze hoge post grote sommen geld had betaald. In de geschiedenis van de Reformatie hebben deze componenten meegespeeld. Calvijn heeft getracht om ook binnen dit geheel een rol te spelen, ofschoon zijn roeping daarin voor hemzelf eerst langzaam duidelijk werd. Hij was overtuigd dat het Evangelie een bepaalde rol zou moeten spelen binnen het geheel van de Europese machtsverhoudingen. Deze overtuiging hing samen met het feit dat hij zijn leven lang een sterke band is blijven voelen met de evangelische christenen in Frankrijk. In al zijn politieke en oecumenische activiteiten verloor hij niet één moment zijn Franse geloofsgenoten uit het oog. Daarachter school de overtuiging, die hem een levensbeginsel was geworden, dat het Evangelie, het Woord van God, zoals het door de reformatoren was verstaan, in vrijheid en zonder enige verhindering gepredikt zou moeten worden.

Toen Calvijn aantrad in 1536 met zijn Institutie, waren ook in religieus opzicht de wezenlijke beslissingen al gevallen. Luther had zijn rijksdag gehad in 1521. Hij getuigde voor keizer en rijk dat hij wilde staan op de grondslag van het Woord alleen. Het beginsel van het sola scriptura was helder en klaar door hem vertolkt. Hij was er in geslaagd om een groot deel van de Heilige Schrift aan het volk in een grootse vertaling aan te bieden. Hij verdedigde met kracht de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. En in alle toonaarden verkondigde hij dit Evangelie van de vrijheid van een christenmens, waar hij maar kon en bij iedere gelegenheid. De onzalige twist met Zwingli over het Avondmaal had geleid tot het uiteengaan van twee tradities: een Zwitserse en een Saksische, zoals men wel pleegde aan te duiden. Er was spanning geweest tussen Zúrich en Wittenberg, die bijzonder hoog opgelopen was, toen Luther in 1529 te Marburg weigerde om de Straatsburgers en de Zwitsers zijn broeders te noemen en zelfs geen kennis had willen nemen van het evangelie zoals het in Straatsburg werd gepredikt. Toen Calvijn met zijn boek over de christelijke religie, eigenlijk onbedoeld, in de kring der reformatoren binnentrad, lag dit conflict enigszins toegedekt, nog steeds op tafel. In de Wittenberger Concordie (1536) had men een verzoenende formule gevonden, die echter geen definitieve rust kon geven. Calvijn meende dat de strijd tussen broeders geheel ten onrechte werd gevoerd. Het avondmaalsvraagstuk bleef op zijn agenda staan. Maar het stond er, voor wat hem aanging, als een verzoenbaar punt, omdat Calvijn de overtuiging had, dat Luther het goed bedoelde. Calvijn wist van zichzelf te zeggen, dat hij een leerling van Luther was. Hij verdedigde hem tegenover de Zwitsers en ook tegenover de latere Lutheranen, die hij na-apers, geen echte leerlingen noemde. Hij verklaarde eens tegenover Bullinger, de opvolger van Zwingli, die nog steeds een anti-Luthers-complex had, dat ook al zou Luther hemzelf voor een duivel schelden, hij hém voor een echte dienstknecht van God zou blijven houden. Deze blijk van werkelijk oecumenische gezindheid kan men voor een deel toeschrijven aan de invloedrijke en intensieve ontmoetingen die Calvijn sinds 1538 met Bucer had. Deze Straatsburgse reformator kon het eenvoudig niet laten om te proberen alle partijen in de avondmaalsstrijd bij elkaar te brengen en ook tot een zekere overeenstemming. Voor Bucer, achttien jaar ouder dan Calvijn, stond het vast dat de laatste over grote capaciteiten beschikte. En Calvijn hield zijn oudere vriend voor een vader, van wie hij niet alleen veel hield, maar die hij ook wenste te volgen in zijn streven naar eenheid onder de evangelische gelovigen, waar dan ook: in Duitsland, in Frankrijk, in Engeland.

Calvijns optreden begon pas goed, toen de eigenlijke reformatoren, die van het eerste uur, hun werk gedaan hadden. Hij was een man van de tweede generatie, en men kan met enige welwillendheid zeggen, dat hij beschouwd kan worden als één van de eerste 'nadere reformatoren'. Hij behoefde slechts in kaart te brengen wat anderen voor hem hadden gedaan. Van hem geldt in zekere zin het woord van de Heiland: "Anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt" (Joh. 4: 38).

Dat dit kon gebeuren, hangt samen met de tijd en de plaats die Calvijn innam binnen het grote gebeuren van de Reformatie zelf.

Persoon en aanleg

Wij zouden de schijn op ons kunnen laden, dat we Calvijns betekenis onderschatten, of verkleinen, alsof zijn werk slechts ontleend was aan de arbeid van anderen. Wat dit laatste betreft: wie staat er niet op de schouders van het voorgeslacht? Ook Calvijn heeft door zijn grote kennis van de geschiedenis van de kerk en van de theologie, gebruik kunnen maken van wat generaties voor hem hadden geschreven en beleden. Niet minder is het duidelijk, dat hij aan de eigenlijke boodschap van de Reformatie niet zo heel veel heeft toegevoegd. Dit verbaast ons niet, wanneer we bedenken dat het Luther en Zwingli, Bucer en Capito en vele anderen te doen was om de inhoud van de Heilige Schrift weer onder het stof vandaan te halen. Geen andere bedoeling had Calvijn. Ook bij hem was de inhoud van de Bijbel de eigenlijke materie van zijn theologie. Het eigene ervan, waardoor Calvijn zich van de anderen onderscheidt, is met name gelegen in de wijze waarop Calvijn de stof presenteerde.

Dit was een kwestie van zijn eigen persoonlijke aanpak, beter nog: het was een zaak van zijn eigen persoonlijkheid. Calvijn was uitermate hoog begaafd met een bijna onfeilbaar geheugen. Hij had dit door oefening tot een hoogte weten op te voeren, die hem in staat stelde om met één blik heel het landschap van de theologie te overzien. Hij kon op een gegeven moment kerkvaders, vooral Augustinus citeren, terwijl hij uit het hoofd de vindplaats van zijn citaat kon aanwijzen: die en die bladzijde uit dat boek. Zijn geheugen liet hem niet in de steek, hij kon er gebruik van maken, wanneer het hem te pas kwam. Beza deelt mee, dat Calvijn deze hoge graad van zijn herinneringsvermogen had verworven ten koste van zijn gezondheid, door de wijze van studeren, toen hij nog in Frankrijk was.

Een andere gave, waarover Calvijn beschikte, was die van zijn vermogen om de dingen naar hun wezen in eigen geest op te nemen en daarbij te verwerken op een manier, waardoor de theologie een vernieuwing onderging, die alles in een ander licht plaatste. De vernieuwing van de reformatorische theologie bestond voor Calvijn daarin dat hij de wezenlijke inhouden van het denken van Luther, van Zwingli en Bucer wist op te nemen, en als het ware te absorberen, d.w.z. zo te verwerken dat het een nieuwe plaats kreeg in zijn eigen 'systeem' van denken. Daarbij voegde zich ook nog de bekwaamheid om het standpunt van anderen te analyseren en knap uiteen te leggen, waardoor de waarheid of het deugdelijke ervan naar boven kon komen. Scherp was Calvijn in zijn analyse, wanneer hij de gedachte had dat aan de waarheid te kort werd gedaan. Anderzijds was hij ruim in zijn denken, waar het waarheidselementen betrof uit de grote katholieke traditie van de kerk. Hij wist deze op hun waarde te schatten en in te voegen binnen het geheel van zijn gedachtewereld.

Wellicht is het beter, om niet te spreken van een gedachtewereld bij Calvijn, ofschoon zijn denken een belangrijke zijde van zijn bestaan was. Beter is het om te spreken over zijn levensgevoel, waarin de wereld van het denken was opgenomen, maar zeker niet allesbeheersend. Er is te spreken over de grote waarde die Calvijn toekende aan de emoties, de gevoelswereld in engere zin, de ervaring of beleving, de experientia of bevinding der vromen en die hij goed wist te verwoorden. Zij vormt een wezenlijk onderdeel van zijn Institutie. We moeten toegeven, dat op het eerste gezicht de lectuur van zijn leerboek die indruk niet wekt. Wie van Luther naar Calvijn gaat, mist mogelijk in het begin de sprankelende levendigheid van de Sakser, die de taal spreekt van het volk en die ook denkt in de taal en het verbeeldingsleven van de massa. Bij Calvijn treft men dit op het eerste oog niet aan. Zet men zich echter tot lezen, en houdt men, zoals de apostel zegt, aan in het lezen, dan proeft men de warmte en gloed van de man die zich geheel en al in zijn onderwerp heeft ingeleefd. Dan is er de kracht van de ervaring, die meespreekt. Achter de met zorg gekozen formuleringen klopt een vurig gemoed, een hart dat deelt in het geheim van het leven voor Gods aangezicht, het mysterie ook van de verborgen gemeenschap met Christus. Men treft dan de Calvijn aan, zoals hij echt en in waarheid is, zoals men bij het volgen van Luther deze ook zelf ontmoet.

Het werk

We hopen over de Institutie van Calvijn in het vervolg nog het één en ander te schrijven. Nu attenderen we op de betekenis van het werk, zoals het samenhangt met de persoon en de bedoeling van de auteur. Men herkent er de persoon in, zoals deze door God zelf gevormd, voorbereid en geroepen werd tot het grote werk dat hij heeft mogen aanvatten en volbrengen. De 'kleine Institutie', we bedoelen de eerste uitgave uit het jaar 1536, was het grote werk dat Calvijn na zijn 'plotselinge bekering' heeft geschreven. Er aan vooraf was gegaan een zorgvuldig samengesteld commentaar op één van de geschriften van een klassiek auteur, Seneca. Men heeft vermoed dat Calvijn met dit werk beoogde om de Franse koning tot clementie te stemmen, zoals Seneca, naar men zegt, de wrede keizer Nero probeerde in te tomen.

Zekerheid hebben we daaromtrent niet. Wél weten we dat Calvijn een worp deed naar faam en roem onder de vertegenwoordigers van het opkomende humanisme. Het is hem met zijn commentaar op De dementia niet gelukt. God bracht door een plotselinge bekering een verandering in zijn leven en zette hem op een ander spoor. In zijn ijver voor de zaak van het Evangelie, die hem sindsdien vasthield, schreef Calvijn een ander werk, dat hem op slag beroemd maakte. Zijn leerboek kwam in Bazel van de pers. Het werd aangemerkt als een catechismus, die in de christelijke leer wilde inleiden. Op de titelpagina stond te lezen dat dit onderricht in de christelijke religie vrijwel de hoofdsom bevatte van de vroomheid en hetgeen te kennen noodzakelijk was van de leer der zaligheid. Het was bestemd voor allen die zich voor vroomheid wilden beijveren. Ook in het woord vooraf gaf Calvijn aan de Franse koning te kennen, dat zijn werk de bedoeling had om de eerste beginselen mee te delen voor hen die een zekere ijver voor de religie aan de dag legden, opdat zij tot ware vroomheid zouden worden gevormd. Blijkbaar was dit een hoofdbegrip: vroomheid en religie. We raken daarbij een thema, waarvan heel het werk van Calvijn is doortrokken. Men vergist zich, wanneer men het houdt voor een dorre uiteenzetting, die in de sfeer van het intellectuele gebeuren een bijdrage wil leveren. Vroomheid is het, die Calvijn op het oog heeft. Het thema kent vele variaties. Maar het is altijd en overal aanwezig.

Terecht heeft men de Institutie een stichtelijk boek genoemd, dat een eerste plaats verdient in de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit. We zouden aan Calvijn en aan zijn persoon en werk te kort doen, wanneer we deze thematiek uit het oog zouden verliezen, nu we ons willen verdiepen in zijn leerboek. We zouden het karakter van zijn bekendste werk eveneens miskennen, als we deze doelstelling vergaten. Wat we proberen weer te geven van Calvijns meesterwerk, zal ook in dienst moeten staan van de kennis en beoefening van deze ware vroomheid, die evenals in de eeuw van Calvijn, zo ook voor ons in onze tijd, behoort tot het leven in oprechtheid voor Gods aangezicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2000

In de Rechte Straat | 16 Pagina's

De Institutie van Calvijn (1)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 maart 2000

In de Rechte Straat | 16 Pagina's