Jongeren vragen naar de weg
Een probleem waar een van onze jongeren mee zit, gaat over de vraag wie er nu eigenlijk moet evangeliseren, de kerk, de gemeente of alle gelovigen 'op zich'. "Vaak word je tegengehouden om mee te doen door mensen, die zeggen dat alleen de kerk getuigend mag optreden", zo vertelt de vragensteller. De vraag, die hier gesteld wordt is eigenlijk: wie moet er evangeliseren?
De verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente
Laat ik maar direct met de deur in huis vallen: evangelisatie is geen hobby van een paar enthousiaste enkelingen, die deze taak vrijblijvend uitvoeren, maar een taak van de gemeente van Christus in deze wereld. Iedere christen is een getuige van Christus en als zodanig al betrokken bij evangelisatie. En het is vooral de plaatselijke gemeente, die haar leden moet stimuleren om actief te zijn in het getuigenis van Christus door hen erbij te betrekken en er voor toe te rusten.
De levenspraktijk: het beste evangelisatiemiddel
De snelle uitbreiding van de eerste christelijke kerk is veroorzaakt door het spontane getuigenis en de goede levenswandel van de levende leden van de gemeente. Daar ging een enorme werfkracht vanuit. Hun levenswandel werd gekenmerkt door de trouw aan Gods gebod, uitkomend naar buiten in het onderlinge liefdebetoon. De belangeloze dienstvaardigheid riep op tot respect en werkte overtuigend. De trouw aan de Heere Jezus tot in de marteldood toe liet zien dat het niet maar om een bepaalde godsdienstige ideologie ging.
Er was blijkbaar echte wederliefde voor Iemand, Wiens liefde meer waard was dan het leven. Niet de georganiseerde actie of campagne, maar de levenspraktijk was het beste evangelisatiemiddel in de eerste eeuwen van de christelijke kerk. En dat is het nog. Dat is de goedkoopste, de meest effectieve en - wat toch het belangrijkste is - de meest bijbelse vorm van evangeliseren. Het bespaart tijd, vergaderingen en veel geld. En het is ook zo goed voor de gemeente zelf. Uiteraard zal het nodig zijn om de gemeente daarop te wijzen en in te onderwijzen vanuit de Schrift. Nodig is vooral ook het gebed om de Heilige Geest opdat er zekerheid mag zijn in het geloven en vrijmoedigheid om te getuigen. Het gaat er dus niet in de eerste plaats om dat er in de gemeente commissies zijn, die het voortouw nemen, maar dat de gemeente bestaat uit levende leden en dat alle levende leden in hun getuigenis en levenswandel iets van de liefde van Christus tot zondaren uitstralen.
Leven voor Gods aangezicht
Kijk maar naar de Samaritaanse vrouw in Johannes 4. Zodra ze de Heere Jezus heeft leren kennen, gaat ze evangeliseren in Sichar onder haar eigen dorpsgenoten. De roeping van de gemeente blijkt allereerst in het gewone alledaagse leven. Onze levenswandel is het beste instrument. Het gaat niet in de eerste plaats om grootscheepse acties, maar om een toegewijd leven. Om een gesprek met buren, vrienden en collega's, de verstaanbaarheid van onze kerkdiensten, de geborgenheid van de gemeente en de overdracht van het geloof aan de jongere generatie. Het gaat om ons leven voor Gods aangezicht.
De taak van iedere gelovige
Zeker, een kerkverband kan er een commissie of deputaatschap voor oprichten om het een en ander te coördineren, een plaatselijke gemeente moet haar leden wijzen op de roeping en opdracht van Godswege, maar evangelisatie is niet in de eerste plaats het werk van speciaal daartoe aangestelde evangelisten, al is dat mooi als er 'vrijgestelden' voor dit werk zijn. Evangelisatie is in de eerste plaats de taak van ieder gelovige als een levend lid van de gemeente van Christus. Elke gelovige is een evangelist: öf je evangeliseert, öf je bent voorwerp van evangelisatie. "Een kerk, die niet werft, sterft." Een levende gemeente is een getuigende gemeente, zoals Filadelfia, waar kleine kracht werfkracht bleek te zijn en de Heere een geopende deur gaf (Openb. 3:8). Een niet getuigende gemeente is een dode gemeente, zoals Sardis, waar uiterlijk alles goed verliep, maar ze waren niet wervend bezig. Jezus zegt tegen haar: "Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood" (Openb. 3:1). Niet voor niets noemt de Heere Jezus de zeven gemeenten in Klein Azië 'gouden kandelaren'. Dat betekent dat de gemeente tot taak heeft om licht te verspreiden in deze donkere wereld. En bij het woordje 'gemeente' moet je niet alleen denken aan de kerk wereldwijd, maar vooral aan de plaatselijke gemeente: ieder lid op zijn of haar plaats en met zijn of haar gaven. Bij die plaatselijke gemeente kunnen de mensen dan ook terecht als er 'nazorg' nodig is. Een levende gemeente straalt iets uit. Waar je zelf uit leeft, wil je graag delen met anderen.
Een woord voor de wereld
Christus is het Licht der wereld. De gemeente van Christus is dat ook. Jezus zegt: "Laat uw licht alzo schijnen voorde mensen…" (Matth. 5:16). De gemeente is geroepen uit de wereld en zoekt het behoud van de wereld. Wij hebben een woord voor de wereld. De kerk en het christen-zijn zijn geen doel in zichzelf. De gemeente is er om God en tot de komst van Gods Koninkrijk.
De pinsterstroom in Ezechiel 47 komt voort uit het heiligdom van Gods eeuwig welbehagen, vloeit langs het altaar van de verdiensten van Christus, springt op vanonder de dorpel als een beeld van de gewilligheid van de Heilige Geest - het is dus een werk van de drieënige God - maar de pinksterstroom gaat door de bedding van de gemeente naar de dode volkerenzee. Ben jij in die stroom al meegenomen? Ben jij een levend lid van Christus en daarom ook van je eigen plaatselijke gemeente? Dan zul je de blijde boodschap van het Evangelie niet voor jezelf willen houden, maar er anderen in laten delen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 2000
In de Rechte Straat | 16 Pagina's
