Algemene Genade
Wat onze aandacht vraagt in de kerken
Inleiding
Mij is gevraagd wat gedachten te formuleren over algemene genade. De opmerkzame lezer valt het wellicht meteenneer het in het kader van de gereformeerde leer ter sprake komt, gebeurt dat in verband met het stuk van de voorzienigheid en in relatie met op, dat boven dit artikel niet staat "de algemene genade", maar "algemene genade". Dat heett een reden. Algemene genade is nooit in het geheel van de gereformeerde dogmatiek tot een zelfstandig leerstuk geworden. Het is dan ook geen dogma. Wan de algemene openbaring van God. Calvijn heeft wel geweten van "algemene openbaring", maar niet van "de algemene openbaring". Het was Abraham Kuyper, die een weinig om de alge ondernam mene genade te maken tot een dogmatisch uitgebouwd zelfstandig geheel.
De Belijdenisgeschriften
In het licht van het bovenstaande is het dan ook niet zo verwonderlijk, dat algemene genade geen aparte plaats in de belijdenisgeschriften heeft gekregen. Op een tweetal plaatsen komt het terloops ter sprake. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt in artikel 14 gesproken over "kleine overblijfselen" van de uitnemende gaven, die de mens bij zijn schepping had ontvangen.
In de Dordtse Leerregels, hoofdstuk lll/IV, par. 4, wordt gesproken over "enig licht der natuur", dat na de zondeval nog in de mens is overgebleven. Opmerkelijk is, dat op beide vermelde plaatsen aan deze algemene genade een negatieve invulling wordt gegeven. Het zijn resten van de schepping van de mens naar het beeld van God. Maar waar dienen deze resten voor? De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dan, dat deze resten niet anders dienen dan om de mens "niet te verontschuldigen" te maken. En de Dordtse Leerregels stellen, dat deze overblijfselen van het beeld Gods door de mens geheel bezoedeld en in ongerechtigheid gehouden worden, zodat die mens alle verontschuldiging ontnomen wordt. Er is aan de gevallen mens weliswaar nog enig licht der natuur overgebleven, waardoor hij enige kennis van God heeft en ook enig besef van goed en kwaad, maar het is alles volslagen onvoldoende om met deze restanten van het beeld van God weer op te klimmen tot een zaligmakende kennis van God. Zelfs in het natuurlijke en burgerlijke leven weet de gevallen mens deze overgebleven resten niet op de juiste wijze te gebruiken.
De inhoud
Waarom dan toch over een algemene genade gesproken, als er zo weinig positiefs over te zeggen is?
We staan voor het feit, dat na de zondeval de wereld niet terstond is vergaan. Ook het leven van de mens, die zondigde, nam nog geen einde.
De Heere stelt het voltrekken van het verdiende doodvonnis uit. De mens wist immers van te voren, dat op de zonde de doodstraf rustte. Ten dage dat hij eten zou van de verboden boom der kennis van goed en kwaad zou hij sterven! (Genesis 2:17). Adam was gewaarschuwd!
Algemene genade wil ons in de eerste plaats iets zeggen over het uitstel van het gericht Gods, maar dan wel in het besef, dat uitstel geen afstel is. De straf op de zonde is de dood. Het is al een oude onderscheiding om daarbij dan te spreken over de dood in drie-erlei zin. We spreken dan over de geestelijke dood. Dat is de scheiding van de gemeenschap met God en de onmacht in de zonde, die over de mens kwam. Deze geestelijke dood treedt terstond in werking. De vanwege de zonde uit het paradijs verdreven mens is dood in de zonden en in de misdaden. Uit hem is geen goed meer in der eeuwigheid.
Dan is daar in de tweede plaats de lichamelijke dood, dat is de scheiding van lichaam en ziel (op een aangrijpende wijze beschreven in Prediker 12). Dit aspect van de dood wordt uitgesteld. Er blijft de gevallen mens nog een levensperiode over.
Het derde aspect is dan de eeuwige dood. Wandneer die gevallen mens in de hem gelaten levenstijd niet komt tot de zaligmakende kennis van Christus en Zijn genade, volgt de eeuwige dood. Dat is een eeuwig van God gescheiden zijn en een strat lijden in de buitenste duisternis.
Daarin wordt dan het doodvonnis definitief bevestigd. Een aangrijpende werkelijkheid! Algemene genade spreekt ons dus eerst van uitstel van het gericht Gods. Daarbij voegt zich dan een tweede aspect, namelijk dat dit uitstel tegelijk ook is een betoning van Gods goedheid aan doodschuldigen. Onanks de zonde maakt de Heere nog niet onmiddellijk een einde aan mens en wereld. We spreken dan van onderhouding. God houdt Zijn wereld nog in stand. Die onderhouding is ook bewaring. De Heere houdt een wereld in stand, die voortdurend in ontwikkeling is en waarin ook verkeerde krachten werken. En daar heeft God Zijn bedoeling mee! Daarom spreken we niet alleen van bewaring, maar ook van regering. De Heere leidt alles tot Zijn doel. Dat doel is kort samengevat: de eer van Zijn naam en de zaligheid van Zijn kerk. Deze bewaring en regering zijn wel van elkaar onderscheiden, maar niet te scheiden.
De kernvraag
Hierbij rijst een vraag. Wanneer we hierboven spraken over algemene genade als een betoning van Gods goedheid, rijst de vraag, wat de aard van die goedheid is.
Komt ook deze goedheid, die algemene genade, voort uit de genade van Christus of is het niet meer dan een algemene goedheid Gods? Een aantal jaren geleden werd dit verschil van inzicht actueel, toen een mogelijk samengaan van de Oud Gereformeerde Gemeenten met de Gereformeerde Gemeenten in Nederland juist op dit punt afsprong.
Ik geef u een paar citaten uit het boekje "Wat wij geloven" [discussie-interviews vanuit de Gereformeerde Gezindte - door Rik Valkenburg - Uitgeverij Kool BV, Veenendaal, 1985].
Daarin zegt ds. F. Mallan: "In de Oud Gereformeerde Gemeenten zijn verschillende leraren, die leren, dat de algemene genade voortvloeit uit de verdienste van Christus. Dat bestrijden wij ten sterkste. Wij spreken van de algemene goedheid Gods. Deze goedheid is niet tot heil, maar tot verzwaring van het oordeel, zegt Paulus. De verworpenen ontvangen deze goedheid dan ook uit Gods linkerhand." De Oud Gereformeerde ds. E. du Marchie van Voorthuysen zegt dan: "Voor mij persoonlijk vind ik dat geen punt om over te twisten… Neen, het is voor mij geen hoofdzaak, nog veel minder een oorzaak om over te twisten."
"Bunyan zegt", aldus ds. Du Marchie, "dat de mens nu leeft en de beesten leven, is door de offerande van Christus."
De eveneens Oud Gereformeerde ds. J. van der Poel gaat wat meer inhoudelijk op de zaak in, wanneer hij zegt: "Alle schepselen hebben dus een zeker soort heilgoed door de dood en het bloed van Christus. En wel dat zij het leven en het aanzien hebben!
Want de oneindige gerechtigheid Gods is zo volmaakt rechtvaardig, dat zij zonder een offerande niet kon hebben geduld dat de wereld, nadat de zonde in de wereld gekomen was, bestaan bleef. Maar ter oorzake van de zonde zou Hij de wereld, welke Hij gemaakt had, moeten verderven…"
Terugblik
Voordat we ons over dit verschil van inzicht een mening vormen, is het nuttig om een terugblik te hebben in de geschiedenis van de kerk.
Zakelijk gezien treffen wij wat we dan "algemene genade" noemen, reeds aan bij de kerkvaders. Augustinus bijvoorbeeld kan het woord "genade" gebruiken voor het feit dat wij geschapen zijn en van levenloze en redeloze creaturen onderscheiden zijn. We danken dat aan God. Het is met de Schrift in de hand niet vol te houden dat we het woord "genade" alleen zouden mogen gebruiken in de betekenis van "zaligmakende genade". Zowel het oudtestamentische Hebreeuwse woord voor genade, als het nieuwtestamentische woord daarvoor, hebben verschillende betekenissen. Prof. dr. J. Douma geeft daarvan in zijn boek "Algemene Genade" een hele reeks voorbeelden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Calvijn zich geheel beweegt in de lijn van de Schrift en het woord "genade" bewust en doorlopend gebruikt in algemene zin. Wie zou trouwens bij deze bij uitstek Schriftgetrouwe theoloog anders verwachten?
Naar aanleiding van Handelingen 17:27 zegt hij dat de mens "zonder twijfel de hemelse genade voelt, waardoor hij bezield wordt" (Institutie I.5.3).
Naar aanleiding van Handelingen 17:28 merkt hij dan op dat de wijsgeren en het menselijk verstand weliswaar de woorden van Paulus onderschrijven, dat wij in God zijn en leven en ons bewegen, maar toch ver verwijderd zijn van het ernstig besef der genade, die Paulus ons aanbeveelt (Institutie 1.16.1). Voorts merkt Calvijn op dat in de Wet en Profeten God het meermalen uitspreekt, dat zo dikwijls Hij de aarde met dauw en regen bevochtigt, Hij Zijn genade betuigt (Institutie 1.16.5).
Een nog wat uitvoeriger citaat zegt:" 's Mensen natuur is geheel zondig en als sommigen niet slechts in voortreffelijke daden hebben uitgemunt, maar ook in hun ganse leven ononderbroken zich zeer eervol hebben gedragen, dan moet ons in de zin komen, dat temidden van de verdorvenheid der natuur er nog enige plaats is voor de genade Gods, niet om die verdorvenheid te reinigen, maar haar in bedwang te houden (Institutie II. 3.3).
Ook de uitdrukking "algemene genade"(generale Dei gratia) wordt door Calvijn gebruikt, als hij zegt: "Ook al worden sommigen als dwazen of onnozelen geboren, dat gebrek verduistert Gods algemene genade niet, integendeel, door het aanschouwen daarvan worden wij eraan her innerd dat wat ons overgelaten is met recht moet worden toegeschreven aan Gods toegevendheid" (Institutie 11.2.17).
In de commentaren van Calvijn vinden we dezelfde lijn. Ook hier wijst prof. Douma op een aantal plaatsen. Commentaar op Genesis 4:20: "De nakomelingen van Kaïn blonken uit in kunsten en wetenschappen, die wij mogen bewonderen als rijkdommen van Gods genade." Commentaar op Numeri 16:22: "Mozes' gebed na de opstand van Korach, Dathan en Abiram is een gebed om God te bewegen Zijn Eigen werk in de schepping te bewaren. Daarin vermeldt Mozes niet de speciale genade, waarmee God Zijn werk had omhelsd, maar spreekt hij in een breder verband over de algemene genade van de schepping (universalem gratiam)."
Naar aanleiding van Psalm 147:7 spreekt Calvijn over Gods genade en Vaderlijke liefde jegens het menselijk geslacht.
Bij Jesaja 23:17 -het gaat daar over het herstel van het heidense Tyrus - schrijft hij dat herstel toe aan de genade Gods, bewezen aan goddelozen.
Ook met andere aanduidingen kan Calvijn uitdrukken wat hij in de aangehaalde citaten "genade" noemt. Hij spreektbij is, dat er bij dan van Gods goedheid, barmhartigheid, liefde, toegevendheid, gunst, clementie, zegening, mildheid, welwillendheid, goedgunstigheid, weldadigheid. En daarmee is de rij nog niet uitgeput. Het opmerkelijke daar Calvijn geen sprake van i s dat hij deze meer algemene uitdrukkingen ooit afgrenst tegen het be grip "genade". an een krampachtige systematiseacring is bij hem geen sprake. Calvijn kan het woord genade zelfs gebruiken met het oog op de dieren en de bergen (Commentaar op Psalm 104:10-13, Nahum 1:5).
In diezelfde lijn beweegt zich prof. H. Bavinck als hij eenvoudig stelt: "Aan Kaïn is genade geschonken voor recht" (Gereformeerde Dogmatiek I, blz. 282).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1997
In de Rechte Straat | 40 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1997
In de Rechte Straat | 40 Pagina's
