In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

HEEFT DE GEMEENTE RECHT VAN SPREKEN?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HEEFT DE GEMEENTE RECHT VAN SPREKEN?

10 minuten leestijd

De gemeente

Om een antwoord te kunnen geven op de hierboven gestelde vraag moeten we ons afvragen:

"Wie en wat is de gemeente?"

De gemeente is in ieder geval beslist geen groepje van mensen die het beter weten. Zij is ook geen vereniging waar je lid van kunt worden, met alle voordelen die daaraan verbonden zijn. Zij is iets volkomen anders!

Er zijn bijbelgedeelten waarin we, zij het soms nog wel heel verschillend van ons 'gemeente-denken', toch lezen over het 'gemeente-zijn'.

We kunnen het best beginnen in het Paradijs, het uiterst prille begin van het mensenbestaan. Let er eens even op wie de mens was bij de schepping! Nadat de Heere God heel deze wereld met alle heerlijks van bomen, planten en dieren geschapen heeft, volgt de schepping van de mens. Je zou kunnen zeggen: "Dat is de kroon op het scheppingswerk".

Iemand heeft eens gezegd: "Nadat God alles geschapen had, schiep Hij de mens om God te loven en te prijzen, om de grootheid van God met woorden weer te geven".

Daar hebt u de taak van de mens: Godlover-zijn. De taak die de mens heeft laten vallen en waar niemand op de wereld zich nog druk over maakt.

Na de val

Maar….in het heerlijke Paradijs is de mens van God afgevallen! Hij wordt hiermee een doelmisser. Alles is verbroken. Zo vreemd van God geworden, dat Adam achter een paar struiken wegkruipt, opdat God hem niet zal vinden.

Wat doet God? Hij zoekt de mens op! Zijn mens. Met toorn? Dat zou je kunnen verwachten. Immers, de straf was bedreigd: 'Ten dage als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven". Komt nu de dood? Wordt het oordeel voltrokken?

Dat zou rechtvaardig zijn. Adam noch Eva zouden zich hebben kunnen verdedigen of vrijpleiten. Maar God komt niet met de straf alleen, nee, maar bovenal met een blijde boodschap. Een boodschap van genade en verzoening. En het klinkt door de Hof van Eden: "Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, tussen uw zaad en tussen haar Zaad, en Datzelve zal u de kop vermorzelen" (Genesis 3:15).

Als Adam en Eva even later de grote, boze wereld ingaan, een wereld vol dreiging en gevaar, wilde dieren, doornen en distelen, zweet en tranen, dan ervaren ze de straf op de zonde, maar met zich dragen ze de belofte van God: "De Verlosser komt".

Een nieuw volk

Dan kom ik Abel en Seth tegen, die hebben van Gods belofte gehoord. Hun ouders hebben hen ervan verteld en zij hebben het mogen geloven. Ze denken erover na en….komen later bij elkaar, in het openbaar, om met elkaar de Naam van God te noemen en om samen God aan te roepen.

In Genesis 4:26 staat: "Toen begon men de Naam des Heeren aan te roepen.

Hier begint ook de andere, de 'hogere' waarde van de gemeente: Godloverzijn, God weer bedoelen, niet langer doelmisser zijn.

In het Oude Testament is dat slechts gedeeltelijk werkelijkheid geworden, al schitterde wel in de tempel van Salomo alles tot eer van God. In het Nieuwe Testament krijgt de gemeente van Christus als Godlover een heel duidelijke, een heel belangrijke plaats in de wereld door de woorden van Jezus Zelf: "Gij zult Mijn getuigen zijn". Deze belofte wordt de grote rijkdom van Adams nageslacht. Helaas slechts van een deel; het geslacht van Kaïn bijvoorbeeld, wil er niets van weten en kiest voor een leven zonder Gods belofte (Genesis 4).

Deze belofte wordt later de grote rijkdom van Noach, Abraham, Izak en Jakob en nog later van het hele volk Israël zoals we dat leren kennen in het Oude Testament van de Bijbel. Rond deze belofte scharen mensen zich en vormen zo de eerste 'gemeenten', van nieuwe Godlovers. Het Oud-Testamentische Israël heeft met deze belofte geleefd. De profeten hebben van deze belofte gesproken, de tempeldienst in Jeruzalem was op deze belofte gefundeerd.

Een andere kleur

In het Nieuwe Testament krijgt alles een andere kleur!

De kleur van de vervulling van Gods belofte, het heldere rood van het verlossingsbloed kleurt de bladzijden van het Nieuwe Testament, maar dat kleurt ook de gemeente.

Jezus wordt geboren: "Ere zij God, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen". Hij is de vervulde belof te, Hij is de beloofde Zoon van het vrouwenzaad.

Als Hij lijdt en sterft, is het om "de straf der zonde" op Zich te nemen en voor allen die in Hem geloven de zaligheid te verwerven. Rond Jezus en Zijn discipelen vormt zich de NieuwTestamentische gemeente, die mag leven uit het lijden en sterven van haar Meester. Dat is haar kracht, haar vreugde, haar toekomst, haar waarde, haar heerlijkheid. Dat maakt haar Godlover.

De gemeente zelf bestaat uit zondige mensen van nature. Maar haar waarde ligt in Christus. Voor deze gemeente geldt hetzelfde als voor Israël in het

Oude Testament: "De woorden Gods zijn haar toebetrouwd".

Grote taak

Alleen is er een groot verschil; het Oude Testament heeft over de belofte gewaakt en heeft haar doorgegeven aan het Nieuwe Testament, maar de gemeente van Christus heeft de belofte ontvangen om haar dagelijks door te geven aan een wereld die van Jezus niet weet. De Heiland Zelf heeft op verschillende plaatsen uitdrukkelijk gezegd:

"Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest" (Mattheús 28:19).

"Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie, (de vervulling van de belofte uit het Paradijs, de toebetrouwde boodschap) aan alle schepselen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben zal verdoemd worden" (Markus 16:15,16).

"Gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde" (Handelingen 1:8).

Uit de hier genoemde teksten blijkt overduidelijk welke heerlijke opdracht de Heiland aan Zijn Godlovende gemeente heeft nagelaten: het Evangelie van verlossing, van redding, van eeuwig leven, van eeuwige blijdschap doorgeven in een wereld vol nood, dood, zonde en verderf.

De Koning wil niet dat Zijn verzoende gemeente voor zichzelf alleen uit Zijn lijden en sterven gaat leven en op haar lauweren gaat rusten. Hij wil dat zij als nieuwe Godlovers de wereld intrekken met Zijn Naam, met Zijn Evangelie. Ook naar die mensen die in naam wel christen zijn, maar niet weten van de grote daden van God.

Meer dan doorgeven alleen

Getuige-zijn is meer dan doorgeven alleen. Getuige-zijn is 'kenner' zijn. Kenner van Gods beloften, belever van de vervulling van de belofte, ontvanger van Gods rijkdommen. En dat mag er afstralen, dat móet er afstralen. Elke dag weer.

Als je die gemeente van het Nieuwe Testament ziet, of hoort, dan mag er een uitstraling zijn van Gods goedheid in Jezus Christus, van Gods goedheid in het vervullen van Zijn belofte, in het schenken van de Zaligmaker.

Daar mag de gemeente van het Nieuwe Testament God voor loven en prijzen. In haar erediensten, in haar persoonlijke leven, in de omgang met elkaar als gemeente, maar vooral ook in hun staan midden in de verlorenliggende wereld.

De Heere Jezus heeft enerzijds wel gezegd van Zijn Gemeente in Johannes 17: "Zij zijn niet van de wereld, gelijk Ik van de wereld niet ben…", maar ook: "Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt…"

In de wereld, de boze wereld, de harde, koude, vaak vijandige en afwerende wereld, heeft de gemeente een taak. Meer dan doorgeven alleen, ook: ER ZIJN! Ook in de strijd tegen de dwalingen die de kerk trachten van Jezus weg te trekken.

Tevoorschijn gekomen

Om van dat zijn-in-dewereld een beter beeld te hebben is het goed om even terug te gaan naar het begin.

In Genesis 4:26 staat: "Toen begon men de Naam des Heeren aan te roepen". Hier begint de gemeente, de kerk, heel voorzichtig, maar wel openlijk, tevoorschijn te komen.

En hier krijgen we ook een eerste heldere blik op de gemeente. Ze kwamen bij elkaar om openlijk te kiezen voor de dienst van de Heere en om Zijn Naam aan te roepen, ook al waren anderen, zoals bijvoorbeeld Kaïn, het daar helemaal niet mee eens. Het aanroepen van de Naam des Heeren houdt veel meer in dan alleen maar bidden en danken. Het is verweven met het grootmaken van Zijn Naam. Het loven van Hem, het prijzen van Hem om Zijn grote genade in de belofte geschonken.

Let op: toen was het alleen nog maar in de belofte! Hoewel we er natuurlijk direct bij moeten zeggen: "Die zijn in Christus ja en amen".

Als een baken in zee

Temidden van een wereld vol nood en vragen, vol vijandschap en haat, is er de Gemeente des Heeren, die wél steun heeft in het leven, die wél blijdschap heeft, die wél liefde kent, die wél houvast heeft, die wél antwoord heeft op de levensvragen. Die zelfs antwoord heeft op de allergrootste vraag: "Wat is er toch na dit leven?". Haar juichen is niet over heldendaden uit de geschiedenis, haar leven is niet vast in de traditie of in zogenaamde 'heilige' gebruiken, haar geloofsbelijder) is geen belijden van eigen braafheid, maar een belijden van eigen zondigheid en van eigen zwakheid in het dienen van de Heere en hierin haar afhankelijkheid van de Heere. Zeker in het Nieuwe Testament, na de komst van de Heiland, is het een gemeente die haar antwoord en haar houvast, ondanks haar eigen zondige bestaan, gevonden heeft in haar Heere en Koning: Jezus Christus, omdat Die voor haar gestorven is en begraven… maar ook opgestaan om haar Zijn genadegaven uit te delen. De Koning Die haar gewassen heeft van haar zonden.

Om Zijn Naam groot te maken. Om Hem te loven.

Deze gemeente moet er ook zijn! De Heere Zelf heeft haar een plaats gegeven en een taak.

Basis voor evangelisatie

In dit wezenlijke bestaan van de gemeente ligt de enige basis voor het naar buiten treden van de gemeente, het wijzen op de zonden in de samenleving, het aanspreken van medechristenen op hun dwatenen op hun dwalingen in de leer. Een gemeente die niet alleen een 'stad op een berg is', maar ook 'de stem van een roepende in de woestijn', 'een licht op een kandelaar'. Wat is het nodig, juist in onze tijd, dat voorgangers hierin de aan hen toebetrouwde gemeente voorgaan en onderwijzen. Er is immers zoveel dorheid en vreugdeloosheid in de gemeenten, zo weinig Godloven. Net alsof God het niet meer waard is om Hem te prijzen en te loven. Net alsof de gemeente van Christus geen vreugde meer vindt in de dienst van de Heere en helemaal opgaat in het organiseren en leiden en structureren van haar bestaan. Net alsof alles gewoon kan samengaan met christen-zijn.

Dan is het wel dringend nodig om voor onszelf te weten of we werkelijk een levend deel van deze gemeente van Christus zijn. We kunnen niet leven met een beetje hoop of een 'misschien is het wel zo'. We hebben zekerheid nodig, vooral nu de plaats voor de kerk van Christus steeds kleiner wordt in het wereldgebeuren en de dreigende oordelen van de eindtijd steeds meer de aarde beroeren en de mensen met schrik vervult. Terwijl alles steeds meer spreekt van het voorbijgaande van alles, wordt de taak van de gemeente steeds meer: Godloverzijn!

Dat is haar taak, dat is haar bestemming, dat is haar einddoel.

En dat mag van haar afstralen midden in het leven van alle dag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

In de Rechte Straat | 24 Pagina's

HEEFT DE GEMEENTE RECHT VAN SPREKEN?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

In de Rechte Straat | 24 Pagina's