In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKGESCHIEDENIS

8 minuten leestijd

Het is al weer enige tijd geleden dat we hoorden over Pastoor Martin Boos, de grote prediker. Na allerlei ervaringen vinden we hem in dit nummer terug in Gallneukirchen. Grote dingen gebeuren ook hier als hij het Woord bedient.

Na een tijd van gevangenschap en omzwervingen, komt Boos in Gallneukirchen terecht. Hier werkt hij de eerste jaren in grote rust, zonder verstoord te worden door tegenwerking. Maar vruchten zijn niet zo zichtbaar. Boos zaait het evangeliezaad, maar waar blijven de plantjes? Hij is bedroefd om het ongeloof dat hij overal tegenkomt.

Zijn preken worden steeds vuriger en krachtiger; zijn gebeden en smekingen steeds sterker. Het lijkt wel of hij de hemelpoort bestormt. En… er komt beroering in de beenderen. Een boer, die bekend staat door zijn zondig leven, wordt getroffen. Hij roept zonder ophouden: "Ik ben verloren, voor eeuwig verloren! Het is met mij gedaan, God zal mij nooit vergeven".

Zijn biechtvader geeft hem de raad om zijn beangst gemoed door boetedoening tot bedaren te brengen. Maar hij vindt geen rust. Boos komt met een heel andere boodschap; hij verkondigt hem Jezus, gestorven voor de zondaren.

Maar het lijkt alles tevergeefs, want in plaats dat er hoop komt, weet hij helemaal geen raad meer. In grote zieleangst gaat hij naar de zolder en hangt zich aan een balk op. Zijn vrouw loopt hem achterna en snijdt het touw net op tijd door. Toch gaat het licht niet in zijn ziel op, althans niet zichtbaar. Hij wordt gekweld door zwaarmoedigheid en sterft kort daarna in die toestand.

Dit voorval is voor Boos en zijn kapelaan aanleiding om de zaligheid die in Christus is veel meer openlijk te gaan verkondigen. Het blijkt hem dat nog een aantal personen in zijn parochie gekweld wordt door een diep gevoel van hun zonden. Zij proberen verlichting in hun gemoed te krijgen door boetedoeningen, biechten en gebeden, maar al hun pogingen lopen op niets uit. Boos schrikt van hun toestand, die vaak aan de wanhoop grenst. Hij begint met klem de 'rechtvaardiging uit genade' te preken. Gelukkig blijven de vruchten ook in Gallneukirchen niet uit. Velen komen tot de ruimte van de schuldvergeving. Zij komen tot Christus en vinden in Hem vrede en blijdschap. Hij wordt hun in alles dierbaar, naar het woord van de apostel: "U dan die gelooft, is Hij dierbaar."

Een boer, Michel geheten, die als erg godsdienstig bekend stond, maar aan de angst voor het oordeel van God ten prooi wordt, vindt door middel van het persoonlijk onderwijs de vrede die in Christus is. Een vrouw, die de naam draagt van Magdalena, komt als een verslagen zondares tot Boos om te vragen wat zij moet doen. "Geloof alleen dat Christus voor u is gestorven en dat Hij machtig is al uw zonden te vergeven. Open mond en hart, en neem uw vergeving aan als een aalmoes die van boven komt. De kruimels van het hemelse brood moeten u niet al te overvloedig toeschijnen, want God geeft u veel meer dan de mens kan ontvangen". Vanaf die dag ondervindt zij dat bij Christus genade en vergeving is, zelfs voor de grootste van de zondaren.

Een boerin komt tot het geloof

Er is een boerin in het dorp, die al enige tijd behoefte heeft om de noden van haar hart aan Boos te vertellen, maar mensenvrees heeft haar hiervan weerhouden.

Eindelijk trekt zij de stoute schoenen aan en gaat zij naar de pastorie. Met tranen in haar ogen bedankt zij Boos voor al zijn preken, maar deze is niet gediend van lof van mensen. Hij antwoordt dan ook: "Hoewel u graag mijn preken hoort, en u hier gekomen bent om er mij voor te bedanken, ben ik toch bang dat u op verre na niet gelooft wat ik preek". De boerin is wat geschrokken en probeert de pastoor ervan te overtuigen dat zij het met zijn preken eens is. Boos is hiermee niet zomaar tevreden. Hij zegt dan ook: "Ik twijfel eraan. Als ik uw ontroering en de schrik zie die uw zonden u veroorzaken, blijf ik bij de overtuiging dat er nog zeer veel ongeloof in u is, en dat u niet gelooft dat God u kan vergeven om Christus' wil en dat Hij uw hart met de Heilige Geest wil vervullen".

Dan begint de boerin te huilen en zegt:

"Ach! ik ben op verre na niet wat ik wezen weest mij te vergeven, even- als Hij ook de zondares die de voeten van Jezus met haar hoofdhaar afdroogde, de Samaritaanse vrouw, de apostelen Petrus en Paulus, de moordenaar aan het kruis en zo veel anderen deed. Waarom zou Hij het ook u wilde. Ik ben een te grote zondares; het is onmogelijk dat God mij al mijn zonden vergeeft". Boos vindt deze belijdenis voor het oog wel vroom, maar in het oordeel van God een verloochening van de gewilligheid van Christus en een uiting van haar ongeloof. "Ik ben een veel groter zondaar dan u; het is Hem evenwel mogelijk ge niet kunnen doen? Bedenk eens hoe zeer u God door uw ongeloof op dit ogenblik in de kamer van uw pastoor beledigt".

De samensteller van het boekje over Martin Boos voegt hier de volgende behartigenswaardige opmerking aan toe: "De meeste mensen denken niet dat zij een zonde begaan, als zij niet geloven dat God hun kan en wil vergeven. In hun ogen is het nederigheid, als zij niet in hun vergeving geloven, en daarom beschouwen zij een eenvoudig en vast geloof in de vergeving uit genade als hoogmoed. Zij weten niet dat zij God beledigen als zij niet in Zijn getuigenis geloven, en dat de gelovige aan de waarheid van de Heere hulde doet. Het is nodig dat men hun aantoont, dat de grootste zonde, waaraan de mens zich kan schuldig maken, is God tot een leugenaar te maken; dat wil zeggen door niet aan Zijn Woord te geloven".

De boerin kan haar tranen niet bedwingen. Zij is in grote nood. Boos wijst haar op verschillende bijbelteksten die aangeven dat God de grootste zondaars, die hun zonden gevoelen en er zich over vernederen, genade schenkt. "Geloof dan aan Zijn Woord. Ik verklaar u dat God, de hemelse Vader, u genoeg lief heeft om u meer dan een klomp goud en meer goederen te geven dan u zich kunt indenken, te weten, Zijn enige Zoon, met al Zijn gerechtigheid en heiligheid. Hij wil u in dit ogenblik, zelfs nu, al uw schulden vergeven.

U behoeft alleen te geloven. Gelooft u dat"? "Ik kan niet anders doen", zei zij hardop met de ogen vol tranen. "U bent gelukkig", spreekt Boos, "dat u niet anders kunt. Ga heen in vrede, uw zonden zijn u vergeven"!

"Ik kan nog niet vertrekken, ik ben zo gelukkig, alsof ik in de hemel was. Als u het mij wilt veroorloven, zal ik nog even bij u blijven, nooit eerder heb ik zo'n geluk ondervonden". Zij blijft tot de avond en de vrede die alle verstand te boven gaat, neemt haar gehele ziel in.

Een goede raad

Dit blijft zo niet. Drie dagen later komt zij met tranen in haar ogen bij de pastoor terug. "Helaas! ik ben de vrede kwijtgeraakt; het is er mee gedaan; ik ben verlo ren". Verbaasd vraagt Boos hoe dit zo gauw gekomen is.

"Mijn man is een dronkaard; ik heb veel kinderen; ik ben een herbergierster, en heb veel zaken te doen. Het is mij onmogelijk het langer uit te houden".

Boos begint te lachen en zegt:

"Ik ben wel verzekerd dat uw geloof oprecht was, toen u mij drie dagen geleden zei dat u uw vergeving geloofde, anders zou u nu niet zo hevig aangevallen zijn. Houd moed. Indien het geloof in Jezus niet met alle standen was overeen te brengen, zou de Heere nooit bevolen hebben het aan alle volkeren te prediken. Hij zou uitdrukkelijk hebben moeten zeggen: 'U zult het prediken, noch aan de bierbrouwers, noch aan de herbergiers, noch aan vrouwen die het ongeluk hebben dronkaards en veel kinderen of gasten te hebben; wacht u wel het Evangelie aan die mensen te prediken; zij zullen er niet aan kunnen geloven; zij hebben geen tijd om aan het eeuwige welzijn te denken'.

Maar Jezus heeft zo niet gesproken. Houd moed, en zeg tot uw geestelijke vijand: Ga weg van mij, Satan!"

Met deze woorden kan de vrouw het doen. De Heere versterkt haar geloof en maakt haar tot een eenvoudig middel om anderen voor Christus te gewinnen. Zo komen haar dochters, zusters, dienstmeisjes en enkele buren tot het geloof. Als haar man sterft, denkt zij er niet over om het rustiger aan te doen. Haar ijver voor de dienst des Heeren kent geen grenzen. Altijd is zij bezig met de dingen van Zijn Koninkrijk. Velen waarderen haar grote liefde en bewogenheid, maar anderen verachten haar en proberen haar werk schade te doen. De vijandschap van de wereld gaat aan haar werk niet voorbij, maar de duivel is niet de uiteindelijke overwinnaar.

L.J. van Valen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 augustus 1995

In de Rechte Straat | 40 Pagina's

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 augustus 1995

In de Rechte Straat | 40 Pagina's