DAVID BRAINERD
'Ik had als kind zo'n zorgvuldige opvoeding genoten, dat ik maar weinig afwist van smerige of Godslasterlijke taal, daar ik bijna nooit iemand had horen vloeken. Toch herinner ik mij ogenblikken in de eerste dagen van mijn bekering, dat er zulke boze gedachten in mij opkwamen, dat ik mijn hand stijf op de mond drukte uit vrees van die gedachten uit te spreken. Dit is een der middelen, waardoor satan hen knelt en pijnigt, die God uit zijn hand heeft verlost. Velen van de uitnemendste heiligen zijn aldus gekweld.
Eens ging ik, na op de vreselijkste wijze door de verzoeker te zijn aangevallen, naar mijn lieve, bejaarde grootvader. Ik deelde hem mijn treurige ervaring mee en zei toen: 'Grootvader, ik kan zeker geen kind van God zijn, want anders zouden zulke slechte gedachten niet in mij opkomen'. 'Onzin, Charles', antwoordde de goede grijsaard, 'juist omdat gij een Christen zijt, wordt gij aldus verzocht en aangevochten. Deze Godslasteringen zijn üw kinderen niet; het zijn de kinderen van de duivel, die hij zo graag aan de deur van een Christen neerlegt. Ge moet ze niet als de uwe erkennen; geef hun noch plaats in uw huis, noch plaats in uw hart.' Ik voelde mij zeer getroost en bemoedigd door wat mijn grootvader zei, vooral ook omdat het een bevestiging was van hetgeen een ander bejaard godvruchtige mij gezegd had, toen ik door eenzelfde verzoeking was aangevallen in de tijd, toen ik de Zaligmaker zocht.
Er zijn velen, die er om lachen en er de spot mee drijven als iemand bekommerd is om zijn ziel en zichzelf afvraagt: 'Heb ik de Heere waarlijk lief, ben ik de Zijne, of ben ik niet de Zijne?' Indien zij ooit zullen komen, waar sommigen van ons geweest zijn, dan zullen zij dit lachen en spotten wel verleren. Ik geloof, dat het niet dan een oppervlakkige bevinding is, die de mensen altijd zekerheid geeft omtrent hun toestand, want er zijn tijden van verschrikkelijke beroering, wanneer zelfs het gelovigste kind van God in onzekerheid verkeert en niet weet wat hij van zichzelf denken moet.'
DAVID BRAINERD was zendeling onder Indianen. Hij stierf op 28 september 1747. Bijna stervend sprak hij:
"Mijn hemel is God te behagen en Hem te verheerlijken. Hem alles te geven en helemaal aan Zijn lof toegewijd te zijn… dat is de hemel waar ik naar verlang…
dat is mijn religie en mijn geluk…
Allen die datzelfde geloof bezitten hoop ik daar eenmaal te ontmoeten…"
Nauwelijks nog in staat om te spreken, fluisterde hij: "Kom Heere Jezus, kom haastig…"
Toen hij stierf was hij 29 jaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1993
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1993
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
