DE DROOM VAN DE PAUS
Na een drukke dag van gebed en studie, van audiënties en besprekingen legde de paus zich te rusten. In een droom zag hij een wat oudere man het pauselijk slaapvertrek binnenkomen en uit gewoonte stak hij zijn hand naar hem uit om zijn ring te laten kussen. Maar de man negeerde dat gebaar. Hij knielde ook niet neer. maar ging ongegeneerd op de rand van de pauselijke legerstede zitten en begon te spreken:
Je moet niet bang zijn, broeder, ik ben Petrus, je eerste voorganger als paus. Jij staat nu aan het roer van ons schuitje en ik vind dat jij de raad van een vakman best eens kunt gebruiken. Bij de stormen die ons schuitje tegenwoordig teisteren, zou het wel eens op verraderlijke klippen kunnen lopen en dat zou zware averij kunnen betekenen. Bij zulke stormen m o e t j e de helmstok niet zo krampachtig omklemmen. Of om een andere beeldspraak te gebruiken: je moet niet zo bang zijn om platgetreden paden te verlaten. Daarom zou ik van tijd tot tijd eens een praatje met je willen komen maken.
Vannacht zou ik eens met je willen praten over een verwijt dat de kerk al sinds Constantijn steeds maar weer te horen krijgt: de kerk is rijk. Met alleen te beweren dat de kerk arm is, zoals jij dat doet in je preken, kom je er niet. De mensen moeten het kunnen zien.
Je bent rijk wanneer je meer bezit dan je nodig hebt. Welnu, ik meen dat de kerk inderdaad meer bezit dan zij nodig heeft om te kunnen functioneren. En dat juist die rijkdom haar verhindert de dienende kerk te zijn die de Heere bedoelde.
In Gaudium et Spes (88) staat het volgende zinnetje: "Sunt enim spiritus paupertatis et caritatis gloria et testimonium Ecclessiae Christi" (De geest van armoede en naastenliefde is de roem en het waarmerk van de kerk van Christus). Ik vind dat tamelijk pretentieus geformuleerd, ten minste als je onder de kerk van Christus de Katholieke Kerk verstaat, en dat is toch wel de bedoeling. Die zin is bovendien nogal dubbelzinnig. Hij kan twee dingen betekenen: ten eerste, alleen in de kerk van Christus, de Katholieke Kerk dus, vind je die geest van armoede en naastenliefde en in andere kerken niet; ten tweede, overal waar die geest van armoede en naastenliefde heerst, daar is de kerk van Christus. Die eerste verklaring lijkt mij wat al te aanmatigend; ik wil dus maar aannemen dat de concilievaders het tweede bedoelden. Moeder Teresa vertelde eens het volgende. In India kunnen moslims en hindoes elkaar niet goed uitstaan. Nu bracht Moeder Teresa eens een portie rijst naar een arm hindoegezin. De vrouw schudde onmiddellijk de helft ervan in een pot en zei: "Dat breng ik naar mijn buurvrouw. Die is wel moslim, maar zij heeft ook honger".
Toen ik dat verhaal van Moeder Teresa hoorde, moest ik denken aan die arme weduwe die haar "penningske" in de tempel in de offerkist gooide, en waarvan de Heere zei dat zij meer geofferd had dan al die rijke burgers die grote sommen offerden. Zo stond die hindoe vrouw beslist ook dichter bij de Heere dan menig bisschop of pastoor of kloosterling. Daarom wil ik aannemen dat de bedoeling van die zin uit Gaudium et Spes is: De geest van armoede en naastenliefde zou de kerk moeten kenmerken. Maar dat is zeker lang niet altijd het geval.
Eigenlijk was de "evangelische raad" van vrijwillige armoede helemaal niet gericht tot kloosterlingen, zoals gewoonlijk beweerd wordt, hij is gericht tot alle mensen en in het bijzonder tot de kerk als zodanig.
Wij waren allemaal armoedzaaiers. De beurs van Judas was altijd zo goed als leeg en dat niet alleen omdat Judas een dief was. En de Heere zei zelf dat Hij geen plaats had om zijn hoofd te rusten te leggen. Toch kun je in de Handelingen lezen dat er geen enkele noodlijdende onder ons was, omdat iedereen die goederen had die verkocht en de opbrengst ervan uitdeelde. Toen na de dood van de Heere zich steeds meer bemiddelden bij ons begonnen aan te sluiten en de kwestie van de verhouding armoede/rijkdom actueel werd, heb ik mijn gemeente dat verhaal verteld over die rijke die naar Jezus kwam om te vragen wat hij moest doen om volmaakt te worden. Mijn leerling Marcus heeft dat verhaal toen opgetekend en in zijn evangelie opgenomen. En Matteüs en Lucas hebben het van hem overgenomen.
Maar toen ik dat verhaal vertelde had ik uiteraard geen kloosterlingen op het oog. Ik kende wel een soort kloosterlingen: die verkrampte monniken van Qumran, want Qumran lag dicht bij de plaats waar de Heere door Johannes gedoopt werd. Maar het zou nog bijna drie eeuwen duren, eer er ook in onze kerk kloosters zouden ontstaan. Aan kloosterlingen dacht ik dus in de verste verte niet.
Trouwens de Heere heeft niet alleen tegen die rijke man (Matteüs heeft er een "rijke jongeling" van gemaakt) gezegd: "Verkoop wat je bezit". Hij heeft het ook tegen ons gezegd, en wel meerdere keren, zoals je bij de evangelisten kunt lezen. Maar meestal wordt het voorgesteld alsof Hij dat maar eens - en dan tegen die rijke - gezegd zou hebben.
Dat het verhaal van die man die van de Heere de raad krijgt alles te verkopen en dan zijn volgeling te worden, niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats is opgetekend ter attentie van de kloosterlingen, schijnen toch ook de deelnemers aan het Tweede Vaticaans Concilie begrepen te hebben. In Lumen Gentium (8) staat: "Zoals Christus het verlossingswerk in armoede en vervolging heeft voltrokken, zo wordt ook de kerk geroepen dezelfde weg te betreden om de vruchten van het heil aan de mensen mee te delen". De kerk is er zich dus wel van bewust dat de woorden die de Heere tegen die rijke man zei: "Verkoop wat je bezit en deel de opbrengst uit onder de armen", eigenlijk tot haar gericht zijn. Maar handelt zij er ook naar?
Als je hier in Rome zo eens rondkijkt, dan krijg je de indruk dat de kerk eerder een geest van opzichtige rijkdom dan van evangelische armoede ten toon spreidt. Je zult wel tegenwerpen: Dat is historisch zo gegroeid. Ik zou eerder zeggen: scheefgegroeid; en pausen zoals Nicolaas V en zijn opvolgers hebben er bewust voor gezorgd dat het scheefgroeide. Je weet dat die paus, de eerste renaissancepaus, die al speelde met de gedachte de oude Sint-Pietersbasiliek af te breken om plaats te maken voor een veel pompeuzer gebouw, op zijn sterfbed verklaarde: "Schitterende gebouwen spreken tot de verbeelding van het volk en versterken de gedachte dat de kerk van Rome van goddelijke oorsprong is". Je weet ook dat die paus zich hierin schromelijk vergiste, want een halve eeuw later kwam Maarten Luther naar Rome, en juist die schitterende gebouwen ergerden hem en waren voor een stuk de oorzaak van zijn opstand, waarin hij uiteindelijk een derde van de christenheid meesleurde.
Hier in Rome spreidt de kerk eerder een geest van opzichtige rijkdom dan van evangelische armoede ten toon
Ik had helemaal geen verstand van financies. Dat hoefde ook niet, want ik had geen financies, dus ook geen financiële problemen. Ik kon met een gerust geweten zeggen tegen die lamme bij de Schone Tempelpoort: "Zilver of goud heb ik niet". Ik heb nooit iets van waarde bezeten en ik hoefde dus zeker niet zoals Leo XIII een kist met goudstukken onder mijn bed te verstoppen. Dat doe jij nu natuurlijk ook niet meer, maar financiële problemen heb je wel. Toch ligt volgens de logica van mijn simpele vissersverstand de oplossing van die financiële problemen voor de hand: als je geen financies had zoals ik, zou je ook geen financiële problemen hebben!
Het is inderdaad met de financies van het Vaticaan niet zo florissant gesteld. Helaas, dat is nog niet de evangelische armoede, die de Heere van zijn volgelingen verwacht. Het grote publiek ziet daar niets van en gelooft er ook niets van. Het ziet alleen de overweldigende grootsheid van de Sint-Pieter en van andere kerken in Rome en ook elders, de onschatbare kunstcollecties in de Vaticaanse musea, de Mercedessen met Vaticaans kenteken die hier af en aan rijden, enzovoort. Voor veel gelovigen is dat allemaal geen getuigenis, maar een bron van ergernis, en voor ongelovigen een steen des aanstoots.
En dan horen ze ook nog over financiële schandalen waar het Vaticaan in verwikkeld is, zoals dat van de Banco Ambrosiano en de geheimzinnige dood van Roberto Calvi, de directeur van die bank, die in 1982 dood aangetroffen werd, opgehangen onder de Londense Blackfrairs Bridge. Door het Italiaanse gerecht werd zelfs een aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen Mgr. Marcinkus, de direkteur van jullie Vaticaanse bank. Niemand weet precies welke rol het Vaticaan hier gespeeld heeft, maar het grote publiek denkt: Waar rook is, is vuur.
Om al die redenen meen ik in verband met de armoede die jullie kerk zou moeten kenmerken, een paar opmerkingen te moeten maken. Heb je hier in Rome echt zo'n bestuursapparaat nodig? Het eerste Vaticaans Concilie legde eigenlijk alle macht in handen van de paus; de bisschoppen konden en mochten alleen wat de Heilige Stoel hun delegeerde. Vaticanum II draaide de zaak om: alle macht berust bij de bisschoppen, behalve wat uitdrukkelijk aan de paus wordt voorbehouden. Dat was zeker een stap in de goede richting. Maar jullie schrikken ervoor terug daar de consequenties uit te trekken. Je zou aan de lokale kerken namelijk heel wat meer autonomie kunnen geven volgens het subsidiariteitsprincipe. Dan zou je je bestuursapparaat hier in Rome al heel aardig kunnen afslanken, met als gevolg: minder kantoorruimte, minder bezoldigd personeel, dus minder uitgaven. Heel wat werk dat nu hier in Rome gedaan moet worden, zou in de lokale kerken niet alleen even goed maar zelfs beter gedaan kunnen worden. Daar zijn ze uiteraard beter op de hoogte van de plaatselijke situatie dan jouw curie hier in Rome. En bovendien zou het daar ook nog heel vaak gedaan kunnen worden door onbezoldigde vrijwilligers. Ik bedoel dus kort en goed: decentraliseren.
Wanneer in de middeleeuwen een hertog of graaf in financiële moeilijkheden verkeerde, richtte hij een "bede" tot de vertegenwoordiging van de rijke sleden. Die antwoordden dan: "Goed, hertog of graaf, je kunt dat geld krijgen, maar op voorwaarde dat je ons die of die vrijheid toestaat", dus decentraliseert. Als ik nu bisschop was van een kapitaalkrachtig bisdom (die zijn er helaas, en ik betreur dat), zou ik ook tegen jou zeggen: "Goed, paus, je kunt dat geld krijgen, maar op voorwaarde dat je decentraliseert".
Natuurlijk hebben mijn opvolgers zich ook weer tegen zulke manoeuvres afgeschermd door te beweren dat hun wil identiek zou zijn met de wil van God, net zoals de absolutistische koningen die hun onderdanen voorhielden dat zij koning waren "de droit divin". Ik betwijfel of de wil van de paus altijd identiek is met de wil van God. In het verleden is dat in ieder geval heel vaak niet zo geweest. Het was toch zeker de wil van God niet dat Nicolaas V in 1452 met de bul Dum Diversas de Portugezen verlof gaf op slaven te jagen als dat maar moslims of heidenen waren.
Dus afslanken van je bestuursapparaat hier in Rome door te decentraliseren. Maar daar zijn jullie allergisch voor. Meen je nu echt dat de Heilige Geest alleen hier in Rome zou kunnen werken? En dat Hij daar zo'n bestuursapparaat voor nodig zou hebben?
Vanzelfsprekend is het afslanken van je bestuursapparaat bijlange na niet voldoende. De kerk zou als zodanig een geest van evangelische armoede moeten uitstralen om echt geloofwaardig te zijn wanneer zij aan de wereld verkondigt dat aardse goederen maar een betrekkelijke waarde hebben. Begin dus met het verkopen van alles wat voor het behoorlijk functioneren van het bestuur van de kerk niet absoluut nodig is. Ik denk hier bij voorbeeld aan de kunstschatten van de Vaticaanse musea. Nee, zet nu niet onmiddellijk je stekels op, maar denk aan het woord van de Heere: "Verkoop wat je bezit" en kom niet aandragen met voorwendsels als: Die kunstschatten horen toe aan de hele mensheid. Zou de Apollo van Belvedere of de Eaocoöngroep minder aan de mensheid toebehoren als je ze kon bewonderen in een museum in Parijs of New York of Tokio, dan nu ze in het Vaticaans museum staan? Dus uitverkoop van het patrimonium van de Heilige Stoel? Precies. Dat zei de Heere toch tegen die man uit het evangelie (en niet alleen tegen hem): "Verkoop wat je bezit", dus je patrimonium.
De collectieve rijkdom van arme kloosterlingen is een bron van voortdurende ergernis
De houding die jullie aannemen in deze is er een van: wij hebben "gespecialiseerde" mensen om de evangelische armoede te beoefenen, de kloosterlingen. Die doen dat "beroepshalve". Laten we dan nu eens praten over die "professionele" beoefenaars van de evangelische armoede; hoe zouden die het best in deze tijd gestalte geven aan die evangelische armoede? Zou het aan te raden zijn dat zij weer zoals de eerste franciscanen als rondtrekkende bedelaars de mensen in stad en land gaan lastigvallen en op de hoeken van de straten - eventueel in adamskostuum - gaan staan preken? Wat dat bedelen betreft: Perfectae Caritatis (13) zegt heel terecht dat kloosterlingen zich gebonden moeten weten aan de algemene wet van de arbeid, dat zij dus niet mogen leven van bedelarij. En mijn geleerde vriend Paulus schreef aan zijn christenen in Tessalonika:
"Als iemand niet wil werken, moet hij ook maar niet eten".
Perfectae Caritatis (13) zegt ook heel terecht dat het getuigenis van evangelische armoede niet hierin bestaat dat je niet een paar schoenen of een nieuwe hoed mag kopen zonder toestemming van de overste, want een getuigenis moet gehoord en gezien worden.
De leefregels van jullie kloosterinstellingen formuleren het allemaal wel heel mooi, wanneer zij spreken over de evangelische armoede. Maar, laten we eerlijk zijn, in jullie geïndustrialiseerde landen leven de allermeeste kloosterlingen even luxueus als andere christenen. Zij kunnen zich zelfs niet zelden dingen permitteren die hun medechristenen zich niet kunnen permitteren.
De gewone gelovigen krijgen van de vrijwillige armoede van de kloosterling heel weinig of niets te zien of te horen. Zij zien alleen de monumentale en heel comfortabel ingerichte kloosters, en daar zijn dan vaak ook nog grote scholen of drukkerijen of ziekenhuizen en dergelijke aan verbonden, die eigendom zijn van het klooster. Nu kan het best zijn dat een individuele kloosterling een heel arm leven leidt in een heel rijk klooster. Maar de buitenwereld ziet alleen de buitenkant: machtige gebouwen, kunstschatten, parken, boomgaarden, uitgestrekte landerijen… En dan zijn er kloosterlingen die daar nog trots op zijn ook, die tegen een bezoeker durven zeggen: "Kijk eens wat een prachtig gebouw, wat een mooi schilderij, wat een schitterend beeld; en dan moet je ons park zien of onze boerderij met allemaal stamboekvee…"
Je kunt gerust stellen dat kloosterlingen daarmee geen getuigenis geven, maar precies het tegendeel: ergernis. Dat is ook weer een gevolg van het verlangen van de kerk eigen scholen, eigen ziekenhuizen enzovoort te bezitten. Als de kerk al die instellingen niet bezat, zou het voor een kloosterling al heel wat gemakkelijker zijn zo'n collectief getuigenis van evangelische armoede te geven.
Er is niets op tegen dat een individuele kloosterling een functie bekleedt in een school, een ziekenhuis of wat voor sociale instelling ook, maar als een klooster er eigenaar van is, lijkt het geven van een collectief getuigenis van evangelische armoede mij uiterst moeilijk. Vanzelfsprekend ben ik realistisch genoeg om te beseffen dal een klooster niet vandaag op morgen een grote school, een ziekenhuis of iets dergelijks kan verkopen en de opbrengst ervan kan storten op de rekening van een of andere organisatie voor ontwikkelingshulp, en er zijn natuurlijk ook streken - zeker in de ontwikkelingslanden - waar dat echt helemaal niet opportuun zou zijn. Maar jullie zouden eens in die richting moeten gaan denken en het uiteindelijke doel zou moeten zijn: kloosters die zelfs niet de schijn wekken van collectieve rijkdom.
De collectieve armoede in de kloosters zou weer een herkenbaar christelijk getuigenis moeten worden
Het is voor kloosterlingen, zeker in jullie geïndustrialiseerde landen, moeilijk een echte inhoud te geven aan het begrip "evangelische armoede". Dat is naar mijn mening ook een van de redenen waarom buiten de ontwikkelingslanden zo weinig jongeren zich geroepen voelen tot het kloosterleven. Die jongeren denken misschien toch niet zo materialistisch als algemeen wordt aangenomen, al zijn ze opgegroeid in weelde en luxe. Maar een getuigenis van evangelische armoede zien ze niet bij de kloosterlingen die ze ontmoeten.
In de ontwikkelingslanden zijn er dan weer erg veel "roepingen". Maar daar is een van de motieven om naar het klooster te gaan zonder twijfel de sociale status van de kloosterling en de bestaanszekerheid. En dat is nu ook weer geen evangelische armoede. Je hele bezit verkopen is nogal gemakkelijk als dat bezit nagenoeg nihil is en je weet dat je in het klooster alles krijgt.
De evangelische raad van vrijwillige armoede wordt door de Heere zo onder woorden gebracht: "Verkoop wat je bezit en verdeel de opbrengst onder de armen". Afstand doen van je bezit is dus niet voldoende, je moet de opbrengst ook verdelen onder de armen. En daar komt helemaal niets van in huis. Toch zijn er op dit ogenblik, ook relatief gezien, meer armen in de wereld dan op het ogenblik dat de Heere dit woord uitsprak.
Al ben je er heel goed van op de hoogte, toch wil ik er even aan herinneren: de miljoenen hongerlijders in de Derde Wereld, kinderen die ten gevolge van ondervoeding heel hun leven gehandicapt zullen blijven, ouders die uit armoede hun kind verkopen, haveloze vluchtelingen in stinkende kampen, krotbewoners in de ellendewijken van de grote steden, landarbeiders die uitgebeend worden door grootgrondbezitters, zieken voor wie er geen dokter, geen ziekenhuis, geen medicijnen ter beschikking zijn, daklozen die leven en sterven op straat - denk aan Calcutta, waar Moeder Teresa haar apostolaat begon - …
Als nu eens niet alleen de individuele kloosterlingen afstand zouden doen van nietnoodzakelijke goederen, maar juist de kloosters alle overtollige goederen zouden verkopen en de opbrengst zouden verdelen onder de armen van deze tijd… Natuurlijk zou het armoedeprobleem daarmee niet opgelost zijn, maar zo zou de vrijwillige evangelische armoede toch weer een herkenbaar christelijk getuigenis worden en zou het kloosterleven weer wat geloofwaardiger worden.
Tot slot nog een opmerking om alle misverstand te voorkomen: het is zeker niet mijn bedoeling de heldhaftige naastenliefde waarvan missionarissen blijk gaven en geven, ook maar enigszins te kleineren. Zij bouwden en bouwen inderdaad scholen, ziekenhuizen en noem maar op. Zij doen daarmee wat de kerk ook in jullie geïndustrialiseerde landen eeuwen geleden gedaan heeft. Als de kerk er zich maar goed van bewust is dat ook in de ontwikkelingslanden eens de tijd zal komen dat zij al die instellingen die zij nu opbouwt, aan de burgerlijke samenleving moet overdragen. Waar ik je vannacht vooral van had willen overtuigen is, dat niet (alleen) de kloosterlingen, maar vooral de kerk als zodanig en dan bijzonder de kloosters een (collectief) getuigenis van evangelische armoede zouden moeten geven.
Waarschijnlijk hebben sommige van mijn uitspraken je danig geschokt. Dat is begrijpelijk. Wij waren ook geschokt toen de Heere die rijke man zomaar wegstuurde met de raad (of het bevel) zijn hele vermogen te verkopen. Maar de Heere nam er geen woord van terug. Integendeel, Hij deed er nog een (linke schep bovenop: "Een kameel gaat nog gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke door de hemelpoort".
Broeder, ik wens je verder een verkwikkende nachtrust. En tot een volgende keer.
Dit geschrijf is ook een stukje autotherapie: reflecties van iemand die meer dan een halve eeuw in het klooster heeft doorgebracht en zich gefrustreerd voelt omdat hij ziet hoe het kloosterleven op zijn retour schijnt te zijn. Door deze vorm te kiezen kon ik Petrus eens gewoon in een gemoedelijk gesprek tegen de paus laten zeggen, wat ik zelf wel eens in een gemoedelijk gesprek "auf du und du" tegen de paus zou willen zeggen. Ik heb hem nog wel meer te zeggen dan wat hierboven staat. Wanneer er dus niet teveel protest komt, zullen wij de paus nog wel eens laten dromen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1993
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1993
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
