In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

GELOOFSVERVOLGING IN VLAANDEREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GELOOFSVERVOLGING IN VLAANDEREN

9 minuten leestijd

Uit "De Geschiedenis van het Protestantisme" Dr. C.P. Hofstede De Groot nemen wij over:

Niet overal zou de Hervorming even gemakkelijk de overwinning behalen. Zij moest haar zege dikwijls betalen met het bloed van haar edelste zonen. De heldenmoed van een Luther, de geleerdheid van een Melanchton, het geloof en de ijver van honderden Evangeliepredikers waren haar roem en kracht; zij moest nog bevestigd en verheerlijkt worden door het lijden van haar martelaren.

De eerste brandstapel werd niet in Wittenberg opgericht. Hoe gaarne Karei V "den monnik" ook aan de vlammen zou hebben opgeofferd, ja, Wittenberg zelf, dat broeinest der gevloekte ketterij, in as en puin had doen verkeren, het ontbrak hem aan de macht; zelfs de Rijksdag nam immers de afval van Rome in bescherming. De keizer vermocht alleen zoveel als de Duitse vorsten wilden toelaten.

In 1522 barstte de storm los. Antwerpen moest al het geweld van Kareis dwingelandij ondervinden. Deze machtige handelsstad scheen een brandpunt der Hervorming te zullen worden. Binnen haar muren werd door de wakkere Hans van Rumunde de eerste Nederlandse vertaling van Luthers overzetting van het Nieuwe Testament uitgegeven. Hij bracht haar nog in het jaar 1522 in de handel. Meer dan één boekdrukker volgde zijn voorbeeld, waaronder de beroemde Jakob van Liesveldt, die reeds in 1526 een volledige Bijbel liet verschijnen. Antwerpen werd een stapelplaats van Nederlandse Nieuwe Testamenten en Bijbels. Eens werden van daar tegelijkertijd drie scheepsladingen ervan naar Spanje verzonden.

Jakobus Spreng en Hendrik van Zutfen.

Twee vrienden van Luther stonden achtereenvolgens aan het hoofd van het Augustijnerklooster: Jakobus Spreng, meer bekend onder de naam van Praepositus of Proost, en Hendrik van Zutfen. Door hun invloed werden de kloosterbroeders met de geschriften van Luther bekend. Hun bemoeiingen hebben ongetwijfeld tot de spoedige vertaling van Luthers Nieuwe Testament veel bijgedragen.

Intussen had Karei in mei 1521 zijn plakkaat tegen de ketterij laten afkondigen. Als eerste slachtoffer viel Comelius Grapheus, secretaris van de stad Antwerpen. Jaren geleden had hij een voorrede voor een door hem vertaald geschrift over de vrijheid van de Christelijke Religie in het licht gegeven. Om die daad, welke toen nog niet strafbaar werd gesteld, werd hij door de beruchte Frans van der Hulst naar de gevangenis gesleept. Hij moest in het voorjaar van 1522, op een schavot te Brussel alle ketterij afzweren en zelf zijn overigens vrij onschuldige voorrede in het vuur werpen… Daarop werd hij weer in de kerker gezet en vernam dat zijn goederen verbeurd waren verklaard en dat zijn vrouw en kinderen in armoede rondzwierven. Eerst na vele maanden werd hij in vrijheid gesteld.

Als Rome zo woedde tegen een man, wiens misdrijf niet van de ergste soort was en die berouwvol tot de kerk terugkeerde, wat hadden zij dan niet te verwachten, die het vuur der ketterij hadden gestookt!

Weldra moesten de Augustijners het ontgelden. Praepositus werd gevangen genomen, herriep echter zijn gevoelens en kreeg daardoor zijn vrijheid terug. Het verkondigde opnieuw het Evangelie, werd weder gevangen, maar wist te ontvluchten en stond later aan het hoofd van de Hervorming te Bremen.

Hendrik van Zutfen werd. toen hij juist uit Wittenberg was teruggekeerd, door zijn ordebroeders geroepen om de plaats van Praepositus te Antwerpen in te nemen.

Met kracht predikte hij het Evangelie en hij vond zo'n algemene goedkeuring, dat er gaanderijen in de Augustijnerkerk moesten bijgebouwd worden om de menigte der toehoorders te kunnen plaatsen. Met dubbele belangstelling werd zijn woord vernomen, omdat het ook gericht was tegen de aflaathandel, die toen in Antwerpen op de onbeschaamdste wijze werd gedreven.

Doch Hendrik bepaalde zich niet bij zijn kloosterkerk. Dikwijls predikte hij in de open lucht en nooit ontbrak het hem aan toehoorders. Weldra was dit in Brussel, waar Van der Hulst zijn verblijf hield, bekend. Een bevel tot inhechtenisneming werd nu onmiddellijk uitgevaardigd en de kerker bij voorbaat reeds voor de ketter in gereedheid gebracht.

Hendrik liet zich hierdoor niet afschrikken. Op Sint Michiel (29 sept. 1522), toen scharen van vromen naar de St. Michielsabdij stroomden om er het feest van de beschermheilige te vieren, ging Hendrik op de hoek der Muntstraat aan de oever der Schelde staan en begon er te prediken van Hem, Die meer is dan alle heiligen.

Honderden hingen aan zijn lippen. Opeens echter werd zijn rede door wapengekletter gestoord. Stadsdienaren drongen met geweld door de menigte heen en namen de prediker gevangen. Hij moest naar Brussel worden vervoerd. Voorlopig werd hij in een kamer der abdij in bewaring gehouden. Het vervoer naar de hoofdstad zou 's nachts geschieden!

Doch Antwerpens bevolking koesterde te veel liefde voor haar moedige leraar om hem zo te laten wegslepen. Zij schoolde samen, en weldra was het getal der misnoegden tot duizenden aangegroeid. Eer de wacht het kon verhinderen, werd de deur der abdij opengelopen en Hendrik aan het geweld van zijn vijanden ontrukt.

In triomf geleidde men hem nu naar het klooster der Augustijnen terug. Zo weinig vermocht Rome op dat ogenblik in deze machtige stad, dat Hendrik drie volle dagen ongedeerd in zijn klooster kon blijven. Toen achtte men het echter geraden, dat hij de stad verliet. Hij ontvluchtte naar Amsterdam en kwam over Zutfen te Bremen.

Nauwelijks was Hendrik ontkomen, of het Geestelijk Gerecht daagde op om wederom, en nu voorgoed, de hand op zijn prooi te leggen. Toen het zag dat deze ontsnapt was, koelde het zijn wraakzucht aan het klooster zelf en aan de nog aanwezige monniken. Het gebouw werd, als een broeinest van ketterij, tot op de grond geslecht.

Aan de monniken die men machtig had kunnen worden, werd de keus gelaten tussen het afzweren van hun ketterse gevoelens of de vuurdood. Enigen kozen het behoud van hun leven, anderen dat van hun ziel.

Hendrik Voes, Johannes Esch en Eambertus Thorn.

Drie bleven standvastig: H. Voes, J. Esch en L. Thorn.

Zij werden ter dood veroordeeld. Voes en Esch werden naar Brussel overgebracht. Thorn voerde men - waarom is niet met zekerheid bekend - naar zijn gevangenis terug. De le juli 1523 werden zijn twee lotgenoten op de grote markt te Brussel ontwijd en aan de vlammen overgegeven.

"Zij leden", zo verhaalt Brandt, "de dood des vuurs blijmoedig, met een wonderbare standvastigheid. Als zij naar de paal geleid werden, riepen zij met luide stem dat ze stierven als christenen. Aan de paal gebonden zeiden ze, toen men het vuur aanbracht, de Twaalf Artikelen van het Geloof op en straks daarna de lofzang 'Te Deum laudamus' (= Wij prijzen U o God), die zij elkander vers om vers, beurt om beurt, toezongen."

De vlammen hadden het touw, waarmee zij aan de paal gebonden waren, verteerd, nog eer zij zelf gestikt waren. Toen viel een van hen in het vuur op de knieën, hief de handen omhoog en riep: "Heere Jezus, erbarm U over ons!" Daarna gaven beiden de geest.

Zo stierven de eerste martelaren der Hervorming. Zij waren de eerstelingen van een rijke oogst: duizenden en tienduizenden zouden hen in deze zelfde Nederlandse gewesten volgen; honderdduizenden zouden in geheel Europa hetzelfde pad des bloeds en der tranen, maar ook des gejuichs en der overwinning betreden.

Luther begroette hun sterven met dankzegging.

"De tijd is aangebroken", zo schreef hij in een brief aan al zijn beminde broeders in Christus, die in Holland, Brabant en Vlaanderen zijn, "dat wij het gekir der tortelduiven horen en dat de bloemen uitspruiten in ons land. Aan u is, boven de gehele wereld, het voorrecht gegeven om niet alleen het Evangelie te horen en Christus te kennen, maar ook dat gij de eersten zijt, die voor Christus schade en schande, angst en nood, gevangenis en gevaren moet verduren en nu zo sterk geworden zijt, dat gij het met uw eigen bloed hebt overgoten en bezegeld, en dat die twee edele parelen van Jezus Christus, Hendrikus en Johannes, te Brussel hun leven gering hebben geacht, opdat Christus geprezen mocht worden.

O, hoe smadelijk zijn die twee ter dood gebracht. Maar hoe heerlijk zullen zij met Christus in eeuwige vreugde wederkomen en degenen rechtvaardig vonnissen door wie zij onrechtvaardig veroordeeld zijn!"

Aan Lambertus Thorn, die nog in sombere gevangenis zuchtte, schreef hij: "Ik mag mij, bij u vergeleken, wel gering achten, ofschoon men mij als de eerste noemt, die de leer, waarom de twee broeders verbrand zijn en gij nu gekerkerd zijt, heb aan het licht gebracht. Maar ik houd mij hierin voor de laatste, omdat ik dergelijke vervolgingen nog niet heb ondergaan, en misschien ook nimmer waardig zal worden terwille van de Naam en het Woord van Christus smaad en nood te lijden. Doch ik wil deze minderheid weder hiermede goed maken, dat ik mij troost, dat uw banden zijn mijn banden, dat uw kerker mijn kerker en uw blijdschap mijn blijdschap is. Bovendien verkondig ook ik openlijk aan de goddeloze wereld, haren vorst en zijn engelen, hetzelfde Woord, waarvoor zij gevangen en verbrand zijn. Weshalve ook ik met u lijd en mij verblijd."

Door dit martelaarschap bezield, dichtte Luther zijn eerste lied. Een zegezang, die alleszins geschikt was om velen in geestdrift voor het geloof dier helden te ontvlammen. Een gedeelte van dit lied laten wij hier volgen:

Een nieuw gezang wij heffen 't aan

Het klimt tot God den Heere!

Wij roemen wat Hij heeft gedaan.

Zijn grote Naam ter ere.

Te Brussel, Neêrlands hoofd en pracht.

Gaf door twee jongelingen

Hij blijken van Zijn wondermacht;

Wie zou Zijn lof niet zingen?

En toen zij nu de monnikspij

en 't priesterkleed hun namen,

hief 't edel paar den blik omhoog

en juichte dankend: Amen!

Toen liet aan hen Gods gunst zich zien:

Zij zouden priesters worden,

Zichzelven Hem ten offer biên

En treên in Christus' orden.

Hun as gloeit voort en koelt niet af

Zij stuift van land tot lande;

Hier baat geen stroom, kloof, groeve of graf,

den vijand baart zij schande.

Wie bij hun leven door dien moord

tot zwijgen zijn gedwongen,

Zij spreken thans in ieder oord;

en door veel duizend tongen

Wordt blij hun lof gezongen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1992

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

GELOOFSVERVOLGING IN VLAANDEREN

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1992

In de Rechte Straat | 32 Pagina's