ROME-REFORMATIE … een vertroebeling van de dialoog
Drs. M. Dieperink, bekend om haar publikaties tegen New Age en tegen het feminisme, heeft een discussienota gepubliceerd, getiteld: EEN DIALOOG ROME-REFORMATIE - Wat leert Rome werkelijk? Is oecumene mogelijk? Van dhr. I.G.H. van Ginkel, journalist van het RD, vernam ik dat zij getracht heeft voor dit manuscript een uitgever te vinden, maar er niet in is geslaagd. Daarom heeft ze tiet zelf uitgegeven in A4-formaat, in ringband.
Ik verbied u …
Zij had mij een exemplaar toegezonden. Ik schreef er een recensie over en zond sen kopie daarvan, zoals mijn gewoonte is, naar de auteur.
Die recensie betrof de eerste 61 bladzijden van haar geschrift. Die handelen over de genadeleer. Alleen al in die 61 bladzijden had ik 31 onjuistheden aangestreept. Daarom kon ik de moed en de lust niet opbrengen om het manuscript verder te lezen.
Dieperink antwoordde echter: "Ik verbied u in IRS melding te maken van deze discussienota." Ik heb haar geantwoord: "Iets dat ter verkoop wordt aangeboden, mag volgens de Nederlandse auteurswet gerecenseerd worden. Ik wil echter deze recensie desondanks niet in IRS publiceren, als jij dat liever niet hebt, want ik vind het niet prettig, als onze verstandhouding daaronder zou lijden ".
Een aanval
Dhr. Van Ginkel wees mij er echter op, dat Dieperink in het vervolg van haar manuscript mij (HJH) met name noemt en bestrijdt. Het schokte mij behoorlijk dat iemand, die zich in haar geschrift herhaaldelijk 'protestant' noemt en met wie ik meende een goed contact te hebben, mij in een discussienota vanuit een gesprek met een pastoor, drs. K. Smits, bestrijdt, zonder mij van te voren een kopie te sturen.
Dat had ik allerminst verwacht van haar, die in haar 'woord vooraf' schrijft: "We moeten elkaar niet aanvallen, maar aanvullen".
In een latere brief bedreigde ze mij zelfs: "Ik wil u daarom waarschuwen, om uw toon wat te matigen. Anders zou u wat ernstigs kunnen overkomen ". Vroeger zou zo'n bedreiging luiden: "Anders ga ik u aangeven bij de Inquisitie".
Het bevreemdde mij ook dat zij mijn boek niet met de titel noemde en dus ook niet met de bladzijde, waaruit zij citeerde, terwijl ze soms wèl bronnen vermeldt. Dat wekt het vermoeden dat ze bang was dat lezers mijn hoek ("De kinderdoop een Spreken van God") erop zouden naslaan en tot de ontdekking zouden komen dat ze wat ik daar schreef, volkomen verminkt weergeeft. Haar geschrift werd echter enige tijd later in het r.-k blad "Bouwen aan de nieuwe aarde" ter lezing aanbevolen. Daarom leek het mij om verschillende redenen goed om er in IRS uitvoerig aandacht aan te besteden.
Karikaturen van de r.-k. leer
Het boek wemelt van vertekeningen van de r.-k. leer, die zij, zo beweert zij, in protestantse kringen vernomen had. Een paar voorbeelden:
"Het grote verwijt van ons, protestanten, is dat de katholieke leer te kort doet aan de soevereiniteit van Gods genade door naast of zelfs in plaats van de genade de verdienstelijkheid van de genade te plaatsen ".
"Ook heb ik geleerd dat de katholieken alleen de straffende en veroordelende gerechtigheid Gods kennen en niet de barmhartigheid en de liefdevolle genade van God" (p. 7).
"Nu heb ik gehoord dat de eucharistie occult zou zijn, omdat er onder het altaar een toveramulet verborgen zou zijn" (102).
Ik kan ook wel allerlei absurde opvattingen van rooms-katholieken over wat het protestantisme leert, opsporen en in ons blad vermelden. Maar wat voor zin heeft dat, zolang een dergelijke karikatuur van het protestantisme niet is gepublieeerd?
Lutherlaster in 1992 (!)
Maar het staat ook vol van onjuiste weergaven van wat het protestantisme leert. Bij voorbeeld:
"Door Gods verkiezing gaan ook mensen onverdiend verloren voor eeuwig". Dus "God zou naar willekeur personen haten of liefhebben" (25). "Het doen van geboden paste niet in het denken van Luther" (41).
Smits: "Luther zou dus gezegd hebben dat in de Bijbel de offergedachte niet voorkomt" (99). Dieperink: "Luther ziet de kruisdood ook niet als een werk dat Christus volbracht heeft" (100). Gezellig, samen zulke onwaarheden over Luther uit te wisselen!
"Luther was bezield door zo'n grenzeloze haat tegen de Paus en de R.-K. Kerk dat hij het misoffer wilde afschaffen om zo de katholieke kerk te kunnen vernietigen" (87). Zelfs deze paus sprak heel anders, met veel respect, over Luther dan Martie Dieperink, wanneer zij zo te keer gaat tegen deze grote, gelovige reformator.
"Het opmerkelijke is dat hij (Luther) de relatie tussen God en mens precies zo ziet als de relatie tussen satan en de mens: als een relatie van meester en knecht. In beide gevallen zijn we een slaaf. In Gods handen zijn we als een zaag of een bijl, zo zegt hij. Maar als wij een zaag of een bijl zijn, dan is er geen wederzijdse relatie tussen mens en God mogelijk. Hij gaat in zijn theologisch denken ook niet van een wederzijdse relatie uit" (46).
Blunder
Hoe kan iemand die ook maar een beetje afweet van de bekeringsgeschiedenis van Luther, zo'n onzin neerschrijven? Vóór zijn bekering dacht Luther inderdaad dat de gerechtigheid Gods waarover Faulus het vooral in de brief aan de Romeinen heeft, de gerechtigheid is, die God van ons EIST. Daarom haatte hij die woorden "gerechtigheid Gods". Maar de grote ommekeer kwam toen hij op zekere avond ontdekte dat Paulus daarmee bedoelde: de gerechtigheid, die God ons SCHENKT in Christus.
Dat drs. Dieperink die zich een protestantse theologe noemt, zo'n blunder maakt, s tot daar aan toe, maar pastoor Smits had toch moeten weten dat dit een loutere eugen is.
Dieperink noemt haar geschrift: "Een dialoog Rome-Refomatie". Een passender iaam zou zijn geweest: een "Martie-loog over Rome-Reformatie". Want wat voor :in heeft een dialoog, wanneer je zo'n volstrekte karikatuur van eikaars belijden maakt?
'Moeten"?
Maar beiden, noch Dieperink noch Smits, blijken de leer van Luther en van aulus begrepen te hebben.
Zo zegt Smits dat alleen het geloof niet voldoende is, maar "je moet toch ook laar het geloof leven. Wij moeten … Er moet nog heel wat gebeuren".
Hij denkt zeker dat volgens ons een mens, wanneer hij tot geloof is gekomen, :ich aan God noch gebod meer hoeft te storen, want hij is immers dan toch zeker dat hij in de hemel komt.
Pastoor Smits, ik had niet gedacht dat een r.-k. priester in onze tijd met die /roegere stereotiepe vertekening van het reformatorische belijden aan zou komen dragen.
Inderdaad, vanzelfsprekend leren ook wij: "Je moet toch naar het geloof leven". Vlaar dat 'moeten' heeft bij ons een heel andere betekenis dan bij u.
Nadat wij tot geloof in Christus zijn gekomen 'moet' er niets meer op grond van rsEN WET BUITEN ONS. Paulus zegt dat herhaaldelijk: "Gij zijt niet meer onder le wet" (= onder het wettische 'moeten'), "maar onder de genade" (Rom. 6:14). 3e liefde, de samenvatting en de bezieling van alle geboden, is een vrucht van de Heilige Geest (Gal. 5:22). Ze komt bij ons voort uit het geloof, niet uit de wet, liet uit het 'ik móet, want anders krijg ik ervan langs'.
Wanneer het 'moeten' als een eis van de gestrenge God op ons afkomt, reageert 3nze bedorven natuur daar zö op: ofwel we komen tegen deze God in opstand en ^aan, althans diep in onze ziel, Hem haten, ofwel we gaan uit angst proberen zo 'oed mogelijk die wet te volbrengen om aan de eisende God te voldoen. Vaak wisselen angst en haat elkaar dan af.
De wet van de liefde
Maar er is nog een ander soort 'moeten' dan het 'moeten van de wet buiten ons'. Dat is het 'moeten' van de dankbare wederliefde, het 'moeten' dat vanzelf voortspruit uit het eeuwige leven dat een gelovige van Christus heeft ontvangen, le kunt dat ook een 'wet' noemen -dat doet Paulus ook (Rom. 8:2)-, maar dat is dan de innerlijke wet van de liefde. Wie Christus door de wedergeboorte lief heeft gekregen, wil natuurlijk zo nauwgezet mogelijk Zijn wil volbrengen.
Wanneer wij ons uit de zonde verlost weten door de liefde die God ons in Christus heeft betoond, dan komt de liefde vanzelf, als een eeuwige- levensnoodzakelijkheid uit ons voort. Dan is de wet "in ons hart geschreven" (Hebr. 8:10). We hebben die wet waarachtig lief, van binnen uit.
Zo heeft Luther het geleerd. Hoe kunnen Dieperink en Smits hem dan eenzijdigheid verwijten, alsof hij de werken van geen belang zou hebben geacht?
Terecht heeft Luther en hebben de reformatoren steeds weer de nadruk gelegd op de rechtvaardigheid van Christus, die ons deel wordt langs de weg van geloof alleen. Want wij, mensen, hebben altijd weer de neiging om ons opnieuw onder het 'moeten' van Gods wet buiten ons, te stellen.
Tegenover de dwaalleraars die de Galaten opnieuw onder dat 'moeten' wilden brengen, stelt Paulus: "Als gij uw heil in de wet zoekt, hebt gij met Christus gebroken, hebt gij de genade verbeurd" (Gal. 5:4 RKV).
Vernederend
Het gaat nu eenmaal radicaal in tegen ons 'vlees', tegen het zondige zelfbesef van ons, als we altijd opnieuw alles alleen van het volbrachte werk van Christus moeten verwachten. In alle brieven waarschuwt Paulus dan ook de gelovigen om de liefde waartoe God ons oproept, slechts vanuit het geloof, vanuit de levende verbinding met Christus als de Wijnstok, uit de genade te ontvangen.
Daarom is het beslist niet waar wat Dieperink zegt: "Geloven is gemakkelijker dan werken" (28). Het omgekeerde is waar: Werken is gemakkelijker dan geloven. Je kunt een mens gemakkelijk opporren tot prestaties, maar je krijgt een mens er niet toe om tegenover God als een bedelaar zijn handen en zijn hart te openen. Daarvoor is de werking van Boven, van de Heilige Geest, nodig. Leven uit genade alleen is al te vernederend voor onze hoogmoedige, gevallen natuur.
Buiten - binnen
Beiden hebben ook niet door, dat het wezenlijke verschil tussen Rome en Reformatie daarin bestaat dat volgens de Reformatie de mens rechtvaardig wordt door iets buiten hem, namelijk de gerechtigheid van Christus, die hem van buiten af, langs de weg van het geloof, wordt toegerekend.
Maar Trente beweert dat de mensen rechtvaardig voor God worden door iets binnen in hen, "rechtvaardig door de wedergeboorte" (zesde zitting hoofdstuk 3). Overigens erkent Smits ook (enigszins) dat hij deze leer van de Reformatie niet begrijpt. Op de vraag van Dieperink: "Betekent dit dat de wedergeborene en niet de goddeloze gerechtvaardigd wordt?", antwoordt hij: "Ik moet eerlijk zeggen dat ik bijna niet meer begrijp, waarom het gaat" (31).
Waarom blaast pastoor Smits dan zo van de hoge toren in zijn veroordeling van de Reformatie?
En een vraag aan Martie Dieperink: als u zo van harte meedoet aan die verouderde Lutherlaster, waarvoor de meeste r.-k. historici zich tegenwoordig schamen, en hem een "grenzeloze haat" toeschrijft, waarom wordt u dan niet meteen rooms? Of probeert u door uw publikaties, zoals in Het Zoeklicht, het protestantisme stormrijp te maken voor Rome? Wees tenminste eerlijk!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1992
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1992
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
