IN GESPREK MET KARDINAAL DANNEELS
In "Bouwen aan de Nieuwe Aarde" stond de tekst van de toespraak, die kard. Danneels op 20 mei 1991 heeft gehouden tijdens de "Nationale Open Dag van de katholieke Charismatische Vernieuwing in Nederland". In die toespraak was er veel wat ons, christenen van de Reformatie, aanspreekt. We citeren:
" Wat is het eerste dat gebeurt als de Geest in het hart van iemand binnenkomt? Het is dat hij zich bekeert". "Dit eerste criterium is fundamenteel om te weten, als iemand op mij afkomt en me over Jezus spreekt, of hij het over de ware Jezus heeft. Dat is het eerste: Gods gratuite (= om niet) liefde voor mij, arme zondaar". "Maar dat wij Jezus werkelijk ervaren als meer dan een dode gedachtenis, is van de Heilige Geest. Hij maakt Jezus levend voor Hemzelf in de verrijzenis (= opstanding), maar ook voor ons". "Niemandkan het Evangelie uitdragen en ervan leven, als de Heer voor hem geen levende persoon is geworden tot wie hij bidden kan. Dat is wat de Geest doet: Hij bekeert ons, Hij maakt voor ons de Schrift toegankelijk en legt ze ons uit en maakt voor ons de Heer levend, zodat wij tot Hem bidden kunnen ". " Wie als kind gedoopt is, moet vaak nog zijn echte bekering doormaken als hij wat ouder is ".
Vragen
Naar aanleiding daarvan legden we per brief aan kardinaal Danneels enkele vragen voor met het verzoek die voor de lezers van IRS te beantwoorden. De kardinaal nodigde mij echter uit voor een gesprek. Graag hebben we dat aanvaard en zodoende togen we op 29 januari naar Mechelen en belden aan bij het aartsbisschoppelijk paleis. We werden er heel vriendelijk ontvangen en het gesprek ontspon zich aldus:
IRS: We zijn u erg erkentelijk voor de geboden gelegenheid, want mondeling contact is veel geschikter om eikaars mening goed te leren kennen en om misverstanden te vermijden dan alleen briefwisseling.
De bedoeling is niet een discussie met u aan te gaan. Maar wij zijn van oordeel dat de lezers van IRS er recht op hebben om niet slechts te horen wat wij denken over wat Rome leert, maar dat rooms-katholieken zelf bij ons aan het woord komen. I We weten dat er in elke kerk extreem rechtse en extreem linkse figuren zijn. Het zou onjuist zijn om zulke fanatici te laten optreden als spreekbuis van hun kerk. Daarom zijn we blij dat u die zoveel gezag hebt in de R.-K. Kerk, ons te woord wilt . staan. Onze eerste vraag gaat over:
De volstrekt vrije genade
1. U zegt dat dit een teken is dat iemand "het over de ware Jezus heeft", als hij "Gods gratuite liefde voor mij, arme zondaar" verkondigt.
Maar het concilie van Trente heeft geleerd dat de eenmaal gerechtvaardigde mens "het eeuwige leven waarlijk verdienen" moet "door de goede werken" (zesde zitting, canon 32).
a. Bent u het niet meer eens met die uitspraak van Trente?
b. Indien wèl, hoe verenigt u dat dan met het gratuite (= volstrekt vrije) karakter van de genade en met de uitspraak van Christus: "Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47).
Kardinaal Danneels:
Wanneer wij ons in geloof aan Christus hebben overgegeven, zijn wij één met Hem. Hij heeft ons dan vernieuwd. We zijn dan door Hem een goede boom geworden, die goede vruchten kan voortbrengen.
Naar de mate dat wij met Hem verbonden zijn als de ranken met de Wijnstok, dragen wij vruchten van goede werken. Die goede werken zijn voor honderd procent de vrucht van Christus. En zouden de goede werken, die Christus door ons volbrengt, niet waarlijk het eeuwige leven verdienen? Van de andere kant zijn die goede werken ook voor honderd procent van onszelf. Christus volbrengt die goede werken DOOR ons. Hij doet ze niet Zelf. Wij verrichten die goede werken. Slechts in die zin kunnen we, mèt het concilie van Trente, zeggen dat de goede werken van de eenmaal gerechtvaardigde mens (die dus als een rank met de Wijnstok is verbonden) door zijn goede werken waarlijk het eeuwige leven verdient.
De grond van deze uitspraak kan alleen zijn de intens diepe eenheid, die er ontstaat tussen Christus en de Zijnen, wanneer die eenmaal gerechtvaardigd zijn door de toerekening van Zijn gerechtigheid: "Wie in Mij blijft en Ik in hem" (Joh. 15:5). IJzer wordt wit-gloeiend in en door het vuur, maar het blijft ijzer. Zo worden ook wij doorgloeid van Christus, wanneer wij door het geloof in Hem worden 'gelegd', zoals het ijzer in het vuur wordt gelegd. Maar ondanks die eenheid met Christus blijven we toch onszelf.
Doop en bekering
2. 1RS: U zegt dat wie als kind gedoopt is, vaak nog zijn echte bekering moet doormaken, als hij wat ouder is. Hoe is dat te rijmen met de leer van Trente dat de sakramenten ex opere operato (krachtens eigen werkzaamheid) de genade verlenen (zevende zitting, canon 7 over "de sakramenten in het algemeen")? En is de genade die de Doop verleent, volgens de leer van uw kerk, niet de wedergeboorte, waardoor de mens een nieuwe schepping wordt en bekeerd is tot Christus? Zie o.a. Trente, 14de zitting, caput 2.
Hoe is die leer te rijmen met úw uitspraak dat iemand op latere leeftijd vaak nog echt bekeerd moet worden. U noemt die echte bekering zelfs "de eerste bekering". "Die eerste bekering, die brengt een enorme energie, warmte en licht teweeg" Brengt de Doop volgens u dan toch niet de wedergeboorte tot stand? Of is het mogelijk dat iemand 'wedergeboren', 'kind van God' en 'een nieuwe schepping' is, terwijl hij toch onbekeerd is?
Kardinaal Danneels:
Met de term "ex opere operato" wil de Kerk tot uitdrukking brengen dat de geldigheid (ik meen dat die term ook in protestants-theologische beschouwingen voorkomt) van het sacrament niet afhangt van de innerlijke houding van de bedienaar. Ook al is die bedienaar geen echte gelovige en dus innerlijk niet als een rank met de Wijnstok verbonden, dan blijft het sacrament toch zijn geldigheid voor God behouden.
En dat betekent ook dat de geldigheid niet afhangt van de ontvanger. Daarom bedienen we het Doopsel (= r.-k term voor de Doop) aan de kinderen, niet op grond van hun geloof, want dat kunnen ze nog niet hebben; maar op grond van het geloof van de Kerk, zoals dat met name tot uitdrukking komt in de ouders, die het kind ten Doop de kerk indragen. Ik kan dat vergelijken met het verhaal van de genezing van de lamme. Dan staat er: "Toen Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de lamme: Heb goede moed, mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven" (Mat. 9:2 RKV).
Daarom kunnen ouders toch in geloof het heil verwachten voor hun vroeg gestorven of voor een geestelijk gehandicapt kind.
Het Doopsel is een begin van Gods werkzaamheden in een mensenleven. Wanneer het kind tot bewustzijn komt, hoort hij de stem van de goede Herder, die hem tot geloof en bekering roept. Dan komt hij voor de keuze te staan: daaraan gehoor geven of eigen gekozen wegen gaan.
De Mariaverering
3. IRS: U zegt heel mooie dingen over wat iemand krijgt, als hij tot overgave aan Christus komt. U spreekt over de ervaring van hen die zich bekeerden: "Vaak beschrijven ze dit ook door een soort licht dat ze gezien hebben en een warmte die zich heeft ontwikkeld, bijna fysisch ".
Ook daarin zijn wij het met u eens. Petrus schrijft over de onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, waarmee gelovigen zich verheugen in Christus (1 Petr. 1:8). Maar … dan begrijp ik niet dat u desondanks in uw andere geschriften de Mariaverering, de kinderlijke overgave aan haar, aanbeveelt en zelfs met klem aanbeveelt.
Paulus schrijft: "Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk" (Kol. 2:9). Wat zou ik dan nog in een ander zoeken, bijv. in Zijn moeder, ook al is zij gezegend onder de vrouwen?
Wie Christus door de Heilige Geest die ons, zoals u terecht in Utrecht zei, het Woord indachtig maakt en Hem als een levende Persoon voor ons doet worden, # heeft leren kennen als de goede Herder die zelfs het éne verloren schaap gaat opzoeken in de wildernis, kan toch niet meer echt menen dat Hij door een ander mens zou moeten worden bewogen om zondaars genadig te zijn.
Kardinaal Danneels:
Maar je kunt de moeder toch niet los maken van de Zoon. Het aanroepen van Maria hoeft niet een belemmering te zijn voor onze gemeenschap met Christus. Iemand heeft eens gezegd: Wanneer je tot Maria roept: "Maria!", antwoordt zij: "Christus!"
En wat doet u dan met de woorden van Jezus tot Maria: "Vrouw, zie, uw zoon" en tot Johannes: "Zie, uw moeder" (Joh. 19:26,27)?
HJH: Die verklaar ik zoals Johannes zelf ze verklaart: "En van die ure aan nam de discipel haar in zijn (huis)".
D: Die woorden moeten toch een diepere zin hebben dan alleen maar: zorg voor haar dat ze een dak boven haar hoofd heeft en voldoende kleding en voedsel krijgt.
HJH: Inderdaad. Maar Maria had ook psychisch ontzaggelijk veel te verduren gehad. Zij was een oprecht gelovige vrouw. Ze zag haar eigen Zoon van Wie zij wist dat Hij tevens de Zoon van God is, voor haar ogen doodbloeden, terwijl Hij uitgejouwd werd. Er móest iemand zijn, die haar meteen zou kunnen opvangen, bij wie ze haar verscheurende verdriet zou kunnen uitschreien.
Zeker, Maria moet een zeer sterke vrouw zijn geweest. Johannes vermeldt: "En bij het kruis stonden Zijn moeder en …" Stabat mater! Zij stond daar en viel niet neer, omdat ze de aanblik van dit verschrikkelijke sterven van de vrucht van haar schoot niet langer meer kon verdragen.
Maar vaak komt de reactie bij een mens na zo'n hoogspanning. En het is erg belangrijk als je dan kunt terugvallen op iemand dieje begrijpend en liefdevol nabij is. En daarin zie ik de liefde van Jezus voor Zijn moeder, dat Hij haar overgaf aan de tedere zorg van Johannes, de leerling die Hij liefhad.
D: Maar zo zouden we over en weer nog lang kunnen doorpraten over dit onderwerp. Maar we zouden immers niet discussiëren.
HJH: Inderdaad.
Aanbidding in geest en waarheid
4. U zei in Utrecht: "Er zijn zelfs ook charismatische plaatsen op de wereld waar ik geen uitleg voor weet, maar als je er bent, voel je een soort genade van het oord, het milieu (Maria-oorden, Rome, Jeruzalem, ook Taizé enz.)"
Is dat niet in strijd met wat Jezus heeft gezegd tot de Samaritaanse vrouw als antwoord op de vraag waar men aanbidden moet: "Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gij noch op deze berg noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden" "Maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem alzo aanbidden" (Joh. 4:21,23).
Als de Vader een aanbidding zoekt in geest en in waarheid, een aanbidding die niet meer aan een plaats is verbonden, hoe kan Hij dan behagen hebben in die vele
Maria-oorden met al die uiterlijkheden zoals de beeldenverering, het opsteken van kaarsjes enz.?
Terecht wijst u op het levenwekkende Woord van God. Maar al die uiterlijke godsdienst met de verering van de heiligen is op geen enkele wijze in het Nieuwe Testament te vinden en werd in het Oude Testament uitdrukkelijk verboden. Hoe kunt u het dan toch goedkeuren en zelfs bevorderen?
KARDINAAL DANNEELS:
De mens is ziel en lichaam. Een onverbrekelijke eenheid. Daarom kan het uiterlijke leiden tot het innerlijke, het stoffelijke tot het geestelijke.
Vanzelfsprekend is er dan het gevaar dat men bij het uiterlijke blijft steken, zodat men bijvoorbeeld het beeld zelf gaat vereren en niet meer de voorgestelde persoon.
Maar voor die gevaren moet dan gewaarschuwd worden in de prediking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1992
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1992
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
