In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

PASTOOR ORY

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PASTOOR ORY

17 minuten leestijd

… een vechter voor de vastheid van de Schrift

Pastoor Ory stond mij bij het station van Sint Truiden op te wachten. Meteen herkenbaar aan zijn donkere kostuum en de priesterboord. Zelf hield ik een van zijn boeken met paarse omslag - onder de arm als herkenningsteken. We kenden elkaar immers nog niet. We tuften naar Gelinden, een zevental km. verder, een deelgemeente van Sint-Truiden, waar hij sinds 1976 pastoor is. Hij woont er in een oude pastorie van "uit de tijd van Voltaire", zei hij, ge bouwd in 1754. Daarvoor is hij gedurende 24 jaar leraar geweest in een paar bisschoppelijke colleges.

We gaan naar binnen via een ruime, bijna romantische binnenplaats. "Mijn voorganger had een grote kippenfokkerij. Dat was zijn hobby", aldus Ory.

Wie is pastoor Ory?

En wat beoogt hij? Dat heeft hij zelf uiteengezet in zijn laatste boek "Mijn tweede roeping" (268 blz. ƒ 17.-, B.frs. 300, te bestellen bij A.Ory, Gelinden-Dorp 34, B-3800 Sint Truiden, tel. 09-11485219).

Ik voelde mij erg aangetrokken tot Ory, omdat hij voor een belangrijk gedeelte eenzelfde worsteling heeft doorgemaakt als ik, echter met deze wezenlijk verschillende uitkomst: Ik heb gemeend de R.-K. Kerk te moeten verlaten; Ory wil dat in geen geval doen en wenst onvoorwaardelijk te strijden voor het absolute gezag van de paus.

Vechten tegen elke vorm van onrecht

In zijn boek schreef Ory: "Wij hadden afgesproken met onze proost (= priesterbestuurder van een r.-k. vereniging) om toneel te spelen. We waren al volop bezig met repeteren. De datum van ons optreden was al vastgelegd…, toen de pastoor op het illustere idee kwam ook toneel te spelen met de meisjes van de V.K.S.J. en nog wel op een datum voorafgaande aan die van de jongens.

Wij, jongens van de K.S.A. waren stuk voor stuk verontwaardigd, omdat ons, althans in onze ogen, zo'n 'onrecht' werd aangedaan. En vechten tegen elke vorm van onrecht was toen een van mijn lievelingsbezigheden.

Mijn voorstel was nogal drastisch, achteraf gezien althans: de ruiten van de pastorie inwerpen met stenen! Hieruit zou de pastoor kunnen afleiden hoezeer hij ons, jongens, gegriefd had, doordat hij het toneel van de meisjes wilde plaatsen vóór dat van de jongens.

Onze proost kwam wel onder de indruk van de ijver, waarmee wij de zaken wilden aanpakken, maar raadde ons desalniettemin aan 'voorlopig' af te zien van dat plan, in de hoop dat onze verontwaardiging na een tijdje wel vanzelf zou afkoelen. Wij hebben ons dan maar neergelegd bij deze 'wijze raad' van de kapelaan en hebben de ruiten van de pastorie gelaten voor wat ze waren" (p. 15).

Humor

In dit citaat proeft u al iets van de humor, waarmee Ory de dingen om zich heen bekijkt. Dat zou je niet verwachten, als je zijn geschriften leest. Daaruit krijgje de indruk van een verbeten vechtjas, bij wie er geen lachje van af kan.

Maar toen ik in gesprek met hem was, heb ik vaak hartelijk met hem moeten lachen.

Van de ene kant is hij uitermate energiek en lijkt hij een vaatje buskruit. Dan kan zijn stem aanzwellen tot het bulderen van een orkaan. Indringend kan hij een vraag dan twee, drie keer herhalen. Ik kan me voorstellen dat tegenstanders van hem dan de koude rillingen over hun lijf voelen en verstijven van schrik of tot het uiterste woedend op hem worden.

Maar ik heb de hele middag genoten van deze uitstraling van zijn sterke persoonlijkheid.

Naar een altijd zwijgen?

Ory vertelde: "Intussen was er een aantrekkingskracht in mijn hart tot stand gekomen naar het contemplatieve leven. Het trappistenideaal leek mij uitzonderlijk waardevol. (De trappistenorde is een van de allerstrengste. Ze moeten altijd zwijgen, behalve bij de liturgie van de mis en van het koorgebed. HJH). Misschien was deze vorm van priesterschap beter geschikt voor mij. Een paar weken heb ik doorgebracht in de abdij van Achel, eerst in het gastenkwartier, daarna met één been in het noviciaat (= proeftijd, voordat men definitief tot het kloosterleven wordt toegelaten. HJH), althans wat het slapen betreft.

Bij het observeren van de biddende monniken viel het op, dat sommigen urenlang onbeweeglijk bleven, verzonken in gebed. Zij waren de echte contemplatieven. Zij leefden niet meer op de aarde. Hun zielsbetrachting was reeds in de hemel" (17). Ory is toch geen trappist geworden. "Waarom niet? Dat weet ik uiteindelijk niet. Misschien om voldoende vrijheid te hebben".

Dodende blikken

Toen ik (HJH) bemerkte dat ik in het klooster van de redemptoristen de volmaaktheid niet kon bereiken en de stemmen van mijn zondige natuur maar niet

het zwijgen kon opleggen, heb ook ik eraan gedacht om trappist te worden in de hoop dat ik, in dat leven van voortdurend zwijgen, hoog boven mijn begerende 'ik' uit zou kunnen stijgen.

Maar toen ik een keer plaatsvervangend rector was van het ziekenhuis van Roosendaal, kwam ik daar een trappist tegen, die er een behandeling moest ondergaan. Uit de gesprekken met hem bleek al vrij spoedig dat ook bij hen dezelfde onderlinge naijver, irritatie, leedvermaak en achterdocht heersten als bij de redemptoristen. Dat was voor mij de reden om een overstap naar de trappisten maar niet te wagen.

Een andere trappist vertelde mij later: als je wilt weten wat 'dodende blikken' zijn, dan moet je ons kloosterleven meemaken. Wij moeten zwijgen, maar met onze ogen kunnen wij een medekloosterling vernietigend aankijken.

De vloedgolf van de vrijzinnigheid.

Rond 1960 komt de vloed van de vrijzinnigheid in alle hevigheid opzetten in de R.-K. Kerk van België. Ory schrijft daarover:

"Progressieve katholieke theologen wilden tweehonderd jaar 'achterstand' inhalen in minder dan twintig jaar. Daarom staken zij in razende snelheid hun protestantse broeders voorbij in zake vrijzinnigheid." (34) "De Duitse protestantse schrijver Rudolf Bultmann was intussen aanvaard geworden door de meerderheid van de katholieke theologen. Zijn boeken werden aanbevolen en gelezen als geestelijke lectuur in onze seminaries." (36)

Ory wordt ongelovig

Dan gaat de twijfel ook vreten aan de ziel van Ory.

"Stilaan raakte ik alles kwijt: mijn geloof in het bestaan van engelen en duivelen, in de kindheidsevangeliën. Alles geraakte op de helling: Jezus' verheerlijking op de berg Tabor, Zijn godheid. Zijn verlossend lijden, het bestaan van God - en dat alles via de God-is-doodtheologie van Robinson's "Eerlijk voor God" {44).

"Ik voelde mij in de kapel als een vis op het droge. Ik stikte er bijna; ik kon er haast niet meer in ademen. Ik voelde me een beetje als een duivel in een wijwatervat. Of was mijn walg voor het godsdienstige een regelrechte erfenis van de Boze?" (47).

"Het verliezen van het geloof is te vergelijken met het leeglopen van een fietsband. Wanneer er een gaatje veroorzaakt wordt door een doorn, vervliegt minuut na minuut de lucht in de binnenband. Op zeker ogenblik voelt men met de velg van het wiel de grond. Dan beseft men dat men rijdt op een platte band" (45-46).

Een priester schreide

Op zekere dag zaten de leraars van het college waar Ory Grieks doceerde, gezellig bij elkaar. "We zaten er lustig bijeen. En dorst hadden we evenmin.

Op zeker ogenblik begon een van de aanwezigen zichtbaar te wenen. Zomaar zonder reden, zonder aanleiding. Te midden van een vrolijke samenkomst. Eerst werd het niet opgemerkt; daarna wel, door één, door twee, door allen. Dan de vraag: waarom weent ge? Er is toch geen reden toe?

Eerst een poos stilte … alle plezier viel stil… Dan het sibillijns (= raadselachtig) antwoord: 'Ik rij op een platte band'. Wezenloos keken wij, priester-leraars, naar elkaar. Wie begreep die woorden? Niemand! Of iedereen? Of enkelen? De ene bekeek de andere. Een ijzige stilte. De meesten vermoedden een drama achter dit getuigenis.

Toen hernam een tweede collega: 'Ik ook'. Dat betekende: 'Ik rijd ook op een platte band'. Deze had blijkbaar verstaan wat zijn collega had bedoeld.

Toen durfde ikzelf ook uitkomen voor mijn innerlijke ontreddering. Ik was de derde die toegaf: 'Ik ook'." (49)

Dit verhaal deed mij onwillekeurig denken aan het schrift dat plotseling verscheen aan de wand van de zaal waar koning Belsazar en zijn hof zich bedronken uit de heilige vaten van de tempel van Jeruzalem; Daniël 5.

Dat komt nooit meer in orde!

Een medepriester drong er bij Ory op aan dat hij zich opnieuw zou gaan verdiepen in de Bijbel. "Ik werd boos omwille van die uitnodiging. Daar lag het Boek der boeken al maandenlang voor me, onaangeroerd, op de tafel. Tot voor kort had ik er zoveel belang aan gehecht. Nu lag het daar verlaten. Ik kon het niet meer zien. Het straalde voor mij een walg uit als een rottend lijk. Ik werd er misselijk van" (50).

Tenslotte zei zijn collega: "Wij bidden voor u. Wij zingen voor u tot de Heilige Geest. Voor licht! Het Veni Creator. Dat komt terug in orde".

Maar Ory antwoordde: "Dat komt nooit meer in orde. Ik wil niet! Ik kan niet" (51).

En tóch kwam het in orde

Hoe? Dat beschrijft Ory op p. 56-58. Maar hij vertelde het heel levendig eerst aan mij en daarna opnieuw, toen br. Vanhuysse zich bij ons gevoegd had.

Het was de laatste avond na het eerste trimester. De leraren waren weer bij elkaar gekropen voor een gezellig samenzijn als een welverdiende rust na al de vermoeienissen van het voorbije trimester. In dezelfde zaal als de avond van de 'platte banden'.

Ory deed mee aan het gefuif tot middernacht. Toen had hij er genoeg van en ging slapen.

Rond twee uur in de nacht waren de overigen 'kachel'. Ze trokken nu als in een processie langs de kamers van hen, die de gezelligheid enigszins verstoord hadden door zo vroeg er tussen uit te knijpen. Vrolijk zongen ze … "Veni Creator Spiritus".

Voor ons als christenen van de Reformatie is zo iets schrijnend. Ory vindt dat nu ook wel, maar, zo zei hij, als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan.

"Na een paar minuten eindigde het 'gezang' en viel de stilte in. Ik sliep verder, de rust van een ongelovige priester.

's Anderendaags werd ik wakker. Ik herkende mijzelf niet meer. Ik had mijn geloof terug! Volledig terug! Zoals iemand die op reis zijn koffer verliest, heel zijn bagage kwijt speelt en dan op zeker ogenblik die terug vind in een gracht.

Ik was niet op zoek gegaan naar de koffer van mijn verloren geloof. Ik was niet meer in staat om op zoek te gaan naar hetgeen ik verloren had. En toch vond ik het terug.

Ik jubelde van blijdschap! Mijn geloof terug! Ik kon als priester opnieuw geloven".

Profeet en martelaar?

Vanaf dat moment is Ory de vechter tegen de vrijzinnigheid in België geworden. "Voor koning Herodes was elk woord van Sint-Jan de Doper te veel. Toch voelde de profeet zich verplicht het gedrag van de koning aan de kaak te stellen. Op gelijkwaardige wijze voelde ik mij geroepen om op te roepen tot bekering."

"Sint Jan de Doper werd onthoofd omwille van de trouw aan zijn roeping. Misschien staat er mijzelf ook iets van die aard te wachten. 'Hogerhand' houdt er niet van op de vingers getikt te worden, zeker niet door een onderdaan" (93).

"Ik voelde mij solidair met bisschop Gijsen in Roermond. Wat hij deed aan de top onder mandaat en ik aan de basis zonder mandaat, had een grote overeenkomst: optornen tegen de publieke opinie, in zoverre deze afwijkt van het christelijk geloof" (183).

Zuster Reinhart

Eind 1988 komt Ory in contact met zr. Reinhart.

"Zij was binnengetreden in de orde van Moeder Teresa en had van daaruit een eigen roeping gekregen om op straat te gaan getuigen voor het geloof van de Heer Jezus. Zij was getroffen door een van Zijn oproepen zoals die te lezen staat in de Schrift: "Gaat dus heen naar de kruispunten der wegen en nodigt allen die gij aantreft, tot de bruiloft" (Mat. 22:9).

Ze heeft dat letterlijk opgevat. Met een bord zo groot als een deur, vervaardigd uit lichte materie en beschreven met enkele uittreksels uit de Tien Geboden en het Evangelie, kan men haar ontmoeten waar veel volk voorbijkomt, bij de stations, voor de scholen, in de winkelstraten, op de drukke kruispunten. Nu de mensen niet meer naar de kerk komen, gaat zij naar de mensen.

Zij getuigt, door haar aanwezigheid, gekleed als Sint Franciscus in een ruige pij. Zonder geld, zonder eten, zonder onderdak, gelijk de mussen. Op straat!" (240). Ory is bezorgd dat men zr. Reinhart van kant zal maken vanwege haar strijd tegen de vrijzinnigheid, vooral van de universiteit van Leuven. "Ik leefde in de zekerheid dat haar brochure 'Wie doet de Kerk wankelen?' oorzaak kon zijn van een aanslag op zr. Reinhart. Ik leefde derhalve in een subjectieve zekerheid dat een medewerken aan het drukken en verspreiden van die brochure onrechtstreeks een medewerken was met haar mogelijke marteldood" (257).

Ik (HJH) kan echter niet nalaten daar vraagtekens bij te zetten. Zo'n linkse Inquisitie in onze tijd in België? Kom. kom!

Zijn wapen tegen de vrijzinnigheid

Ory is een sterk logische denker. De logica heeft hij dan ook als een wapen ingeschakeld in zijn strijd tegen de vrijzinnigheid in de R.-K. Kerk van België.

Hij meent als leraar Grieks een speciale methode te hebben ontdekt om uit te maken of Evangelieverhalen historisch, echt gebeurd zijn, of alleen maar verzonnen verhalen om een bepaalde waarheid aanschouwelijk voor te stellen.

Hij vond die methode bij de Griekse schrijver Demosthenes in diens Derde Pilippische redevoering. Het gaat om een spel van pure logica.

Die redelijkheidstest is volgens Ory ook toepasselijk op de Bijbel. Een voorbeeld: de maagdelijke geboorte van Jezus uit Maria.

Deze is af te leiden uit de vraag aan de engel Gabriël: "Hoe zal dat geschieden, daar ik geen man beken" (Lukas 1:34).

In de 'vrijzinnige' Schriftverklaring, bij de rooms- katholieken vooral vertegenwoordigd door prof. Schillebeeckx, wordt het begrip maagdelijkheid overgeheveld van het lichamelijke naar het geestelijke, zodat Maria nog maagd wordt genoemd, maar met Jozef als natuurlijke vader van haar Kind.

In de 'gelovige' Schriftverklaring leest men het Evangelie onvertaald en aanvaardt men de maagdelijkheid van Maria ook lichamelijk. In deze optiek is Jozef niet de natuurlijke vader van Jezus, wel zijn wettelijke vader.

Hoe nu uitmaken aan welke kant het gelijk te vinden is, bij de vrijzinnigen, met Jozef als natuurlijke vader, of bij de gelovigen, met Jozef als wettelijke vader? Om dat te achterhalen volstaat het een 'redelijkheidstest' - sleutel van wat pastoor Ory zijn Functionele Exegese noemt - toe te passen op de verschillende systemen.

In het verhaal zelf kan men soms een - noodzakelijk- criterium aantreffen. In ons geval: de aarzeling van Jozef. Op zeker moment"dacht hij eraan in stilte van Maria te scheiden" (Mt.l:19). Dat is de twijfel van Jozef.

Deze twijfel moest ingepast worden in beide systemen. Waar hij logisch past, is de juiste verklaring te vinden; waar deze logisch niet past, staan we vooreen verkeerde lezing.

Indien Jozef de 'natuurlijke vader' van Jezus is - vrijzinnige stelling - is het 'onlogisch' dat hij eraan zou denken Maria door te sturen, omdat hij beschreven wordt als een rechtschapen man. Dan moest hij onvoorwaardelijk Maria tot zich nemen, en omdat hij van haar hield èn omdat het Kind in haar schoot zijn kind was. In deze context is de twijfel onzinnig.

Tweede proef: de twijfel inpassen in de gelovige visie. Dan is Jozef niet de natuurlijke vader van Jezus. Dan staan we voor een wonderbaarlijk gebeuren, waarvoor de engel verwijst naar de Heilige Geest.

Vragen die wij aan Ory stelden

I. Nog steeds kan ik mij moeilijk voorstellen dat de situatie in de R.-K. Kerk zo somber is, als u ze voorstelt. Natuurlijk verdenk ik u niet van bewuste oneerlijke weergave van de werkelijkheid. Maar je kunt soms in die strijd zo vermoeid worden, datje denkt datje alleen bent overgebleven. Dat was ook het geval met Elia. Hij dacht: "Ik alleen ben overgebleven en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen" (1 Kon. 19:14). Hij wilde daarom liever doodgaan. Maar de Heere bemoedigde hem: "Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Baal, en alle mond die hem niet gekust heeft" (1 Kon. 19:18).

Kan het niet zijn dat u te veel spoken ziet?

Ory: Nee, ik ben geen ketterjager. Anderen zien die vele ketters niet in onze kerk, maar daarom zijn ze er nog wel, al zien zij ze niet.

2. Zou u niet méér bereiken, wanneer de liefde van Christus, de goede Herder, duidelijker uit uw geschriften zou stralen?

Ory: Maar de goede Herder vocht ook tegen de wolven, die de schapen bedreigden. Ik voel mij als de herdershond, die de Herder bijstaat om de wolven op afstand te houden. Er zijn vele gaven van de Heilige Geest en vele taken die Christus opdraagt. Een daarvan is: "het geloof dat eens aan de heiligen werd overgeleverd, krachtig te verdedigen" (Judas 3).

3. En is er niet meer vrucht te verwachten, wanneer u positief Christus zoudt verkondigen als de levende en algenoegzame Zaligmaker?

Ory: Maar als een tuin overwoekerd is door onkruid, moet je er geen goed zaad gaan strooien, want dat rot toch weg. Dan moet je eerst die tuin van onkruid zuiveren.

4. Soms lijkt het erop dat de almachtige God blij mag zijn dat hij tenminste Ory nog heeft in België. Is dat geen gemis aan nederigheid? Waar is bij u de verbrokenheid des harten?

Ory: Gij zijt niet de eerste om kritiek in die zin te uiten.

Mijn beste vriend vond dat ik in mijn boek steeds als 'overwinnaar' tevoorschijn kwam uit een conflictsituatie.

Maar een ander zei: "Gij brengt heel wat zwakke punten van uzelf naar voren: gemis aan geheugen, gemis aan gezag enz. Ge moet dat niet doen, want men zal u daarop aanvallen.

Ik heb in mijn boek aangegeven dat de 'zwakheden' aan mij zijn toe te schrijven en de uitingen van sterkte helemaal niet van mij komen, maar van God. Ergens vermeld ik in mijn boek ook mijn lijfspreuk: Deus fortitudo mea (= God is mijn sterkte).

Ik begin en eindig trouwens mijn boek met een verwijzing naar de Belijdenissen van Augustinus, waarin beide aspecten voorkomen in diens leven: bekentenis van zijn eigen zonden en zwakheden - verheerlijking van Gods sterkte en barmhartigheid.

Tenslotte

Het was een verkwikking dat wij zo open en eerlijk met elkaar van gedachten konden wisselen vanuit het verlangen elkaar wederzijds te dienen.

We eindigden met een bidstonde, waarin br. Vanhuysse en ik een persoonlijk gebed uitspraken, terwijl pastoor Ory sloot met het bidden van het Onze Vader.

Dit is de voorpagina van een brochure van pastoor A. Ory (34 blz.f2.- B.frs 40, bestelling zie p. 12, gedateerd mei 1989. De tekening stelt het embleem van de universiteit van Leuven voor, maar dan een 'catholica', waarvan de letters een vrijzinnige dans uitvoeren. De woorden "Sedes sapientiae" zijn uit de litanie van Maria en betekenen: "Zetel der wijsheid". Maar volgens Ory is de universiteit van Leuven geen zetel van wijsheid meer, maar een "Sedes Satanae " - een zetel van de satan (p.32) volgens Openb. 2:13 vanwege de puur vrijzinnige theorieën, die er verkondigd worden.

Ory baseert dit vernietigende oordeel op een boek dat in 1975 uitgegeven is bij Patmos. Dit boek (dat niet meer ver krijgbaar is) bevat een referaat van prof. dr. J. Kerkhofs en verder 'reflecties' van o. m. J. Lambrecht, J Grootaers, G. Danneels (de huidige kardinaal) en F. Hout art. " Het geheel is hiërarchisch omlijst door een'Inleiding'van mgr. PC. Schoenmaeckers en een 'Slotbijdrage' van mgr. P. Schruers", aldus Ory in zijn brochure op p. 8.

Uiteraard kunnen wij ons er niet over uitspreken of dit harde oordeel van Ory juist is. Dan zouden we een grondig onderzoek moeten verrichten en dat ligt niet op onze weg.

Ory verwacht door een wonder een spoedig verdwijnen van deze vrijzinnigheid om plaats te maken voor de oude rechtzinnigheid. Hij baseert zijn verwachting op de macht van Maria. Hij citeert daartoe uit de liturgie van de Mariafeesten: " Verheug U, Maagd Maria, U alleen hebt in de gehele wereld alle ketterijen overwonnen ". Hij schrijft: "Maria treedt aan als 'Koningin van de zegepraal'. De zetel van Satan (bedoeld is de universiteit van Leuven. HJH) zal opnieuw een zetel van wijsheid worden. Maria zat de leer van haar Zoon Jezus beveiligen"(p.32).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1992

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PASTOOR ORY

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1992

In de Rechte Straat | 32 Pagina's