WAAROM NOG HEILIGEN AAN-ROEPEN? (vervolg)
Zeer tot mijn spijt is, dooreen vergissing van onze kant, in IRS van januari op p. 15 ten onrechte geschreven dat Ans Anthonisse niet zou hebben gereageerd op de vragen, die wij haar stelden. Dat heeft ze echter wèl gedaan. Haar brieven en ons antwoord (van ruim twee jaar geleden) waren in een verkeerde map terecht gekomen. Onze oprechte excuses daarvoor.
Wij hadden haar een exemplaar van ons januarinummer gezonden en gelukkig wees zij ons op die vergissing, die we nu goed maken door onze correspondentie hieronder te laten volgen.
Breda, 27 november 1989
Dank voor uw brief die ik via deken Janssen ontving. Ook dank voor de moeite, die u zich gegeven hebt om mij te schrijven en voor de w aarderende woorden voor mijn artikel in Waarheid en Leven.
Uw vraag hoe ik mij aan het eind tot Maria en alle heiligen kon wenden, bevreemdt mij. U kunt van een katholiek niet anders verwachten en misschien kent u de leer van de R.-K. Kerk over de gemeenschap der heiligen en de verering van de Heiligen, vooral van de H. Maagd Maria, zeker in theorie beter dan ik als leek. Natuurlijk ben ik het eens met de uitleg van Jezus' woorden: "Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven". U zult het echter met mij eens zijn dat het geloof en hel vertrouwen van de mens niet steeds op het door u beoogde hoge peil staan en blijven.
De apostelen die alle wonderwerken van Jezus meemaakten, zijn hier het beste voorbeeld van, vooral Petrus. Zelfs toen hijzelf een wonder ondervond, ontzonk hem de moed.
Om op mijn voorbeeld van def 1000.- terug te komen: al weet ik dat iemand mij dat bedrag kan geven en dat hij zijn beloften altijd houdt, daarom is het nog niet zo zeker dat ik er dan ook meteen op afstap om het duizendje in ontvangst te nemen. Allerlei gedachten kunnen mij weerhouden: gêne dat ik iets ga aannemen, schroom om iemand lastig te vallen, vrees dat anderen mijn tekorten zullen ontdekken. Het zou dan goed zijn, wanneer ik iemand zou kennen die mij een duwtje in de goede richting zou kunnen geven, bijv. door te zeggen: '/k heb het ook wel eens gevraagd en ik kreeg het'. Of wanneer ik iemand zou kennen, die de weldoener van nabij kende en die zou zeggen: 'Ga maar gerust, wees niet bang'.
Zulke mensen die het zelf ondervonden hebben hoe moeilijk het soms is om te geloven en te vertrouwen, kunnen voor ons een steun zijn.
Maria heeft altijd moeten geloven en Sint Jozef niet minder. Zij reiken ons de hand op de soms moeilijke weg naar God, die zo oneindig hoog boven ons is.
Wat ik in W. en L. niet geschreven heb, is dat ik in de Psalmen veel bemoediging vind. Het is vaak of ze in onze tijd geschreven zijn.
Ons antwoord:
Ik ben het met u eens dut ons geloofsvertrouwen niet alti|d even sterk is. We worden vaak aangevochten. Ons geloof kan soms op een zeer laag pitje branden en smeulen als een rokende vlaswiek. Maar … in zo'n toestand mogen we nooit ons vertrouwen op iets of iemand anders gaan stellen.
Is dat niet de les voor alle tijden, die de gelovigen moeten trekken uit het verhaal van de aanbidding van het gouden kalf? Dat verhaal begint zo: "Toen Mozes maar wegbleef en niet naar beneden kwam …"(Ex. 32:1 - Rooms-Katholieke Vertaling). Hun geloof werd op de proef gesteld en toen wilden ze God dichterbij halen door Hem uit te beelden in een gouden stierkalf. Goud moest de heerlijkheid en het jonge stierkalf moest de eeuwig jonge kracht van de God van Israël uitbeelden. Aaron zei dan ook: "Morgen is het feest ter ere van Jahweh" (Ex. 32:5). Zij wilden dus geen afgod vereren in dat beeld, maar de God van Israël, de God van het Verbond.
En toch heeft God hen vreselijk gestraft en Hij dreigde er zelfs mee dat Hij Zich helemaal van Israël zou terugtrekken. God wil beslist niet dat wij op een andere manier tot Hem naderen dan zoals Hij het Zelfheeft voorgeschreven.
In heel de Bijbel wordt gewezen op Jezus Christus als de enige Middelaar tussen God en de mensen (1 Tim. 2:5). Mogen wij dan in het Nieuwe Testament wèl op een manier die we zelf hebben uitgekozen. Hem dienen; dus niet slechts door het aanroepen van Christus, maar ook van gestorven heiligen?
Ik ben het ook met u eens dat allerlei gedachten ons ervan kunnen weerhouden om iets datje beloofd is, in ontvangst te nemen. Dat geldt ook ten aanzien van wat Christus ons belooft. U noemde drie dingen:
I. "Gêne dat ik iets ga aannemen ". Inderdaad, het aannemen van een aalmoes, van liefdadigheidsbrood datje door andere mensen wordt aangeboden, druist in tegen ons gezond zelfbesef. Die gêne is goed.
Maar in het Koninkrijk Gods gelden andere wetten. Jezus heeft gezegd dat we dat Koninkrijk slechts als kinderen kunnen binnengaan. En kinderen zijn er alleen maar om te ontvangen. We verwachten van hen geen prestaties.
Daarom: "Aan allen echter die Hem wèl aanvaarden, aan hen die in Zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden"(Joh. 1:12 RKV). De beschaamdheid, de gêne, om zonder daar een tegenprestatie tegenover te stellen, alles als een geschenk van Gods liefde te aanvaarden, wordt in de Bijbel uitdrukkelijk veroordeeld:
"Hij (Jezus) riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: Voorwaar, Ik zeg u, als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind. is de grootste in het Rijk der hemelen (Mat. 18:2-4 RKV).
2. "Schroom om iemand lastig te vallen". Maar dan moet ik wijzen op een ander verhaal:
"De mensen brachten kinderen bij Hem met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken. Maar bars wezen de leerlingen ze af. Toen Jezus dat zag, zei Hij verontwaardigd: Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen. Want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan"(Markus 10:13-15). De apostelen bedoelden het ook goed. Ze vonden dat Jezus veel te belangrijk was dan dat Hij Zich zou bezig houden met dat roerige goedje, met die bengels die er toch maar weinig van zouden begrijpen.
Maar Jezus liet zien dat iedereen direct tot Hem mag gaan. Hij houdt er geen doorschuifsysteem op na. Hij verwijst niet naar het loket van Petrus of Johannes of van een of andere gestorven vrome. Gaat u daar niet tegen in, wanneer u de mensen aanraadt niet rechtstreeks tot Jezus te gaan, maar zich slechts via een heilige tot Hem te wenden?
3. "Vrees dat anderen mijn tekorten zullen ontdekken".
Inderdaad, dat is een reële mogelijkheid. Wanneer u alles van Christus verwacht, betekent dat de erkenning van eigen volledig faillissement. Dan weet u dat het niet helpt om surséance, opschorting van betaling, aan te vragen, want dan erkent u dat u nooit, maar dan ook nooit, uw schulden zult kunnen vereffenen. U verklaart uzelf geestelijk volkomen failliet.
En tegelijk aanvaardt u dan dat iemand anders, namelijk Jezus Christus, al uw schulden voldoet en u bovendien een eeuwig krediet verleent.
Maria, de moeder des Heeren, is zeker voor ons een voorbeeld in de zin zoals u dat bedoelt. Ze heeft in haar leven vaak een voorbeeld van een sterk geloofsvertrouwen gegeven.
Maar zij gaf een voorbeeld dat je juist wèl rechtstreeks tot Jezus mag gaan. Op de bruiloft van Kana zei ze tot de bedienden: "Doet maar wat Hij u zeggen zal" (Joh. 2:5); dus niet: "Ik zal wel voor jullie bemiddelen en dan zal ik jullie wel zeggen wat jullie moeten doen"
Van Jozef weten we veel minder. Maar ook hij is een gelovige geweest (zie Mat. 1:18-25) en daarom zal ook hij de lessen van Jezus over het Koninkrijk Gods opgevolgd hebben.
Terecht schreef u dat God oneindig hoog boven ons is. Maar Hij is in Christus ons heel dicht nabij gekomen, zozeer zelfs dat Hij in ons wonen wil, indien wij in Christus geloven (Joh. 14:23 en 1 Kor. 6:19).
Hebt u wel eens nagedacht over de betekenis van wat Jezus zegt over de Heilige Geest, namelijk dat Die de wereld overtuigen zal "van zonde, omdat zij in Mij niet geloven"(Joh. 16:9). En u weet waarschijnlijk ook wel dat 'geloven' in de Bijbel als regel de betekenis heeft van "in iemand je vertrouwen stellen".
Jezus heeft altijd aan de Joden gevraagd dat ze kinderlijk hun vertrouwen zouden stellen in Hem. De meesten hebben dat geweigerd.
Maar wanneer u uw vertrouwen gaat stellen in de goedwillende bemiddeling van gestorven heiligen, betekent dat dan niet dat ook u daardoor het eenvoudige en algehele vertrouwen in Hem weigert?
U spreekt over mensen die een duwtje in de goede richting kunnen geven, bijv. door te zeggen: "Ik heb het ook eens gevraagd en ik kreeg het".
Volkomen juist. Maar in het Koninkrijk Gods geldt: wat andere mensen zeggen, moet steeds getoetst worden aan Gods Woord. Het mag daar nooit mee in strijd zijn. Ik wil eindigen met dit getuigenis: ik heb heel eenvoudig als een kind geloofd in de belofte van Christus: "Wie in Mij gelooft heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47) en ik héb het gekregen, zo maar, als een wonderbaar geschenk van God.
En mocht u dat eeuwige leven in al zijn heerlijkheid nog niet hebben ervaren, dan raad ik u dringend aan om die uitnodiging van Christus als een kind vol vertrouwen te accepteren: geloof in Hem en Hij zal ook u het eeuwige leven schenken. Ik hoop dat u ook op deze brief zult antwoorden, want een gesprek rondom de geopende Bijbel zal altijd vruchten afwerpen.
Breda, 11 december 1989
Dank voor uw brief. U vraagt mij erop te antwoorden en daarom zat ik het ook doen, al weet ik dat u toch weer nieuwe teksten zult vinden, waarop u uw mening hebt gebouwd.
Ik kan u, evenals in mijn eerste brief, alleen wijzen op de leer van de Kerk die mij lief is en waaraan ik mij houd.
De vergelijking van de aanbidding van het gouden kalf met de verering van de heiligen kunt u toch niet serieus menen. Wij hebben de heiligen niet uitgekozen als afbeeldingen of plaatsvervangers van God. Zij zijn Zijn trouwste dienaars en vrienden geweest hier op aarde, waardoor zij velen tot God hebben gebracht. Zoals de apostelen nog tijdens het leven van Jezus al wonderen mochten verrichten, zo hebben sommige heiligen dit ook hier op aarde gedaan, waardoor God aan de mensen duidelijk maakte dat zij Zijn vrienden waren.
Over de bruiloft van Kana vergist u zich toch wel. U schrijft dat Maria tegen de bedienden niet zei: "Ik zal wet voor jullie bemiddelen ", maar dat had zij toch al gedaan door te zeggen: "Zij hebben geen wijn meer".
Inderdaad moeten wij wat andere mensen zeggen, altijd toetsen aan Gods Woord. Dan zijn wij bij de heiligen aan het goede adres, zij wijzen ons steeds op Jezus, op de Vader en op de Heilige Geest. Maria wil ons allen naar haar Zoon brengen. Dominee, ik zou hier toch wel een punt willen zetten. God kent ons allen tot in ons diepste wezen. Alleen aan Hem komt de eer toe.
Ons naschrift:
Wij danken mevr. Anthonisse voor haar bijdrage in de discussie. En nogmaals mijn excuses voor mijn vergissing.
We volgen ook nu weer onze gewoonte: 1. slechts twee keer woord en antwoord (anders wordt de discussie taai en saai en gaat op gelijkhebberij lijken); 2. de gastschrijver krijgt het laatste woord.
Laatste woord van Ans Anthonisse:
Graag accepteer ik uw excuses. U voerde als mogelijke reden voor uw vergissing aan dat u al 76 bent. Toen moest ik even lachen, want … ik ben al 77.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1992
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1992
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
