GESPREKKEN MET GERDA 1
(Vervolg Ontmoetingen 57, gepubliceerd in IRS dec. 1990 en jan. en febr. 1991)
20 november 1990
Beste dominee,
Hier ben ik weer en ik waarschuw u vast: 't wordt geen opgewekte brief.
Ik zink steeds dieper weg en dan weet ik niet meer wat ik geloven moet.
"Natuurlijk, de Bijbel", zo hoor ik u al zeggen. Ja, ik geloof ook wel wat de Bijbel zegt, maar soms begrijp ik er niks meer van. Hoe weet ik nu of ik een kind van God ben? En als ik meen daarop bevestigend te mogen antwoorden, hoe weel ik dan dat ik mij niet bedrieg?
Mag ik mij zo maar iets toeëigenen? Was alles wat ik beleefd heb, geen produkt van mijn fantasie, een wensdroom? Heb ik mezelf niet iets aangepraat?
Volgende zondag is het weer Heilig Avondmaal. Ik blijf dus thuis: oppassen. Wat moet ik? Iedereen denkt dat ik bekeerd ben, omdat ik de vorige keer wel ben aangeweest.
Maar ik ben niet bekeerd!!! Ik ben niks. Ik heb geen vruchten, ik voel niets, ik zie geen weg, ik vertrouw alleen mezelf, ik ben nog dezelfde als vroeger; alles, alles is weg!
Ik baal ervan. Ik zoek nog wel overal in: Calvijn, Ursinus, Catechismus, Bijbelverklaring, Spurgeon enz. enz. Ik weet niet achter wie of wat ik me scharen moet.
"De Bijbel alleen", zult u zeggen. Maar die spreekt ook niet tot me. Ik lees alles gewoon, maar het stroomt als een beek buiten mij voorbij. Wat is er nu voor mij? Is God nu met mij of ben ik met Hem bezig?
Er zijn zo 'n hoop dingen, die mij irriteren. Wij zingen zo tergend langzaam in de kerk. Dat klinkt eerbiedig. Maar vanmiddag las ik in Samuël dat David achter de ark aan danste of huppelde, zong en muziek maakte met al de mensen om hem heen.
Wat moet ik dan met dat Psalmen- zingen bij ons … zó langzaam? Echt, ik snap er niks van. Ik heb van bij ons thuis geleerd dat we in de kerk alleen Psalmen mogen zingen en dat de EO van de duivel is. Wat moet ik daar nou mee? Ik geloof dat niet. Maar waarom denken die Bijbelvaste mensen bij ons dan zo eng?!
Ook onder hen zijn er echt bekeerde mensen. En die zeggen dat ook, dat de EO niet van God komt, maar van de duivel. Hoe kan ik nu weten wat waarheid en leugen is en waar de grens ligt.
"Vanuit de Bijbel!" Maar de EO-mensen hebben dezelfde Bijbel. En als ik ze bezig hoor of zie, komen ze op mij over als oprechte, gelovige mensen.
Ik zou zo graag van Gods liefde getuigen, maar ik voel geen liefde. Ik hoop erop en verlang er wel naar, maar ik heb het nooit mogen beleven. Ik kan ook een ander niet vertellen wat liefde is.
O, ik zie dat u al weer uw wijze hoofd schudt: "Gerda, Gerda, en dal zeg jij?" Ja, ik denk nog steeds dat ik verkeerd ben overgekomen op anderen; ik ben niet bekeerd!
Mag ik misschien net als Thomas zijn? Ik wil zo graag van de Heere Zelf vernemen dat Hij ook mij op het oog heeft, want van mensen kan ik immers toch niks verwachten?
Misschien bid ik niet genoeg. In elk geval denk ik helemaal verkeerd, 't Begint met 'ik 'en het eindigt met 'ik'. Dat is toch ook niet goed? Ziet u wel, ook al geen vrucht van het geloof. Echt, als alle mensen van het soort waarvan ik er eentje ben, gelovig zouden zijn, dan is het vee! en veel te gemakkelijk.
Nou, dat was alles eigenlijk, 'n Nare brief he? Ik za! een lang leven nodig hebben om dit allemaal op een rijtje te krijgen, maar ik moet er uit komen.
Zo, nu heb ik alles een beetje van me afgeschreven en duik ik maar weer in de boeken. Ofschoon? Moet ik het daarin zoeken? Staat er niet geschreven dat we moeten worden als een kind? En een kind gelooft en vertrouwt alleen maar; het gaat niet alles uitpluizen zoals ik doe.
Frommel deze brief maar op een prop en gooi 'm weg. Niks waard. U hoeft ook niet te antwoorden, ('t Antwoord weet ik toch al).
Oké, ik geef de moed niet op, dus de volgende brief komt er ook nog wel, D. V. En ik hoop dat die dan eindelijk tot Gods eer mag zijn, want dat betekent dat ik Zijn kind zal zijn.
Ziet u wel, daarom wil ik tot Zijn eer zijn … om m'n eigen 'ik'!!! Ik stop ermee. Gooi gauw dit boeltje weg, dominee.
Maar wat moet ik met het Avondmaal? Arthur vindt dat ik mee moet gaan, en eigenlijk iedereen, dus u ook. Nou, ik niet! Ik ga niet! Ik ga niet! Tenzij… de Heere Zelf mij roept. Hoe? Wanneer?
Zo juist las Arthur deze brief en zei: "Je hebt het antwoord zelf al gegeven. Hij bedoelde natuurlijk: Het antwoord is te vinden in de Bijbel.
1
BESTE GERDA,
Ik heb van je brief genoten. Ja, zo zijn wij allemaal: dwaas en dwalend, koppig en schaapachtig, dom en bokkig, terwijl de goede Herder met een eindeloos geduld ons staat op te wachten en ons roept bij name.
Arthur heeft gelijk: Je hebt het antwoord al zelf gegeven in je brief. Maar desondanks wil de goede Herder dat antwoord steeds weer voor je herhalen en in navolging van Hem wil ook ik dat doen.
Gerda, jij zoekt het antwoord daar waar je het nooit zult vinden, namelijk in jezelf. De door en door bekeerde Paulus zegt: "In mij, dat is: in mijn vlees, woont geen goed" (Rom. 7:18). Waarom zou je dan nog verder in het moeras van je vlees blijven graven?
Maar van Christus zegt Paulus: "Want in Hem woont de ganse volheid der Godheid lichamelijk"(Kol. 2:9). In Hem en in Hem alleen zul je het antwoord vinden.
En hoe wordt die volheid der Godheid die in Christus woont, j o uw deel? Je weet het: niet door iets of veel te voelen of te zien, maar door tegeloven. "Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing".
En waarom? "Opdat (het zij) gelijk geschreven is: Wie roemt, roeme in de Heere" (1 Kor. 1:30,31). En: "opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van mensen, maar in de kracht Gods " ( l Kor. 2:5).
Als je zaligheid zou rusten op iets van jou, je voelen of ervaren of zien, zou dat een zeer wankele basis zijn. Want je 'voelen' is voorbijgaand; het ene moment ben je 'Jantje lacht' e n het volgende 'Jantje huilt', een Gerda die juicht en een Gerda die treurt, een Gerda in de hoogte en een Gerda in de put. Bovendien zou je dan roem kunnen zuigen uit wat je allemaal beleefd heb.
Maar nu is alles uit geloof, uit het niet-zien, en daarom is alle roem voor ons uitgesloten. In het stille, ootmoedige geloof roem je alleen in Christus, in wat Hij voor j ou heeft gedaan, in de onvoorstelbaar grote en geduldige, vergevende liefde van de goede Herder. Je schrijft dat je hoopt dat een volgende brief eindelijk tot Gods eer mag zijn. Wie heeft dat verlangen om Gods eer te zoeken in j ou gelegd? Is dat een prestatie van jou, Gerda? Je voegt eraan toe: "Want dat betekent ik Zijn kind zal zijn". En als piekeraarster laatje er meteen op volgen: "Ziet u wel … het gaat me om mijn eigen 'ik'".
Nou, en wat dan nog? De Heere heeft in ons de trek gelegd om gelukkig te worden. Hij zegt: Als je in Mijn Zoon gelooft, word je gelukkig, dan krijgje zelfs het eeuwige leven en word je deelachtig aan Mijn goddelijke natuur (2 Petr. 1:4).
En dan komt Gerda en die zegt: Nee, Heere, ik wil niet een kind van U worden, omdat ik dan gelukkig word. Ik wil dat enkel voor uw eer worden; en dat kan ik niet.
Nee, Gerda, dat bereikt geen mens op aarde: alleen maar Gods eigen eer beogen en op geen enkel wijze tegelijk je eigen geluk nastreven. God wil dat ook niet. Hij wil geëerd worden, doordat wij in en door Zijn Zoon gelukkig worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1991
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1991
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
