In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ISRAËL MOET VERDWIJNEN!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ISRAËL MOET VERDWIJNEN!

7 minuten leestijd

"Onze Heilige Vader Johannes Paulus II houdt niet op met de oorlog in de Golfte veroordelen. Daarom moeten alle Katholieken in de hele wereld achter hem staan", aldus schreef prof. mag. dr. J.P.M. v.d. Ploeg in Katholiek Nieuwsblad. Hij gaf als redenen: "Het is niet Irak maar de stichting van de staat Isra>ël, die nu al sinds 1948 de vrede in het Midden-Oosten verstoort". "In Bagdad wonen 400.000 r.-k.". De conclusie ligt dan voor de hand: niet Saddam Hoessein, maar de staat Israël moet verdwijnen.

Hiernaast detail van de zevenarmige kandelaar in Jeruzalem

In onze gemeenten heerst veelal een oppervlakkig zondebesef, een ontbreken van waarachtige verootmoediging voor Gods heiligheid. Daarbij sluit aan een even oppervlakkig vertrouwen op eigen deugd en werken, waarbij men Gods genade alleen als hulp of als aanvulling meent nodig te hebben en zijn eigenlijke vertrouwen stelt op eigen goed gedrag en kerkelijke gewoonten.

Dit moralisme is de ondertoon der vroomheid in brede lagen van ons Hervormde kerkvolk. Hiertegen kan niet aanhoudend en indringend genoeg, in prediking en zielzorg worden gewaarschuwd. Het is een symptoom van het wettische denken, dat heel onze kerk doortrekt en dat Gods Openbaring meer opvat als een aanwijzing voor wat wij moeten doen, dan als een verkondiging van wat God doet. Onze aandacht voor wat mag en niet mag, verdonkert de vrede en vreugde in Gods heil. Zo kan het ons dan ook niet verwonderen dat de heilszekerheid, door de R.-K. Kerk dogmatisch verworpen, ook bij ons in de praktijk van het geloofsleven zo zeldzaam is. Als wij immers moeten geloven dat de zaligheid ook van onszelf afhangt, kan er voor zulke zekerheid geen plaats zijn. En terwijl wij neerzien op de afhankelijkheid waarin bij de R.-K. Kerk de leek verkeert t.o.v. de geestelijkheid, vertoont ook onze gemeente in brede lagen het beeld van passiviteit en daarom ook van onmondigheid, zodat wij zijn afgezakt naar het vlak van een 'domineeskerk'. En het uitwendige geestelijke leven, dat velen aan de rooms-katholieken verwijten, wordt maar al te zeer ook bij ons gevonden; hoevelen zoeken hun christelijkheid niet in een reeks uitwendige gewoonten, die ze dan ook nog voor verdienstelijk houden.

Maar ook op vele andere gebieden openbaart zich een roomse denkwijze. Het individualistische en egoïstische hemelverlangen voor de onsterfelijke ziel, de verachting van het lichamelijke en van de wereld, de gedachte dat het huwelijksleven en wat daarmee samenhangt, toch eigenlijk minderwaardig is, ook dat zijn denkbeelden die men in de Kerk der Reformatie, waar men uit de Schrift leven wil, niet behoorde aan te treffen.

En ook in de Kerk der Reformatie is men over de Waarheid gaan beschikken, heeft men haar gespannen voor de wagen van louter menselijke politieke, sociale en persoonlijke idealen. Ook bij ons heeft men de heerschappij van Jezus Christus omgezet in een heerschappij van christelijke mensen en een propaganda voor christelijke beginselen. Ook onder ons is het kerkelijke machtsstreven allerminst een uitzondering en gaat het vaak veel meer om de belangen van 'ónze' kerk, dan om het Rijk van God.

Ook in het Protestantisme is het zgn. 'Confessionalisme' een macht, die in eigen belijdenissen en opvattingen de Waarheid ten volle uitgedrukt ziet, geen voortgaande Reformatie wil en de Schrift verengt door haar alleen maar te lezen binnen het raam van de eigen traditie.

En wie tegenover de R.-K. Kerk wil staan, door te roemen en te rusten in Nederlands Protestants verleden, in de kwaliteit van ons geuzenras of in de kracht van het Calvinisme, die ligt al mèt de R.-K. Kerk onder hetzelfde oordeel en zal op dit menselijke vlak niets tegen haar kunnen uitrichten. Ook in het Protestantisme heeft Christus' Kerk zich met de wereld vermengd, is zij gaan aanleunen tegen de staat, heeft ze naar aardse macht gestreefd en naar een veilig burgerlijk bestaan. zodat ook in ons midden het Woord Gods van zijn profetische kracht beroofd werd.

Ms wij dit alles en nog meer overdenken, slaat ons de schrik om het hart. Wij verstaan nu nog beter, hoezeer de R K. Kerk aansluit bij het streven van de natuurlijke mens, die in ons allen leeft. In die zin blijft zij voor ons sen niet aflatende verzoeking. Luther wist wat hij zeide, toen hij profeteerde: "Deze leer zal na mij weer verduisterd worden".

Ons natuurlijke hart zal altijd weer Gods Waarheid in r.-k. zin willen ombuigen. En wij kunnen het slechts als een geluk beschouwen, dat deze zondige ontsporingen, waarvan wij er een aantal hebben opgesomd, binnen de struktuur der Reformatie het nooit echt kunnen 'doen', maar vergeleken met de voorzichtigheid en de harmonie waarmee de R.-K. Kerk deze dingen voorstaat, een pover figuur slaan en, bij alle invloed die ze helaas bezitten. in onze kerk geen duurzaam en openlijk leven kunnen hebben. Maar zij bedreigen ons voortdurend, en in dezelfde mate waarin wij in hun greep verkeren, zal ons getuigenis tegenover de R.-K. Kerk zwak en onecht klinken.

Zijn wij aan de Waarheid gehoorzaam?

Al deze ontsporingen zijn de keerzijde daarvan, dat wij wel zéggen, uit de Schrift alléén en geheel te willen leven, maar het vaak zo bitter weinig doen en ons leven niet werkelijk door Gods Openbaring laten critiseren en doordringen. "Waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen" (Rom.2:1).

Wanneer wij bv. denken aan het leven der oudste gemeente met haar vurige verwachting van het Koninkrijk Gods, met de krachtige werking van de Heilige Geest in haar midden, met haar gemeenschap, haar offervaardigheid en dienstbetoon, met haar hartstochtelijk getuigenis en haar zendingsdrang, dan beseffen wij, hoezeer het Woord Gods een zwaard is dat zich allereerst richt tegen hen die het opheffen en dat het is "een oordeler van de gedachten en de overleggingen des harten" (Hebr.4:12).

Datzelfde moet worden gezegd, wanneer wij in de Bergrede de radicaliteit van het leven in Gods genade beschreven vinden, of horen wat de profeten, wat Jezus en de apostelen hebben gezegd over de houding tegenover het aardse bezit. Zo zouden wij nog lang kunnen doorgaan. Hetzelfde geldt op het terrein der prediking en der theologie. Wij verwisselen nog veel te veel de waarachtige gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift met het ons vastklampen aan bepaalde zijden van het Schriftgetuigenis en het aanheffen van steeds dezelfde leuzen. De gehoorzaamheid aan Gods Openbaring in de Heilige Schrift is iets waarmee wij nooit gereed zijn en dat alleen verwerkelijkt wordt in een voortdurend worstelen van Gods Geest met de eigenwilligheid van ons hart en met de traagheid van ons denken. Ons getuigenis tegenover de R.-K. Kerk kan dan alleen waarachtig klinken en vrucht dragen, wanneer deze worsteling onze reformatorische gemeente kenmerkt. Wij dienen diep te beseffen dat met de maatstaf waarmee wij de R.-K. Kerk meten, wij weder gemeten zullen worden!

Dit klemt nog te meer, wanneer wij in de R.-K. Kerk zoveel opmerken, dat ons beschaamd maakt: de bereidheid van honderdduizenden mannen en vrouwen, om terwille van Christus en de kerk vrijwillig afstand te doen van het huwelijksgeluk, de zelfverloochenende arbeid van vele leden van orden en congregaties, de prestaties op gebied van zending en liefdadigheid, en ook de toegewijde arbeid in het zogenaamde lekenapostolaat.

Ook wanneer wij achter dit alles met recht ook onevangelische motieven bespeuren, zijn wij daarmee van deze zaak niet af. Integendeel, dan juist gaat de vraag klemmen: moest datzelfde dan niet veel meer leven bij ons, die zeggen het heil Gods zoveel beter te verstaan? Moest de vreugde over de vrije ontferming Gods en de zekerheid des heils niet tot nog grotere dingen de kracht geven, dan bv. de klem van het gebod of de hoop op verdienste? Laten wij toch niet vergeten, dat velen die naar de R.-K. Kerk overgaan, dit doen uit teleurstelling, omdat ze bij ons wel veel schone woorden en juiste gedachten, maar weinig werkelijk leven uit het heil des Heeren gevonden hebben".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 1991

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

ISRAËL MOET VERDWIJNEN!

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 april 1991

In de Rechte Straat | 32 Pagina's