In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE REDE, DIENARESSE VAN HET HART

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REDE, DIENARESSE VAN HET HART

10 minuten leestijd

In Trouw van 28 dec. 1990 stond een letterlijke weergave van een lezing, die prof. H.S. Versnel, hoogleraar oude geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Leiden, bij de herdenking van het I 10-jarig bestaan van de Vrije Universiteit (van Amsterdam) heeft uitgesproken.

In deze lezing toont prof. Versnel aan, dat de mens uit de rede geen enkele zekerheid kan halen. Hij hekelt ook de moderne vrijzinnige theoloog, die uit de Bijbel zoveel schrapt als hij maar wil. Hij typeert dat als een neerknielen voor een god' van eigen makelij. Hij ontmaskert dat als lafheid.

Hij geeft tenslotte een schouderklopje aan de 'durvers', waartoe hij ook zichzelf rekent: "Zij weten dat hemel en hiernamaals zijn afgeschreven en nemen dat bloedserieus. Zij doen het zonder God". "Met de moed der wanhoop en op hoop van zegen gaan zij de weg ten einde, waar de gelovigen de voorlaatste of allerlaatste zijwegen zijn ingeslagen"

Deze lezing heeft mij persoonlijk erg aangesproken, omdat ook ik de weg van de rede tot het einde toe bewandeld heb en daardoor zelfs de zekerheid van het Godsbestaan dreigde kwijt te raken. Ik heb daarover geschreven in 'Mijn weg naar het licht':

"Zo kwam ik hopeloos vast te zitten. Keek ik de ene kant uit, dan zei ik: Ja, God bestaat. Keek ik de andere kant uit, dan zei ik: Nee, God bestaat niet. Het bestaan van een onveranderlijke God, die vrij de wereld heeft geschapen, is een innerlijke tegenspraak" (14de druk, p. 105).

De redding uit het huis van de rede waarin alle rationele argumenten aan het wegbranden waren, is gebeurd door een ingrijpen van Boven:

"Maar toen ik zo volstrekt met mijn denken tegen de muur was gelopen, toen was het op zekere dag, alsof ineens achter alle denken en voelen om, vanuit de diepte van mijn creatuurlijk bestaan, zich een stem naar boven wrong. Een stem die mij toeschreeuwde: En toch bestaat God! Ik werd als neergegooid op de grond, zoals Paulus op de weg naar Damascus. Het paard van mijn rede schoot onder mij vandaan, en ik bevond mij alleen tegenover de levende God, en vroeg Hem bevend wat ik doen moest" (p. 105-106).

Ik kwam tot deze slotsom: "Nee, iemand die een beetje nuchter is en de geschiedenis van het menselijk denken overschouwt, zal eerlijk moeten erkennen dat zulk een verstand, zoals wij, mensen, er een hebben, ons geen zekerheid kan verschaffen. Ik vind daarom maar één standpunt logisch: ofwel de volstrekte twijfel, ofwel het volstrekte geloof. Al het andere is zelfbedrog, inconsequentie" (p. 108).

Prof. Versnel komt tot dezelfde conclusie, maar kiest voor de volstrekte twijfel en zelfs voor méér dan dat: hij ontkent radicaal het bestaan van God.

Met opzet sprak ik over een 'keuze', die er bij hem (en bij anderen) heeft plaats gehad. Over de vraag waar die keuze voor de godloosheid uit voortkomt, wil ik verder met u nadenken.

Het hart beslist

Dat is een gedachte, die we in de Bijbel telkens tegenkomen: het hart kiest ten goede of ten kwade.

Over de keuze ten kwade heeft Jezus gezegd: "Want uit het hart komen voort boze bedenkingen …" (Mat. 15:19).

Maar over de keuze ten goede lezen we eveneens veel, bijvoorbeeld: "Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid" (Rom. 10:10).

Het hart zoekt daarna zijn keuze te verdedigen met argumenten, die het aan de rede ontleent. En de rede is dan de gewillige dienaresse van het hart en levert aan het hart de diepzinnigste filosofische of theologische stelsels, die het maar hebben wil. Ik vind het nog altijd jammer dat heel veel protestanten niet in de gaten hebben dat ook zij nog altijd steunen op hun redenerend verstand. Ze durven (willen) blijkbaar niet steunen op het radicale geloof. Ze volgen dan niet consequent het beginsel van de Reformatie: Sola Fide.

En omdat ze zoveel vertrouwen hebben in het redenerend verstand (alsof dat niet door de zonde zou zijn aangetast), is er zoveel verdeeldheid onder de protestanten. Men ziet niet (wil niet zien?) dat we slechts door het geloof, door het hart, met elkaar één kunnen en mogen zijn in Christus en dat het redenerend verstand nodeloos scheiding maakt. Ieder wil dat de ander het in alles met hem eens is, anders weigert men met die ander de eenheid in Christus te belijden en te beleven.

Wat is dan het 'hart' in de Bijbel?

In het Nederlands gebruiken wij het woord 'hart' meestal in de betekenis van 'gevoel'. Een harteloos mens noemen wij iemand, die niet mee kan (wil) voelen met anderen in hun lief en leed. Hij bekijkt alles om zich heen met de kille ogen van de rede.

Maar we kunnen ook vol lof zijn over iemand, die ons hartelijk heeft ontvangen en we bedoelen daarmee: hij heeft zijn gevoel laten spreken, hij gedroeg zich niet als enkel een verstandsmens.

Maar in de Bijbel wordt het woord 'hart' meestal anders gebruikt. Daar bedoelt men met het 'hart' niet het gevoel, maar iets dat dieper ligt dan het voelen, denken en willen.

Het 'hart' is in de Bijbel het geestelijke centrum van de mens, zijn 'ik'.

Het hart kan branden

Dat 'ik' van de mens heeft een eigen mogelijkheid om na te denken, een manier van denken die anders is dan het denken van het redenerend verstand.

Van nature komen sinds de zondeval uit dat hart, uit dat 'ik', slechts boze bedenkingen voort: "Er is niemand die God zoekt" (Rom. 3:11).

Maar wanneer dat hart geopend wordt door de Geest van God, ontvangt het daardoor de mogelijkheid om God te zien. "Zalig (zijn) de reinen van hart, want ze zullen God zien" (Mat. 5:8). "En zij (= de Emmaúsgangers) zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij tot ons sprak op de weg en toen Hij ons de Schriften opende?" (Lukas 24:32).

Waarom ben ik (en zijn anderen) er zeker van, dat God bestaat en dat Hij ons genadig wil zijn in Jezus Christus? Niet op grond van redeneringen: de geschiedenis van de filosofie (die ik vroeger zelf gedoceerd heb) heeft voldoende bewezen dat bouwen op het redenerend verstand een bouwen is op zand.

Niet op grond van eventuele religieuze gevoelens. De geschiedenis van de godsdiensten heeft voldoende bewezen dat allerlei mensen op grond van hun religieuze gevoelens tot geheel verschillende Godsbeelden zijn gekomen.

Waarom ben ik zeker? Omdat God Zelf door Zijn Woord en door Zijn Geest mijn hart heeft geopend en mij door dat Woord dat buiten mij staat, heeft laten zien dat Hij werkelijk bestaat en mij genadig is in Christus.

Kan ik dat nader verklaren? Nee, en ik zou eraan willen toevoegen: gelukkig niet! want door een verklaring van de zeer beperkte rede zou alles weer verkillen en verschralen.

Met het hart geloof ik dat ik voor altijd gerechtvaardigd ben voor de heilige God. Met mijn hart weet ik dat de Vader van Jezus Christus ook mijn Vader is. En met mijn hart heb ik Hem daarom lief en vertrouw mij oneindig aan Hem toe en weet mij zalig in de liefde van en tot Hem.

Alleen de Geest overtuigt

Ik kan dan ook niemand overtuigen. Ik kan alleen maar getuigen. Mijn geloof is als een sterrekijker. Als iemand hetzelfde wil zien als ik, kan ik alleen maar vertellen wat ik zie en ik doe dat met erg veel vreugde. En tegelijk kan ik slechts bidden: Heere, geef ook hem door Uw Geest diezelfde sterrekijker van het geloof, waardoor hij U kan zien.

Versnel zal zeggen: 'Maar u verbeeldt zich dat het Iemand buiten u was, die uw hart opende. In werkelijkheid was en is het alleen een geestelijke hallucinatie. Het is een wensdroom van u. U wilt zo'n God hebben, omdat u niet buiten Hem kunt. Daarom projecteert u zo'n God op het witte doek van uw angstige geest'.

Ik kan en wil daar niet op antwoorden met een redenering. Ik zou bijna Versnel willen uitnodigen: kom dan binnen in mij en kijk door mijn sterrekijker van het geloof en dan zult u zien dat de God die ik daar zie, werkelijk bestaat en geen vrome luchtspiegeling is.

En dan nog dit: als Versnel gelijk zou hebben, namelijk dat er geen God is en dat er geen leven is na dit leven, dan zal hij na ons beider dood niet meer tot mij kunnen zeggen: Zie je wel, ik had gelijk, want dan zouden we geen van beiden nog bestaan.

Maar als ik gelijk heb. dan zal ik alleen maar erg verdrietig zijn dat deze man die in zijn artikel zo eerlijk en vriendelijk op mij overkomt, voor altijd verloren is; althans indien er nog verdriet mogelijk is voor hen die mogen ingaan in het eeuwige Jeruzalem. Want Johannes heeft in zijn visioen gezien dat God voor altijd de tranen zal wegwissen uit de ogen van Zijn geliefden (Openb. 21:4).

We kunnen iets van God zien in de schepping

Prof. Versnel schrijft: "Bovendien zwijg ik eerbiedig over en tegen diegenen die hun geloof baseren op persoonlijke religieuze ervaring, omdat die uiteraard geen punt van discussie kunnen zijn".

Dat is heel sympathiek. Daarom zou ik hem (en degenen die eender denken) willen vragen: houd a.u.b. rekening met de mogelijkheid dat er een kennen is van God langs een andere weg dan de redenering. En juist dat kennen van God is het eeuwige leven (Joh. 17:3).

En er is ook een weg naar dat kennen. Dat leert Paulus in Rom. 1:19-20. Daarin zegt hij dat elk mens God kan kennen uit Zijn werken.

Ook zijn mening komt voort uit een keuze

Het verbaasde mij ook enigszins dat Versnel daarover op geen enkele wijze schreef in zijn artikel. Hij heeft het alleen maar over de wreedheid in de natuur, maar veel meer opvallend is de wonderbare harmonie, die er in de schepping heerst, bijvoorbeeld de schoonheid van de mens, de harmonie in zijn ziel en lichaam, waardoor hij tachtig jaar en langer kan leven enkel door altijd weer te eten en te drinken, waardoor hij kan liefhebben en zich kan voortplanten.

Uit het feit dat Versnel daaraan volstrekt voorbijgaat, blijkt dat zijn godloosheid steunt op een keuze, de keuze van zijn hart. Ik kan het helaas niet anders zien. Want al is het waar dat wij met ons verstand kunnen 'zien'(niet beredeneren) dat er een God bestaat, toch hebben we het geloof nodig om God ook werkelijk als Schepper te aanvaarden. "Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden"(Hebr. 11:3). En "Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij" (Joh. 3:27).

Tenslotte getuig ik met de Psalmist: "De Heere is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd en ik ben geholpen; daarom springt mijn hart van vreugde en ik zal Hem met mijn gezang loven" (Ps. 28:7).

TWEE TOLLENAARS

Ds. A. v.d. Kooij wees er ons op dat iemand uit dat stukje de conclusie zou kunnen trekken dat wij negatief zouden denken over 'de oude schrijvers'. Wie echter regelmatig 1RS leest, weet dat dit beslist niet het geval is. Integendeel, uw eindredakteur bezoekt steeds conferenties, waar gesproken wordt in de geest van de schrijvers van de Nadere Reformatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1991

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE REDE, DIENARESSE VAN HET HART

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1991

In de Rechte Straat | 32 Pagina's