TWEE TOLLENAARS
Twee tollenaars gingen op naar de kerk om te bidden. Ze gingen achter in de kerk staan; de eerste omdat men dat van tollenaars verwacht, de tweede omdat hij niet anders kón. Die tweede drukte zich zelfs tegen de muur aan, alsof hij uit de kerk vandaan wilde, want hij voelde zich niet waardig om in dat bedehuis Gods te verschijnen.
De eerste bad bij zichzelf: "O God, ik dank U dat ik niet ben als zovelen die denken dat ze zo maar, zoals ze zijn, tot Jezus mogen gaan, terwijl wij weten dat het zo gemakkelijk niet gaat.
Ik dank U dat ik niet ben als deze tollenaar, die blijkbaar de oude schrijvers niet of nauwelijks kent en daarom zoveel geloofszekerheid uitstraalt, die niets anders is dan lichtzinnige vrolijkheid".
De tweede stond er met gebogen hoofd bij. Hij sprak tot God: "O God, de tollenaar naast mij heeft gelijk. Er is ontzaggelijk veel op mij aan te merken. Ik faal op allerlei gebied. Ik spreek misschien wel brabbeltaal tegenover U. Ik ken die verheven termen niet, waarmee anderen zich tot U richten. Maar ik durf die ook nauwelijks te gebruiken, want ik zie altijd weer de zondigheid in mij. Ik kan alleen maar bidden: O God, wees mij, zondaar, genadig. En vergeef het mij, wanneer ik al te zeker ben van Uw belofte van de vergeving uit louter genade en daarom zo blij en dankbaar ben".
VRAAG: Wie van de twee was een tollenaar en wie was een farizeeër?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1991
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
