ONTMOETINGEN 54
Deze keer geen woord en weerwoord, maar twee verhalen over mensen, die ik ontmoette; beiden weduwen. Zoals gebruikelijk heb ik, om herkenbaarheid onmogelijk te maken, enkele details gewijzigd.
I
Ze is 64. Toen ik bij haar binnenkwam, leek het of ik de lucht van een sterfhuis inademde. Haar gezicht was zuur en verzuurd. Toch zag ik er trekken in, die mij ervan overtuigden dat ze vroeger een schoonheid moet zijn geweest. Misschien is haar man daardoor verblind geweest en was dat de reden waarom hij haar ten huwelijk heeft gevraagd.
Ze heeft drie kinderen. Twee zonen, beiden getrouwd, en een ongehuwde dochter.
Nauwelijks had ik plaats genomen of een vloed van klachten over haar kinderen werd over mij uitgestort. "Mijn oudste zoon heeft zich laten inpalmen door een meisje dat okkult belast is; de tweede heeft een vrouw die psychisch gestoord is; dat blijkt daaruit dat twee van haar tantes een tijd lang in een psychiatrische inrichting hebben gezeten".
"Mijn zoons willen geen kontakt meer met mij. Ze komen alleen op mijn verjaardag, omdat het nu eenmaal zo hoort. Het zijn mijn schoondochters, die mijn zoons tegen mij opzetten", aldus haar verklaring.
Haar dochter heeft een uitstekende baan aan een van de ministeries. Ze heeft er een leidende functie en wordt gevreesd en gewaardeerd vanwege haar koele zakelijkheid. Ook zij ziet haar moeder alleen op de verjaardagen. Ze heeft radicaal met de kerk gebroken.
Haar man heb ik niet gekend, maar uit wat ik van anderen hoorde, moet hij een diep-gelovig iemand zijn geweest, met een warm gevoel voor mensen in nood.
Toen ik haar voorzichtig aanraadde om althans de mogelijkheid te overwegen dat ook zij enige schuld zou hebben aan deze verwijdering, was haar antwoord een resoluut neen!
Ik zei: "Dan heeft het geen zin dat we verder praten, want als een van beide partijen op geen enkele wijze de mogelijkheid van enige schuld bij zichzelf wil aannemen, is het uitgesloten dat ze ooit bij elkaar komen en er een waarachtige verzoening plaats heeft".
Zij: "O u wilt zeggen: Waar twee kijven, hebben er twee schuld; maar dat is hier beslist niet het geval. Alle schuld ligt alleen bij hen".
Ik meende dat voor mij de tijd was gekomen om op te stappen met een klein beetje hoop dat ze er toch nog eens over zou nadenken.
Het tweede bezoek. Weer overviel mij datzelfde nare gevoel: hier is iemand die zich, vanuit een volstrekte gerichtheid op zichzelf, in staat van ont-binding heeft gebracht. Alle echte banden met medemensen heeft ze in feite doorgesneden en zal ze misschien ook nooit hebben gehad. Heel haar leven was één koestering van zichzelf.
Ik merkte al vrij spoedig dat mijn eerste gesprek niets had uitgehaald. Ze begon te praten over de tekenen van de eindtijd, waarin we leven. En natuurlijk liet ze Mat. 24:12 opdraven: "En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden" Dergelijke 'christenen' passen die verkilling van de liefde echter nooit op zichzelf toe.
Ze citeerde 1 Tim. 1:9, netjes in de Staten Vertaling: "… dat de rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar … de vadermoordenaars en de moedermoordenaars"
Mijn reactie: "Dus u beschouwt uzelf als rechtvaardig en uw kinderen als moordenaars van hun moeder?"
Haar antwoord was bevestigend en ze vergeleek zichzelf met David, die het ook bij het rechte eind had tegenover zijn zoon Absalom. En met Job, die zich tegenover zijn vrienden moest verdedigen, terwijl die hem ten onrechte schuld wilden aanpraten. "En dat wilt u blijkbaar ook, maar ik laat me niet omverpraten, door u niet en door niemand".
Weer kwam ze terug op de tekenen van de eindtijd, waarin we leven. Volgens haar hoorde daar ook bij dat de schoondochter tegen de schoonmoeder zal opstaan. Ik antwoordde: 1. Moeilijkheden tussen schoondochter en schoonmoeder zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn. 2. In Luk. 11:53 staat dat ook de schoonmoeder tegen de schoondochter verdeeld zal zijn. Maar verdeeldheid wordt daar door de Heere niet genoemd als een teken van de eindtijd, maar als een gevolg van de geloofskeuze voor Hem.
Ik meende dat nu de tijd gekomen was het zwaard van het Woord Gods dat alles in een mensenziel bloot legt, te hanteren. Ik zei:
"Ik maak mij grote zorgen over uw zaligheid. Kent u dan niet de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar? U bent net als die Farizeeër, die zichzelf als een rechtvaardige beschouwde en al de anderen als zondaars veroordeelde en verachtte".
Zij: "O ik weet heel goed dat wij allemaal zondaars zijn". Ik antwoordde: Maar het zondaar-zijn doordringt ons helemaal, in alle verhoudingen, dus ook in uw verhouding tot uw kinderen. Als u op een bepaald gebied van uw zieleven alle schuld van uw kant uitsluit, hebt u nooit uw zondigheid goed gezien. Dan is er bij u niet de kennis van uw ellende als zondares, die een wezenlijk bestanddeel is van de enige troost in leven en sterven.
Zij: "Ik heb een keer in mijn jeugd mezelf radeloos gevoeld in zondebesef. De Heere heeft mij toen geopenbaard dat mijn zonden vergeven zijn. En nu wil ik zo'n soort radeloosheid en pijn nooit meer doormaken".
Op een gegeven moment zei ze: "Ik heb drie kinderen gehad; dat is drie te veel". Dat ging mij door merg en been. Hoe kan een moeder dat zeggen? Wij hebben één kind plotseling verloren, toen het 20 maanden was. Het verdriet daarom was zo hevig, dat het leek of we daar nooit overheen zouden komen.
En dat zei een moeder, die deze kinderen in de Doop aan God had toevertrouwd, een moeder die beweerde een bekeerde christin te zijn.
Ze liet het zich ontvallen, zoals iemand die zegt: "Ik had die drie stoelen niet moeten kopen; ik vind ze achteraf toch niet mooi". Ze ging ook gewoon op een ander onderwerp over.
Mijn derde bezoek. Al vrij spoedig zei ze: "U gelooft mij niet, maar ik durf God tot getuige roepen dat mij geen enkele schuld treft en dat de schuld alleen bij mijn kinderen ligt".
Ik antwoordde: "Als u dat doet, stap ik meteen op, want ik wil geen godslastering en geen meineed aanhoren".
Ze vervolgde: "U weet niets van mijn kinderen af. Als u ze kende zou u wel anders praten".
Antwoord: "Maar dat is ook niet nodig en dat wil ik ook niet. Ik wil niet als een soort scheidsrechter optreden tussen u en uw kinderen. Ik heb met u te maken. Ik kom ook niet uit eigen belang. Het zou voor mij veel gemakkelijker zijn al na mijn eerste bezoek te concluderen: Hier is niets aan te doen, waarom zou ik daaraan nog meer tijd besteden? Toen ik de vorige keer wegreed, heb ik in de auto voor u gebeden. Ik heb ook aan de Heere gevraagd: Was mijn verontwaardiging helemaal zuiver? Was er misschien iets van mijn persoonlijke geraaktheid in, toen zij zo sprak over haar kinderen, die ze liever niet had gehad? Kwam toen in mij opnieuw de pijn naar boven om ons kind dat U toen van ons hebt weggenomen?"
Ze ontweek mijn antwoord en ging op iets anders over: "Er zijn maar weinig mensen, die echt kunnen troosten. Dat heeft Job ook al ondervonden".
Op dat moment ging de telefoon. Een kennis waarover ze het al eens meer had gehad; iemand die blijkbaar helemaal met haar meepraatte. Ze zei tegen de man aan de andere kant van de lijn: "Ik heb een dominee op bezoek en die probeert mij aan te praten dat ook ik schuld heb aan de slechte verhouding tussen de kinderen en mij". De man stelde blijkbaar voor om meteen naar haar toe te komen. Ze wimpelde dat af: "Nee, ik sta mijn mannetje wel". Even later passeerde de man twee keer en keek naar binnen. Ze wees hem aan en zei: "Die man kan echt troosten".
Ik antwoordde: "Als mensen u troosten, helpt dat maar even. Bovendien, u kent toch ook wel het gezegde: Het zijn mijn vrienden, die mij mijn feilen tonen. Wat hebt u aan mensen, die u naar de mond praten, die met u meesteunen: Och arme Annie! Wat vreselijk! Wat vreselijk!? Dat zijn geen echte vrienden.
Ik mag u als herder en vriend een troost bieden, die onvergankelijk is, de enige troost in leven en sterven. Maar wilt u die troost deelachtig worden, dan moet u er zelf helemaal aan gaan. Dan zult u tot het besef moeten komen van de ellendige toestand, waarin u verkeert, een toestand van zelfbeklag en zelfvertroeteling, waarbij u uzelf volkomen in het middelpunt plaatst. Als u later zo voor God verschijnt, moet Hij tegen u zeggen: Ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend en u hebt Mij nooit gekend. U hebt alleen maar uzelf gekend en bent helemaal opgegaan in de aanbidding van uw eigen 'ik'.
Maar als u nu tot het inzicht en de erkentenis van uw ellende komt en gebroken uw schuld uitspreekt voor Hem en uw vertrouwen uitspreekt in het volbrachte werk van Christus, zal Hij u in genade aannemen. Dat heeft Hij beloofd; lees maar Joh. 6:37".
Zij: "Ja maar, dat moetje gegeven worden. Je kunt niet zo maar Christus in geloof aangrijpen".
Antwoord: "Inderdaad, wat u zegt is volkomen bijbels. Maar tegelijk volkomen onbijbels. De bijbelse leer van de uitverkiezing is gegeven tot vertroosting voor de gelovigen en nu gaat u die leer misbruiken als een handvat om uzelf als rechtvaardige voor God staande te kunnen houden".
Ik wees haar ook op de mogelijkheid van een radicale ommekeer. "U bent nog maar 65. Wat gaat u die laatste 10, misschien 20 jaar van uw leven doen? U kunt uzelf nog verder verzuren, zodat de mensen straks na uw dood niet hardop, maar wel in hun hart verzuchten: 'Gelukkig, we zijn verlost van die bittere zeurpiet'. Maar er is ook een andere mogelijkheid: Neem uzelf onder handen, gooi het roer van uw levensschip om en blijf niet meer rondom uzelf cirkelen, maar maak van uw hart een radar dat voortdurend naar de ander ziet en erop uit is anderen te helpen. Dan zult u een spoor van zegeningen achterlaten. Dan zullen mensen u graag komen opzoeken, want dan krijgen ze niet meer uw eindeloze jammerklachten te horen, maar dan worden ze ontvangen en misschien opgevangen door een ware moeder in Israël. Die verandering kunt u niet zelf teweeg brengen, maar die ommekeer voltrekt zich, wanneer u steeds meer gaat leven in en vanuit Christus. Dan beziet u de wereld rondom u heen met Zijn liefdevolle, begrijpende ogen". Weer gaf ze eenzelfde antwoord: "Dat moet je gegeven worden". Toen ben ik opgestapt.
Verdrietig, want ik had ook medelijden met haar. Mijn psychologisch instinct begon te werken en ik dacht: Misschien is het iemand die in haar jeugd nooit liefde en hartelijkheid heeft ondervonden en het daarom ook niet aan anderen kan geven. Verdrietig ook, want vanaf je 64ste jaar kun je als weduwe nog veel voor anderen betekenen.
Maar ik dacht ook aan Gods almacht: "En Ik zal u een nieuw hart geven en Ik zal u een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven" (Ez. 36:26).
Misschien vinden sommigen de uitingen van deze weduwe een beetje extreem. Maar is dat wel zo extreem? Van nature hebben we sinds de zondeval allemaal een hart van steen, een hart dat alleen de bevrediging van eigen begeerten beoogt. Vanwege onze radicaal (= tot in de wortel toe) bedorven natuur zijn we allemaal extreem in onze zelfhandhaving.
Hoe vaak grijpen christenen niet naar de mooiste teksten in de Bijbel om de Heere die hun stenen hart wil veranderen, tegen te werken? Hoe vaak bekogelen de verdeelde christenen elkaar niet met Bijbelteksten?
De Heere is echter in staat om het stenen hart, de kille berekenende zelfzucht, bij elk mens weg te nemen en er een hart van vlees, een hart dat gevuld is met liefde, voor in de plaats te geven. "God kan zelfs uit deze stenen Abraham kinderen verwekken" (Mat. 3:9).
Maar Hij doet dat niet door ons als een robot te behandelen, maar door een spel van Woord van Hem en weerwoord van ons. Hij roept ons door Zijn Woord van achter het struikgewas waar wij ons naakte 'ik' wilden verbergen, vandaan. Hij wil ons aan onszelf ontdekken, ook als we de prachtige bijbelse leer van de uitverkiezing willen gebruiken om ons daarachter te verschuilen, zodat we daardoor een excuus hebben voor onze taaie zelfhandhaving in zonde en eigengerechtigheid.
II
Ze was 78. Maandag vóór Hemelvaartsdag kreeg ze de uitslag van het onderzoek: U hebt kanker aan de alvleesklier. We kunnen daar niets tegen doen. We willen alleen proberen een buisje aan te brengen, waardoor de narigheid althans enige tijd verminderd wordt. Als dat lukt, gaat u dan nog rustig op vakantie.
Maar het lukte niet, ook niet na een tweede poging. Toen ging ze snel achteruit.
Ze had haar man twintig jaar geleden verloren. Plotseling, een hartaanval, ze was er zelf bij, toen het gebeurde; ze had geen afscheid van hem kunnen nemen.
Een uitzonderlijk lieve, humoristische dame, met ogen die altijd twinkelden van plezier. Er zat iets guitigs in heel haar gelaat, net of ze altijd binnenpretjes had. Het was een genot om haar te bezoeken. Ze bezag alles vanuit de levende achtergrond, Jezus Christus. In Hem leefde ze, met Hem leed ze (ze kreeg erg veel moeite met haar heupgewricht), door Hem bad ze, vanuit Hem had ze de anderen lief.
Ze had veel vrienden. Dat is te begrijpen, want ze had steeds een open oor en een open hart voor de problemen van de anderen. Nooit klaagde ze over haar eigen moeilijkheden, al zag ik soms even haar gezicht verwringen van de pijn.
Natuurlijk kwam dit doodsvonnis ook bij haar hard over. Elke gezonde psyche hecht aan het leven en heeft een afkeer tegen het afbrekende werk van de dood. Maar ze herstelde zich vrij spoedig. Ze ging naar haar Heere. En in het gebed kreeg ze de verzekering te horen: "Ik kom u spoedig halen; dan moogt u voor altijd bij Mij zijn". En innerlijk had ze geantwoord: "Ja, kom, Heere Jezus!" (Openb. 22:20).
Op Hemelvaartsdag was het alsof ze zelf al in de hemel vertoefde. Meer dan ooit begreep ze het antwoord op de vraag: "Wat nut ons de hemelvaart van Christus?". Ten volle kon ze beamen: "dat wij daardoor … een zeker pand hebben, dat Hij als het Hoofd ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen"(Heidelbergse Catechismus, zd. 18).
Ze had acht kinderen, allen nog in leven. Bij verjaardagen ontmoette ik ze, allemaal psychisch gezond; niet allemaal gelovigen zoals zij; ze had daar veel verdriet van; maar ik wees haar erop: Genade is geen erfgoed. Wij kunnen als ouders het Woord Gods helder voor onze kinderen uiteenzetten, maar alleen God kan dat zaad doen ontkiemen in de harten, ook van onze kinderen. Samen pleitten we dan in het gebed op de Verbondsbelofte voor onze kinderen.
Zo spoedig mogelijk had ze de kinderen laten komen: "Nu ben ik nog fris van geest, maar straks ga ik er misschien wartaal uitgooien", zei ze met haar gebruikelijke speelsheid.
Ze sprak met hen, een voor een. Ze vertroostte èn vermaande hen. Heel nuchter kon ze spreken over de vergankelijkheid van het aardse leven. "Ik heb 78 jaar van de Heere gekregen, een prachtige leeftijd. Maar o het gaat zo vlug voorbij. En wat zijn 78 jaar in het licht van de eeuwigheid? Over enkele weken, misschien al over enkele dagen, komt de Heere mij halen en dan mag ik voor altijd verblijven in Zijn heerlijkheid. Zorg toch dat jij daar later ook zult zijn".
En dan verklaarde ze nog eens opnieuw, nu voor het laatst, het Evangelie aan haar kinderen: Gods loutere genade die Hij schenken wil aan verloren zondaars zoals zij, volkomen vergeving van de zonden voor hen die met hun hart in Christus geloven.
Ja, daar had ze het ook met mij vaak over: ze voelde zich zozeer een zondares. Van de ene kant verbaasde mij dat. Soms dacht ik namelijk: zij is zo lief en zo goed voor anderen, dat het wel lijkt of de erfzonde haar niet heeft geraakt. Van de andere kant verblijdde ik er mij over: zij heeft blijkbaar ook in de diepten van haar onderbewuste zieleven kunnen kijken en daar die duistere trek van het zondige 'ik' gezien, dat alleen maar zichzelf zoekt. Ze zag en beleed dat als schuld voor God, maar wist zich ook altijd daarvan gereinigd door het bloed van Christus.
Hoewel ze aanvankelijk haar dood na enige moeite rustig uit de handen van de Heere had aanvaard, werd ze, toen de galaandoening als een geelheid haar geest begon te verzwakken, toch nog aangevochten.
Ze riep toen een paar keer: "Satan, ga weg! Heere, help mij!" Wat was dat? Hield de duivel haar de zonden voor, die ze bedreven had of waarnaar haar begeerte was uitgegaan, ook al had ze er niet aan toegegeven?
Een dochter van haar las toen een stukje voor uit een preek, die ze op haar nachtkastje had liggen. Daarin werd gezegd dat de beste manier om de satan te overwinnen, is God grootmaken. Ze las vervolgens Ps. 75:1 berijmd: "U alleen, U loven wij; ja wij loven U, o Heer; want Uw Naam, zo rijk van eer, is tot onze vreugd nabij; dies vertelt men in ons land al de wond'ren Uwer hand".
Na ongeveer een half uur riep ze uit: "Jezus komt mij halen. Ik ben voor altijd geborgen in Hem". En tegelijk begon haar gezicht te stralen met een glans die niet meer van haar zou wijken.
Na de tweede mislukte poging om het buisje aan te brengen ging het snel achteruit. Op de Pinksterdag was ze al in coma. Ik bezocht haar 's avonds en zei heel dicht bij haar oor: "Vandaag is het Pinksteren, het feest van de Heilige Geest, die uw ziel heeft opengemaakt voor de liefde en de heerlijkheid van Christus". Het was alsof even een stukje rust over haar kwam, alsof een blijde dankbaarheid over haar gelaat gleed.
Toen woedde de dood in haar voort. Ze moet een sterk hart gehad hebben, want dat gaf het niet zo maar op.
Op woensdagmiddag begon de eigenlijke doodsstrijd. Die duurde twee uur. Dan zie je van nabij de ontluistering van de mens, wanneer hij sterft. Soms kwamen er krampen in haar gezicht; dat gaf haar dan een komisch, maar tegelijk een gruwelijk aanzien.
De laatste momenten: even lichtten haar ogen op, het was alsof ze in de verte iemand aanschouwde, die ze liefhad. Een enorm blije gloed kwam over haar heen. Zag ze toen de Heere Jezus Zelf? Even daarna stond haar hart stil en hield ze op met ademen.
Toen ik haar de dag daarop zag, werd ik getroffen door de schoonheid van haar gezicht. Het was alsof ze in zichzelf gekeerd lag te denken aan heel mooie dingen; inderdaad, alsof ze nu lag te genieten van de rust in de aanschouwing van de Heere, de rust die ze nu voor altijd was binnengegaan.
De begrafenisdienst had dan ook iets van een feest. En nu bleek ook dat zij velen had welgedaan op een manier waarvan niemand geweten had. Ze had dat gedaan in eenvoud en als vanzelfsprekend. Daarom was veel van haar goedheid verborgen gebleven.
En ik dacht aan deze zegenspreuk: "Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen hen"(Openb. 14:13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
