GETUIGENIS EX-PRIESTER R.DI LORENZO
In deze toestand van ellende en verlatenheid nam ik een oude pater in vertrouwen. Ik vertelde hem mijn relaas. Hij gaf mij de raad de overste per brief te vragen of ik zou mogen terugkeren naar mijn vroegere werk, omdat dit veel beter zou zijn dan mij hier te laten verkommeren.
Ik volgde zijn advies op en liet hem mijn brief lezen. Hij ging ermee akkoord en raadde mij slechts aan enkele, volgens hem te scherpe uitdrukkingen te wijzigen. Het antwoord was kil: Ik moest al die narigheid verdragen als boetedoening voor mijn zonde en ontrouw jegens God. Weer steeg de woede in mij naar omhoog. Ik vond het gemeen, om twee redenen:
1. Ik kón het niet als een misdaad beschouwen dat ik even geroken had aan de bloem van de liefde, dat ik even iets van de mooie mogelijkheden had gezien, die de Schepper Zelf heeft gelegd in de man en de vrouw, in hun heenneigen naar elkaar.
2. Ik had dit helemaal niet aan mijn overste hoeven te zeggen. Ik had gedacht mijn hart voor hem als voor een vader te kunnen openen. In plaats daarvan stootte ik op een keiharde rechter, die de kennis die ik hem in vertrouwen had meegedeeld, gebruikte om mij vreselijk te straffen. Ook andere priesters die ik hierover sprak, zeiden mij: "Je bent veel te argeloos geweest; je had hem dat niet moeten vertellen".
Maar vanuit zijn 'goedheid' gaf hij mij verlof om, als de overste van het klooster waar ik verbleef, het goedvond, de stad in te gaan, maar alleen om de basilieken te bezoeken en daar van God de vergeving van mijn zonde af te smeken. Tevens beloofde hij mij in april te komen opzoeken.
De overste in Rome gaf mij zonder meer verlof om uit te gaan, wanneer ik maar wilde, mits ik steeds op tijd bij de maaltijden terug zou zijn. (Die maaltijden moest ik als boeteling helemaal alleen gebruiken in een grote, oude eetzaal).
Ik ben Rome echter niet gaan doorkruisen als pelgrim, maar als toerist. Ik kocht vooral kranten en tijdschriften om een beetje op de hoogte te komen van het gebeuren in de wereld.
De ontmoeting met de overste in april werd een botsing. Hij dacht dat hij een heilige zou aantreffen, terwijl hij in werkelijkheid iemand tegenover zich vond, wiens zenuwen tot het uiterste gespannen waren.
Hij zei mij dat hij mij onmiddellijk na Pasen naar een ander klooster zou overplaatsen. Met alle beslistheid antwoordde ik: "Nee, dat aanvaard ik in geen geval! Ik wil terug naar mijn vorige klooster in Napels. Bovendien wil ik u nu heel duidelijk zeggen wat ik van u denk: U hebt op de plaats van uw hart alleen maar een kerkelijk wetboek zitten".
Op Witte Donderdag ging ik naar Napels, maar niet om terug te keren naar het klooster, maar om een tijdje te verblijven in het huis van mijn ouders.
De Heere zette echter Zijn werk aan mij voort. Toen ik in Rome als gevangen kluizenaar vertoefde, had ik mijn tijd besteed o.a. aan het opnieuw bestuderen van de r.-k. theologie. Ik was toen tot de ontdekking gekomen dat die theologie niet uitging van de Bijbel als beslissende norm, maar de Bijbel trachtte te gebruiken, beter: te misbruiken, om dat Woord Gods te laten beweren wat zijzelf hadden uitgedacht. Ik bemerkte dat men van mij vroeg in de Rooms-Katholieke Kerk te geloven, omdat ik - zo beweerde men - alleen maar door die kerk tot Christus kon komen. Gehoorzamen aan Christus en gehoorzamen aan de paus was volgens hen hetzelfde.
Een van de boetedoeningen die de overste mij had opgelegd, was het dagelijks bidden van de rozenkrans. (Voor protestantse lezers: "De rozenkrans is een gebedswijze waarbij 15 maal 10 Weesgegroeten ter ere van Maria worden gebeden die, door een Onze Vader voorafgegaan en door een 'Ere zij de Vader besloten, telkens een geheel (een tientje) vormen en verbonden worden met de overweging van één van de 15 geheimen van de rozenkrans. Veelal wordt niet de gehele rozenkrans gebeden, doch slechts een derde ervan dat dan rozenhoedje wordt genoemd. Men maakt daarbij gebruik van een kralensnoer" Aldus Catholica II, kol. 2430).
Maar op het nachtkastje van mijn cel vond ik een Nieuwe Testament. Ik ging dat voor het eerst in mijn leven, helemaal uitlezen. Ik probeerde het nu te lezen zoals het daar stond, zonder mij te storen aan de bedreigingen van de kerk dat ik vervloekt zou zijn, als ik er iets anders in zou lezen dan zij mij voorhield.
Ik ontdekte dat de Vader van Jezus Christus heel anders was dan de God en Vader die de kerk mij altijd geleerd had. Ik begon in te zien dat wat ik tot dan toe zelf geloofd en anderen verkondigd had, heel anders is dan wat het Evangelie zegt. Ik bemerkte dat ik de zaligheid die ik moest verwerven, niet tijdens de mis in mijn handen kon dragen, ook al waren die door een bisschop gezalfd; maar dat die zaligheid te vinden is enkel buiten mij, in Christus, want "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (Gal. 3:13).
In dat alleen-zijn dat een mens mij had opgelegd, sprak God tot mij en openbaarde mij Zijn liefde.
Elke (weder)geboorte wordt voorafgegaan door weeën, door benauwenis en pijn. Dat was ook bij mij het geval. Maar God die bij mij Zijn werk was begonnen, heeft het ook voleindigd.
Op een zondagmorgen, toen ik weer in plaats van de mis te lezen door Napels liep, viel mijn aandacht op een gebouw, waar protestantse lectuur was uitgestald. Dat was bij de ingang van een waldenzenkerk. Ik ging er niet binnen, want ik was nog in mijn priesterkleding en dat zou te veel opschudding veroorzaken. Ik noteerde echter wel de naam en het telefoonnummer van de dominee. Hij nodigde mij uit om over mijn moeilijkheden bij hem thuis te praten.
Dat is gebeurd en via-via hoorde ik in 1966 - mijn worsteling om het Evangelie had toen al vier jaar geduurd - dat ds. Hegger op bezoek zou komen bij ds. Poggioli, een ex-priester, in Torre Annunziata. En op een warme zomerdag in augustus ontmoette ik hem.
En enkele weken later nam ik mijn toevlucht in het ex- priesterhuis, de Wartburg te Velp.
Daar voltrok zich definitief dat geheimenis aan mij, de wedergeboorte door het Woord Gods en onder de beademing van de Heilige Geest. Die Geest had allerlei obstakels bij mij uit de weg moeten ruimen: twintig jaar kloosterleven, heimwee naar mijn geboorteland Italië, mijn filosofische en theologische (mis)vorming, de barrière van de taal en vooral mijn eigen zondige 'ik'. Maar God is almachtig. Hij is in staat om zelfs uit stenen kinderen voor Abraham te verwekken. Hij brak het huis van mijn zelfvoldaanheid en eigengerechtigheid tot de bodem toe af. Hij deed mij met Christus en in Zijn kracht sterven aan mijn zondige 'ik' om mij uit de dood op te wekken tot het leven met en in Hem. Gods Naam zij voor altijd geprezen om de grootheid van Zijn genade in Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
