CHRISTUS OVERWINT DE DEMONEN
Mare Mertens stuurde mij vanuit Ruisbroek in België het verhaal van het werk Gods in zijn leven. Ik was er heel erg van onder de indruk.
Wat gaat een mens soms door een dal van schuld, smerigheid en ellende! Maar hoe heerlijk is het dan, wanneer God ons desondanks bevrijdend verschijnt in Jezus Christus.
Het verleden van Mare is een droevige geschiedenis van verslaving aan van alles, aan drugs, aan sex, aan verschillende vrouwen, aan diefstal en inbraken.
Maar toen ik in Essen zijn getuigenis hoorde, kwam ik nog meer onder de indruk van de macht van Gods genade die een mens zo radicaal kan veranderen. We citeren uit zijn getuigenis:
Op een dag ging ik naar het café. Een makker gaf me een snuif (ik wist niet eens wat het was). Ik had al een hele poos geen drugs meer gebruikt. Daarom kwam dit hard aan. Ik moest gaan liggen.
Ik werd heel angstig. Ik had al meerdere keren sterke okkulte ervaringen gehad (visioenen), maar dit was sterker dan ooit tevoren.
Een vreemde stem in mij beval mij me te verminken, te ontmannen. Ik vocht ertegen, maar die stem bleef maar argumenteren, zelfs vanuit de Bijbel (die ik ondertussen was gaan lezen).
Ik kocht een mes. Eerst zakte de strijd, maar laaide in alle felheid weer op.
Wat is de duivel machtig! Die stem bleef maar aandringen. Hij joeg mij op tot vreselijke hoogmoed. Hij stelde het mij voor alsof ik een nog groter offer voor de mensheid zou brengen dan Christus.
Ik kon het op den duur niet meer uithouden. Ik moest die daad verrichten om aan die dwingende stem te ontkomen. Ik bracht mezelf een grote wonde toe.
Ik bloedde vreselijk en schreeuwde het uit van de pijn. Mijn vriendin kwam toegelopen en belde een ambulance. In het ziekenhuis hebben ze me opgelapt. Na een week mocht ik alweer naar huis.
Maar die geest was nog niet weg. Weer begon de strijd en de angst.
Toen besloot ik de man die me over Jezus had verteld, op te zoeken. Ik dacht: dat dwangbevel om mij te verminken kan niet van God zijn. Hier moet een demon in het spel zijn en alleen Jezus zal mij van deze demon kunnen bevrijden.
Ik liftte naar Antwerpen, maar trof hem niet thuis. Moedeloos zette ik mij op een bank in een nabijgelegen park. Ik was ten einde raad en begreep het niet meer. Ik had gestreden, ik had een overwinning behaald en nu leek het erop dat ik voor niets was gekomen.
Ik sloeg met de moed der wanhoop mijn Bijbel open, zo maar op een willekeurige bladzijde, wie weet, misschien staat er iets in voor mij.
Toen las ik Jesaja 51:22 (Willibrordvertaling): "Zie, Ik neem de beker der bedwelming uit uw hand en gij drinkt niet meer de kelk van Mijn toorn".
Hoe het gebeurde begrijp ik niet, maar ik geloofde onmiddellijk dat wat er stond voor mij was. Meteen viel toen heel die last en die angst van mij af. Ik liet mij van de bank op mijn knieën vallen en dankte Jezus voor mijn verlossing.
Even later stond ik op en ging weer naar het huis van mijn broeder. Nu was hij thuis. Maar blijkbaar had de Heere mij rechtstreeks door Zijn Woord tot geloof willen brengen, zonder de tussenkomst van een mens.
In de uren daarna beleed ik mijn zonden en bad een gebed, ongeveer als volgt:
Lieve Heere Jezus,
Kom nu in mijn hart (maar Hij was al in mijn hart). Vergeef mij al mijn zonden. Was mij in uw dierbaar bloed. Schrijf mijn naam in het Boek des levens. Geef mij Uw Heilige Geest. Red mij en mijn gezin. Bescherm ons tegen de duivelse machten. Heel mijn lichaam, ziel en geest in Jezus'Naam. Dank U, mijn God, mijn Vader in Jezus Christus, voor Uw verlossing. U maakt mij vrij!
Zingend ging ik naar huis, grotendeels te voet. Denk nu niet dat alles was opgelost. Mijn eerste verdriet wachtte mij, toen mijn vriendin niet onmiddellijk haar leven aan de Heere gaf.
Maar God doet wonderen. Na drie weken gaf zij zich gewonnen aan de Heere. Zo konden we samen voor de troon van Gods genade staan.
We begrepen ook dat we niet meer konden samenwonen en zijn toen spoedig met elkaar getrouwd. Nu kreeg ik ook de moed om haar trouw te beloven, omdat ik wist dat Zijn liefde dat in mij zou bewerken.
Ik had ook nog vaak strijd. Die vreemde stem kwam soms terug, maar nu anders. Die stem kwam nu helemaal van buiten. Het was niet meer een macht binnen in mij. Jezus had die geest uit mij geworpen, toen Hij de beker van Gods toorn van mij wegnam.
Een andere teleurstelling was de lauwheid van de gemeente waar wij terecht kwamen. We kregen ook weinig levend brood via de bediening van het Woord. Een tijdlang werden we door het gezapige leven van de gemeente in slaap gewiegd. Maar het werk van de Heere gaat door. Hij heeft mij gegrepen, niet ik Hem. Daarom strek ik mij nu uit naar Hem en klem mij vast aan het kruis van Golgotha.
De oude Mare is dood, ook al steekt hij soms nog in alle hevigheid de kop op. Jezus leeft in mij en in mijn vrouw. Hij is Overwinnaar tot in de eeuwigheid!
Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont. Maar Hij die mij getrokken heeft uit de diepe wateren van de duisternis en mij gezet heeft in Zijn rijk van licht en liefde, moet alle eer en glorie ontvangen. Ik dank hem dat ik van Hem mag getuigen in de wonderbare Naam van Jezus Christus. Tot zo ver het getuigenis van Marc.
Onlangs kreeg zijn dochtertje een briefje mee naar huis van het "Pauselijk Missiewerk van de Kinderen". Daarin stond een gebed afgedrukt: "Goede Vader in de hemel, wij danken U dat alle mensen Uw kinderen zijn".
Marc heeft toen aan alle afdelingen van dat P.M.K. een brief gestuurd, waaruit wij citeren:
Is het waar dat alle mensen kinderen van God zijn? De Bijbel leert ons heel iets anders.
"Aan allen die Hem wél aanvaarden, aan hen die in Zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden"(Joh. 1:12 RKV). "Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God" (Rom. 8:14). "Want gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Jezus Christus" (Gal. 3:26). God is slechts een Vader voor hen die het offer van Zijn welbeminde Zoon Jezus Christus aanvaarden tot vergeving van de zonden, tot redding uit het oordeel, tot zaligmaking. Zie Joh. 14:6; 10:9; 10:1.
Wie niet gelooft in het volbrachte werk van Christus, is dus geen kind van God. De Weg tot behoud is alleen de Zoon. Iedereen kan tot Hem gaan. Hij zal niemand afwijzen (Hand. 2:21; Rom. 10:9-12).
Maar wie Gods uitgestrekte hand der verzoening blijft afwijzen, wordt veroordeeld (Joh. 3:18 en 12:48).
Als Gods liefde zo groot is dat Hij zelfs Zijn enige, Zijn geliefde Zoon niet spaarde om ons te kunnen verlossen, hoe groot moet dan niet Zijn toorn zijn, wanneer wij weigeren ons in geloof aan die Zoon van Zijn liefde over te geven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
