In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ONTMOETINGEN 52

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTMOETINGEN 52

11 minuten leestijd

Diep in mij heb ik al een hele tijd een (de) zekerheid dat het geestelijke leven dat ik in mij ervaar, van God is; dat al die strijden pijn, die vreugde en die overwinning, van Hem is; dat de genieting vóór en na het Avondmaal van Hem is enz. enz.

Al is het soms nog zó leeg en duister in mij, diep in mij wil dat niet weg, dat vreugdevolle besef dat ik een kind van God ben, ook al is mijn gebedsleven vaak lauw en zelfs koud.

Dan lijkt alles op een woestijn, waar niets groeit, maar alles verschroeit. Maar, soms na weken, vlamt het weer (wat) op. En als ze me aanvallen (jammer genoeg niet rechtstreeks) en mij verwijten dat ik te vroeg aan het Avondmaal ben gegaan: "Dat kan zo maar niet, zeker niet op zo 'n jeugdige leeftijd", dan vlamt de strijdlust in mij omhoog, om mezelf te verdedigen en, naar ik meen, ook om Gods werk in mij te verdedigen.

Dan heb ik de neiging om het hen toe te roepen: Daar moeten jullie van af blijven; jullie mogen niet veroordelen wat God door Zijn Geest in mij gewerkt heeft; ik sta nog elke dag ervan te kijken dat de Heere zulk een weerbarstige zondares als ik was, zo radicaal heeft weten om te buigen en naar Zich toe heeft getrokken.

Nu mijn vraag: We zijn nu in de lijdenstijd. Maar heel dat verhaal over wat de Heere geleden heeft, gaat aan mij als bedekt voorbij. Ik vind het verstandelijk wel mooi en belangrijk, maar dat ik door deze feiten gered ben, dat daar, aan dat kruis, mijn verzoening met God door voldoening van mijn schuld tot stand is gebracht, nee, zo beleef ik het niet.

Maar kan dat? Als je een kind van God bent, gaat het over jóuw Heere, over de manier waarop jij verlost bent; dat móet jedantoch raken?! Hoe kan het dan zó aan mij voorbijgaan, zo niets-zeggend zijn?

Ik leef momenteel niet op de drijfveren van mijn gevoel; alles hangt niet van stemmingen af; maar al lezende en luisterende kwam deze tegenstrijdigheid op me af: van de ene kant is er daar in de diepte de rust in Hem, zonder te twijfelen (heerlijk is dat!!! en goed?), een ontspannen geloofsleven, en tóch: niet betrokken bij het belangrijkste van mijn Heere; hoe kan dat?!

Ondanks alles krijg ik dagelijks, wekelijks geduld om te wachten tot u de tijd hebt om te antwoorden. Ik ben losgemaakt van de spanning om dé brief die komen moet.

Er zijn de laatste maanden diepe dieptes geweest en ineens mocht ik er dan weer boven uit komen, er over heen kijken. Dan voelde ik mij als herboren, vernieuwd, soms 'zo maar', onaanwijsbaar, soms op het gebed. Dagen die traag zich voortslepen, omdat ik het niet meer zie zitten, én dagen die ik vol zing met lofliederen en waarin ik de tijd te kort vind.

ANTWOORD

1. Die beleving van jou kan ik helemaal navoelen. Dat is wat de psalmist beschrijft in Ps. 42 en 43. Dan is het of je innerlijk uitdroogt, maar het is tegelijk een uitdrogen van verlangen naar Hem. Dan kreunt op de bodem van mijn ziel alles om Hem, schreeuw ik om Hem, hijg ik naar Hem, de Afwezige en tegelijk de intens Nabije.

En dan kan het gebeuren dat Hij ineens op mij afkomt, met een gloed die mij bijna verteert, de gloed van Zijn liefde. Dan slaat Hij mij neer met Zijn tederheid. Dan word ik bedwelmd door Zijn barmhartigheid, de mildheid van Zijn vergeving.

2. Toch moet ik je weer waarschuwen. Pas op voor de wet, voor "dit moet ik beleven en dat moet ik doen, anders is het niet echt"

Zo zitje toch ook niet de liefde voor je man te bekijken. Die liefde voor je man is toch immers ook niet een besluit van je wil geweest, zo iets in deze trant: "Toen, om kwart over vier 's middags besloot ik om van Jan te gaan houden" Die liefde kwam toch immers uit Jan zelf voort. Je werd geboeid door hem, je zag iets in hem; wat?je had geen behoefte om dat te gaan ontleden, je was er eenvoudig blij om en je voelde je er gelukkig door.

Zo is het ook met onze liefde tot God. Zoals je weet, vergelijkt de Bijbel die liefde van en tot God vaak met de liefde tussen man en vrouw.

Je werd door God geboeid. Je zag ietsje zag alles in Hem. Hoe kwam dat? Immers niet, omdat jij op een goeie dag besloot God te gaan liefhebben. Hij was het die jou trok, doordat Hij Zich levend aan je aanbood in het Woord dat Hij verlichtte door Zijn Heilige Geest. Toen móest je wel naar Hem toe. Je kon en je wilde niet anders. Onweerstaanbaar werd je naar Hem toe getrokken.

Maar dat is zo niet alleen bij het ontstaan van je liefde voor Hem, maar ook bij de uitbloei van die liefde.

Laatje steeds méér boeien door het heilige Voorwerp van je liefde, door Christus in Wie de Vader Zelf aan je verschijnt. En Christus vind je alleen in de Schrift. De Bijbel is vol van Hem. De Geest blaast de zeilen van het Woord Gods zó dat ze bol staan van Christus, bol van de spanning van de Heilige Geest die Christus wil verheerlijken.

Kijk dus steeds maar naar Christus en geniet van Hem. Maar liefhebben en lijden gaan altijd samen. De liefde verdiept zich ook in de afwezigheid van de Geliefde. Als je Hem niet meer grijpen kunt, groeit in de diepte je dorst naar Hem.

3. Wat zijn jullie toch enorm sterk met de wet opgegroeid! Dat heeft z'n voordelen, maar ook z'n nadelen.

Door de prediking van de wet kan de eerbied voor de heilige God zeer toenemen. Maar die eerbied kan ook gemakkelijk ontaarden in angstige uitpluizerij en in een steunen op je eigen wetsgetrouwheid of althans op je poging om die wet tot in de kleinste puntjes te onderhouden. Dan bedek je de hemel met al die wetten en regels van het 'smaak niet, raak niet aan, pas op zus, pas op zo". Dan verduister je daardoor de zon van Gods liefde.

Als je je zo aan de wet vastklampt, kom je niet tot de echte liefde. Dan zitje altijd te rekenen en te berekenen. En de liefde houdt er geen bankrekening op na. De liefde schrijft niet telkens schuldbrieven uit, zeker geen schuldbrieven aan God, die jou zou moeten belonen voor je nauwgezette plichtsbetrachting.

Ik ben overtuigd dat 2 Kor. 3 ook van heel wat kerkmensen opgaat. Ook op hun hart licht een bedekking, de bedekking van de wet. "Doch zo wanneer het tot de Heere bekeerd zal zijn, zo wordt de bedekking weggenomen. De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid" (vers 16,17).

4. Ik ben blij dat je je niet meer afhankelijk weet van mijn brieven. Paulus spreekt over een voeding met melk. Die is voor de babies. Maar wij moeten als gelovigen volwassen worden. En dan gaan we steeds meer zelfde vaste spijs van het Woord Gods tot ons nemen.

Maar al moet de onderlinge afhankelijkheid verdwijnen, de gemeenschap der heiligen moet toenemen. In die zin kan ik me indenken datje graag mijn brieven blijft ontvangen.

Maar dat is wederkerig. Ook ik lees graag jouw brieven. Ik bewonder daarin de kracht van Gods genade, die dwars door onze zondige tegenstribbelingen heen aan ons blijft beitelen om ons door Zijn Geest steeds meer gelijkvormig te maken aan het beeld van Zijn Zoon.

En tot de volwassenheid hoort ook, datje aan anderen denkt. En dus ook datje toestaat dat onze briefwisseling in deze rubriek gepubliceerd wordt. De uitbloei van de liefde bestaat in het steeds meer willen geven en het steeds minder snakken naar het ontvangen.

Het gebeurt niet veel dat dergelijke uitwisselingen van het innerlijke, geestelijke leven gepubliceerd worden. Velen keuren het af als een soort exhibitionisme, een ziekelijke neiging om intimiteiten bloot te geven.

Ik kan het daar niet mee eens zijn. Wanneer het waar is wat de Bijbel zegt - en alles wat de Bijbel zegt is waar! - dat wij met z'n allen één lichaam vormen dat bezield is door één Geest en waarvan de opgestane Heiland het levende Hoofd is, dan betekent dit dat wij ook geestelijke gemeenschap moeten hebben als leden van dat éne heilige lichaam. Anders zou dat woord lichaam' beter vervangen kunnen worden door een zakelijke term zoals: het instituut, de organisatie, de vereniging van Christus.

Maar - Gods Naam zij geprezen - wij mogen levend één zijn met de mensgeworden Zoon van God en daardoor met elkaar een levende tempel van de Heilige Geest vormen.

Vervolg

Alweer een brief. Beantwoorden hoeft niet. Ik zeg dat nadrukkelijk, omdat u nu al verschillende weken mijn brieven niet beantwoord hebt. U hebt er vast geen tijd voor gehad en ik wil u op geen enkele wijze onder druk zetten. Maar ik heb desondanks er behoefte aan om mijn gevoelens op papier te zetten. Het lucht op, maar vooral is het voor mij een voldoening, wanneer ik weet dat een mede-kind Gods meeluistert naar mijn jubelzangen én naar mijn treurliederen.

Ziehier dan mijn klaaglied. De vorige week schreef ik u dat de lijdensgeschiedenis voor mij vaak zo vaag blijft. Ik voel me er dan niet echt bij betrokken.

Ik had dat misschien beter niet kunnen schrijven, want ik heb al vaker gemerkt dat als ik zo iets zwart op wit zet, ik er daarna des te heviger over word aangevallen. Ik heb nl. een Pasen doorgemaakt, duisterder dan ooit. Goede Vrijdag ging voorbij, Paaszaterdag, Christus in het graf werd afgesloten, maar mijn hart was en bleef gesloten, potdicht.

Pasen: de Heere is waarlijk opgestaan! Ik moest spelen in de kerk (ik val de laatste tijd nog al eens in, zo ook nu). Het was een ramp. Jubelend moeten spelen: "De Heere is waarlijk opgestaan!", "Wees gegroet Gij, Eersteling der dagen "; maar van binnen was het één zwarte warboel. Ik had veel liever gespeeld: "Ach, was soll ich Súnder machen. Mein Gewissen klagt mich an ".

Veertien dagen geleden moest ik lijdensliederen spelen; die lagen me veel beter. Nu druiste alles tegen me in. Mijn geweten zei: Je hebt geen grond om op te staan. Je bouwt niet op hét Fundament. Je bouwt al die jaren door op je gevoel, op je veranderde gedachten, interesses enz. en daar ben je op gaan rusten. Je bent als 'sluitstuk'van je 'strijd' aan het Heilig Avondmaal gegaan en nu ben je 'binnen 'en rust je, maar het is valse rust en valse vrede, want je bent nog nooit echt op Golgotha geweest.

Zekerheid? Geloof? Hoop? Ik ben ongelukkig, heb géén vrede in m 'n hart en, nu ja, ik weet het niet meer. En toch is er ergens in mij een vertrouwen dat de Heere mij ook nu weer door dit dal van de schaduwen van de dood heen zal voeren. Ik wacht maar af. Wilt u voor mij bidden?

ANTWOORD

Ja, ik bid voor je en ook ik wacht af in de zekerheid dat Zijn wonderbare licht weldra weer over je wordt uitgegoten en dat je je Geliefde weer zult zien in volle, stralende heerlijkheid.

Onze brieven hebben elkaar gekruist. Ik heb vandaagjouw nieuwe brief en jij hebt vandaag mijn antwoord op je brief van 9 april gekregen. Ik hoop en bid datje door mijn woorden heen iets van de heerlijkheid van de levende Christus zult zien, want alleen Hij is het antwoord op al onze vragen en noden. Maar Hij wil ons, gelovigen, leden van Zijn lichaam, gebruiken om mee te treuren met de wenenden en om mee te juichen met de blijden.

10.000 MOORDEN PER JAAR IN COLOMBIA

Volgens Noticias Aliadas dat in Lima, verschijnt, heeft Colombia een van de hoogste misdaadcijfers van de gehele wereld: 10.000 moorden per jaar.

Maar moord is de voornaamste doodsoorzaak in geheel Latijns Amerika. N.A. maakt deze vergelijking: In West Duitsland gebeurt er één moord per dag, maar in Guatemala 90, in Colombia 80 en in El Salvador 70 moorden per dag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1990

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

ONTMOETINGEN 52

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1990

In de Rechte Straat | 32 Pagina's