In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

IS DE BIJBEL NIET DUIDELIJK GENOEG?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IS DE BIJBEL NIET DUIDELIJK GENOEG?

14 minuten leestijd

Dikwijls horen we van veel mensen deze reaktie: "De Bijbel? Veel te moeilijk. Daar snap ik niets van!"

Neen, de Bijbel is echt niet zo'n moeilijk boek. Het is niet zo dat de Bijbel, om goed te kunnen worden verstaan, eerst door de Kerk moet worden verklaard. En waarom niet? Omdat de Bijbel de 'Openbaring Gods' is, d.w.z. omdat de Bijbel duidelijk in het licht stelt wie God is en wie Jezus Christus is en welke de weg is ter zaligheid. De Bijbel is daarin zo duidelijk dat niemand nog hoeft te dwalen.

Veronderstel dat de Bijbel niet duidelijk zou zijn, en voor wat betreft zijn verstaanbaarheid afhankelijk zou zijn van de verklaring van de kerk, dan wordt toch ten diepste het gezag van de Bijbel aangetast, en worden de gelovigen gebonden aan de beslissende uitspraken van het leergezag van de kerk!

Dit is toch het geval bij Rome. Rome leert dat de Schrift in zichzelf niet duidelijk genoeg is; veel te moeilijk voor de gewone mensen, nl. de 'leken'. Om de Schrift te kunnen verstaan, is kennis nodig van de talen waarin de Schrift oorspronkelijk is geschreven; is kennis nodig van allerlei archeologische en geografische bijzonderheden… en die kennis bezitten alleen de theologen en andere deskundigen in de bijbelwetenschap… Zo redeneert Rome.

Daarenboven verwijst Rome ook nog naar bepaalde Schriftgedeelten waarin de Schrift zelf haar onduidelijkheid zou uitspreken. Enkele van die Schriftgedeelten zijn o.a. deze:

- Luk. 24: aan de Emmaúsgangers en later aan de discipelen gaat Jezus de Schrift verklaren, want, zo zegt Rome, het blijkt toch maar al te duidelijk dat ze er niet zoveel van begrepen hebben!

- Hand. 8:30-31: De kamerling uit Morenland bekent op de vraag van Filippus: 'verstaat gij ook hetgeen gij leest?' eerlijk: 'hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?'

- 2 Petr. 3:16: Petrus zelf moet toegeven dat in de brieven van Paulus 'sommige dingen zwaar zijn om te verstaan'.

Ziezo, leert Rome, de Bijbel is een moeilijk verstaanbaar boek. Daarom heeft de R.-K. Kerk de roeping om de onfeilbare uitlegster te zijn van de Bijbel!

Trente

Rome heeft haar visie op de Bijbel duidelijk vastgelegd op het concilie van Trente gedurende de vierde zitting op 8 april 1546.

Op die dag heeft Rome uitgesproken "dat niemand, steunend op zijn eigen inzicht, in zaken van geloof en zeden, die tot de opbouw van de christelijke leer dienen, de Heilige Schrift naar zijn eigen meningen verwringend, haar mag uitleggen tegen die zin, welke gehouden is en gehouden wordt door onze heilige Moeder de Kerk, aan wie het toekomt te oordelen over de ware zin en uitleg der Heilige Schriften, of ook tegen het eenstemmig gevoelen der kerkvaders, ook wanneer dergelijke uitleggingen nooit te eniger tijd in het licht gegeven zouden worden". (Denz. 786).

Volgens Rome mag dus niemand een andere uitleg geven dan deze die de R.-K. Kerk heeft gegeven en kan er slechts één goede verklaring van de Schrift zijn, nl. die van Rome!

Evenzo staat het verwoord in de Trofessio fidei Tridentina', d.i. de 'Geloofsbelijdenis van Trente' (1564):

"Ik aanvaard de Heilige Schrift overeenkomstig die opvatting die de Heilige Moeder, de kerk, aan wie het toekomt te oordelen over de ware zin en verklaring van de Heilige Schriften, steeds heeft gehuldigd, en nog huldigt, en ik zal die Schrift slecht aanvaarden en verklaren overeenkomstig de unanieme eensgezinde opvatting van de Vaders" (Denz. 995).

Andere kerkelijke uitspraken

Het eerste Vat. Concilie (1870) heeft dit bijna in dezelfde bewoordingen herhaald.

Paus Leo XIII heeft diezelfde gedachte verwoord in zijn encycliek 'Providentissimus Deus'(1893):

"Men kan dan ook niet ontkennen, dat er over de heilige Boeken een zeker heilig duister ligt, zodat niemand dan alleen onder geleide ze vermag te benaderen. God heeft het - zo is het algemeen gevoelen der heilige Vaders - aldus beschikt met de bedoeling, dat de mensen die Boeken met groter verlangen en ijver zouden bestuderen, en de daaruit met veel arbeid opgedane waarheden dieper in geest en hart zouden prenten. Maar vooral heeft God dat gedaan met de bedoeling, dat de mensen zouden begrijpen, dat God de Schriften heeft toevertrouwd aan de Kerk en dat zij dus bij de lezing en verklaring de Kerk als volkomen zekere leidsvrouwe en leermeesteres zouden nemen. Immers, waar de genadegaven des Heren berusten, daat moet men de waarheid gaan leren, en door hen, die de opvolgers zijn der apostelen, worden de Schriften zonder enig gevaar voor dwaling verklaard".

En verder: "Immers, daar zowel de heilige Boeken als de aan de Kerk toevertrouwde leer één en dezelfde God tot oorsprong hebben, is het onmogelijk, dat de verklaring van een tekst uit die Boeken, die op welke wijze dan ook van de leer der Kerk zou afwijken, het resultaat van een juiste Schriftuitlegging zou zijn. Hieruit blijkt, dat iedere verklaring, die ofwel de geïnspireerde schrijvers enigermate met elkaar in tegenspraak zou brengen, ofwel met de leer der Kerk in tegenspraak zou zijn, als onjuist en vals verworpen moet worden".

In diezelfde encycliek Trovidentissimus Deus' benadrukt de paus dat de r.-k. exegeten zich zondermeer hebben te houden aan de r.-k. leer en in hun commentaren rekening dienen te houden met de overige r.-k. Schriftverklaarders. De boeken van de 'anders-denkenden' (lees maar: de 'protestantse' verklaringen) moeten gemeden worden.

"Want al kan de katholieke exegeet bij verstandig gebruik somtijds van de studiën der andersdenkenden nut hebben, toch denke hij eraan, dat, óók volgens talrijke verzekeringen der ouden, het onvertroebeld begrip der heilige Boeken buiten de Kerk volstrekt niet te vinden is en niet geleerd kan worden van mensen, die, als staande buiten het ware geloof, niet doordringen tot het merg der Schriftuur doch alleen maar aan de schors knagen".

In een latere apostolische brief 'Vigilantiae Studiique'van 30 oktober 1902 schrijft diezelfde paus Leo XIII:

"God heeft de Heilige Schrift niet aan het persoonlijk oordeel der geleerden, maar aan het leergezag der Kerk ter verklaring toevertrouwd" en "de juiste zin der Schriften is buiten de Kerk volstrekt niet te vinden en kan niet gegeven worden door degenen, die haar leraarsambt en haar gezag verworpen hebben".

Paus Benediktus XV schrijft in zijn encycliek 'Spiritus Paraclitus' (15 sept. 1920):

"Het ware te wensen dat alle katholieken, luisterend naar de stem van hun Moeder, zich bescheiden houden binnen de traditionele, door de Vaders getrokken en door de Kerk goedbevonden grenzen".

Paus Pius XII wijst in zijn encycliek 'Divino Afflante Spiritu' (30 sept. 1943) de onderzoekers van de Schrift erop dat ze wel moeilijke en onopgeloste vraagstukken onder ogen mogen zien, maar steeds met dit doel: "niet alleen om opwerpingen van de tegenstanders af te weren, maar ook om te trachten er een deugdelijke verklaring voor te vinden, een verklaring, die getrouw overeenkomt met de kerkleer".

Het tweede Vat. Concilie heeft diezelfde gedachte aldus verwoord:

"De Schriftverklaring is uiteindelijk onderworpen aan het oordeel van de Kerk, die de goddelijke opdracht en de bediening vervult om het Woord van God te bewaren en te vertolken" ('Dei Verbum' 1965).

Zo wordt de r.-k. mens gebonden aan het kerkelijk leergezag en totaal afhankelijk van de r.-k. Schriftverklaring! In wezen wordt hij afhankelijk van het r.-k. dogma, want het dogma is bij Rome norm voor Schriftverklaring!

Dat is zo spijtig! De rijkdom van het Evangelie wordt zodoende voor hen ontoegankelijk gemaakt. De heerlijkheid van Christus wordt niet gezien! Het is een bijna duivels opzet, waardoor velen worden verhinderd in te gaan door de poort der zaligheid! Er is zelfs een tijd geweest dat Rome de Bijbel als een verboden boek heeft verklaard voor het gewone volk. Lezing van de Schrift kon alleen worden toegestaan mits toestemming van de kerkelijke overheid. Dit was het geval sinds de Middeleeuwen.

Gelukkig is daar een kentering in gekomen! De mensen worden door het kerkelijk leergezag ertoe aangezet om de Bijbel te lezen, hoewel steeds onder het oplettende oog van Rome.

Een paar uitspraken:

Paus Benediktus XV in de encycliek 'Spiritus Paraclitus':

"Wij zullen niet ophouden al de christenen aan te sporen hun dagelijkse lezing te verrichten voornamelijk van de hoogheilige Evangeliën van onze Heer, alsook van de Handelingen der Apostelen en de Epistelen, zodat zij zich deze volkomen toeëigenen".

Paus Pius XII in de encycliek 'Divino Afflante Spiritus'

"Christus, de Bewerker van ons heil, zullen de mensen des te volkomener kennen, des te vuriger liefhebben, des te getrouwer navolgen, naargelang zij zich vlijtiger zullen beijveren om de Heilige Schrift, bijzonder het Nieuwe Testament, te kennen en te overwegen".

Enkel voor ingewijden?

Vanuit de samenhang van al deze uitspraken kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de Bijbel voor Rome eerder een duister boek is en bijgevolg enkel en alleen door het kerkelijk leergezag op de juiste wijze kan worden verklaard.

Rome is van mening dat alleen de bijbelcommissie en de verlichte kaste van theologen en exegeten aanspraak kunnen maken op de verlichting door de Heilige Geest!

Maar de Schrift leert mij dat deze verlichting niet het privilege is van enkele begenadigden, doch van heel de gemeente van Jezus Christus, want er staat geschreven: "Gij hebt de zalving van de Heilige en gij weet alle dingen" (1 Joh. 2:20).

Enkel vanuit de geloofsgemeenschap met Jezus Christus ontvangen wij de verlichting des Geestes!

Calvijn zegt daarover: "Want daartoe is Jezus Christus van de Vader gezalfd, opdat Hij uit Zijn volheid daarvan op menigerlei wijs en overvloedig in ons zou uitstorten. Hieruit volgt dat de mensen niet recht wijs worden door hun eigen scherpzinnig verstand, maar door de verlichting des Geestes. Daarenboven, dat wij des Geestes niet anders deelachtig worden dan door Christus, die het ware heiligdom is en onze enige priester" (uit: 'Verklaring van de Bijbel' door Calvijn).

De Schrift is duidelijk genoeg, omdat zij het werk is van de Heilige Geest, en omdat de Heilige Geest en Zijn licht niet te scheiden zijn van Zijn Woord!

Nu is het inderdaad zo - niemand zal dit ontkennen - dat er in de Schrift bepaalde uitdrukkingen voorkomen of bepaalde onderwerpen zijn die niet zo direkt te begrijpen zijn, en die ons verstand te boven gaan.

Maar dit kan geen reden zijn om te stellen dat de Schrift niet 'duidelijk' zou zijn.

Maar ze sluit alleen in, dat die waarheid, welker kennis voor ieder ter zaligheid nodig is, niet op elke bladzijde van de Heilige Schrift even klaar, maar toch door heel de Schrift heen in zo eenvoudige en bevattelijke vorm wordt voorgesteld, dat iemand, wien het om de zaligheid zijner ziel te doen is, gemakkelijk door eigen lezen en onderzoek uit de Schrift die waarheid kan leren kenne, zonder hulp en leiding van kerk en priester.

De weg der zaligheid is er, niet wat de zaak maar wat de modus tradendi betreft, klaar in neergelegd voor de heilbegerige lezer". (Bavinck: 'Gereformeerde dogmatiek' I, blz. 447).

Wat leert de Schrift?

Het is zo goed en zo verhelderend om te luisteren naar het zelfgetuigenis van de Schrift.

"Omdat de Schrift ons de openbaring Gods in Christus brengt, kan het niet anders, of zij moet zelf het licht bevatten, zelf het licht doen uitstralen, zelf licht zijn in het geheel en in de delen, en omdat zij dat is, omdat Gods Geest in haar ons de diepten Gods openbaart (1 Kor. 2:10) kan des Heeren kind jubelen: "Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad" (uit: 'Het Profetische Woord' Dr. K. Dijk).

Voor het gehele volk

De duidelijkheid van de Schrift blijkt uit het feit dat God Zijn openbaring heeft gegeven aan het 'gehele' volk en niet aan enkele bevoorrechte personen.

Reeds bij de instelling van het Pascha sprak de Heere:

"Spreekt tot de ganse vergadering van Israël (Ex. 12:3).

Ook zo in Lev. 1:2: "Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen…"

Wanneer later in de velden van Moab de wet des Heeren herhaald wordt voor de nieuwe generatie, die Kanaan zal binnentrekken, zegt Mozes: "Hoor Israël! de inzettingen en rechten, die ik heden voor uw oren spreek, dat gij ze leert en waarneemt om dezelve te doen" (Deut. 5:1; vgl. 29:2; 31:3).

Mozes zingt zijn afscheidslied "voor de oren der ganse gemeente van Israël" (Deut. 31:30).

Hieruit mogen we besluiten dat zulk een bekendmaking aan 'gans Israël' zou uitgesloten zijn, indien de wet, die mede de inhoud van de Schrift vormt, in zichzelf duister was.

Ook de profeten hebben zich niet beperkt tot een klein kringetje, maar hebben gesproken tot het ganse volk Israël.

"Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem en gij mannen van Juda"(Jer. 5:3). "Hoort des Heeren Woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van het huis Israels" (Jer. 2:4).

"Ga en spreek tot het huis Israels" (Ez. 3:1).

"Hoort dit woord, dat de Heere tegen ulieden spreekt, gij kinderen Israels, namelijk tegen het ganse geslacht…" (Amos 3:1).

Jezus Christus getuigt voor de hogepriester Kajafas:

"Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld. Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen, en in het verborgene heb Ik niets gesproken" (Joh. 18:20).

We zien in het N.T. dat Jezus Zich altijd richt tot de scharen, en wanneer Hij onderricht geeft aan Zijn discipelen, dan is het onderwijs niet uitsluitend voor hen alleen bestemd, want Hij beveelt hen uitdrukkelijk: "Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht, en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken".

Ook de apostelen preken en schrijven in dezelfde geest.

Wanneer ze tot de gemeente spreken of aan haar schrijven, richten ze zich niet tot de ouderlingen alleen alsof zij alleen konden verstaan, maar ze richten zich tot 'al de geroepen heiligen'(Rom. 1:7; 1 Kor. 1:2).

Ook staan zij erop dat hun brieven verspreid en voorgelezen worden in andere gemeenten (Col. 4:16). Zoiets zou niet mogelijk zijn, wanneer de Schrift een duister en onverstaanbaar boek zou zijn!

Al de genoemde Schriftplaatsen - er zouden nog vele andere kunnen geciteerd worden - sluiten de donkerheid en onhelderheid van de Schrift niet uit. We lezen ook dat de gelovigen vrij mogen onderzoeken (Jes. 34:16; Joh. 5:39; Hand. 17:11; Joh. 20:31; Rom. 15:4; 2 Tim. 3:16).

O onverstandigen!

Wanneer de Schrift niet goed verstaanbaar zou zijn, dan had de Heere Jezus de Emmaúsgangers en even later ook de discipelen vast en zeker verontschuldigd dat zij in de Schriften de weg van Zijn lijden en heerlijkheid niet hadden ontdekt.

Maar neen, integendeel! Hij vergoeilijkt hun onverstand niet, maar bestraft hen met deze strenge woorden: "O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben" (Luk. 24:25).

Hieruit blijkt toch overduidelijk dat het niet zozeer aan de Schrift lag dat ze Christus niet zagen in de Schriften, maar veeleer aan hun eigen onverstand en traagheid!

Een licht schijnt in een duistere plaats

Wat mij hierbij ook opvalt en voor velen onder ons een bemoediging mag zijn is het feit dat Timotheus van jongsaf is onderwezen in de Schriften door zijn grootmoeder Lois en zijn moeder Eunice (2 Tim. 1:5; 3:15), en niet door Schriftgeleerden of apostelen!

In Hand. 18:26 lezen we dat zelfs een geleerde man als Apollos wordt onderwezen door Aquila en Priscilla, die toch eenvoudige mensen waren!

Ja, de Schrift is voor eenvoudigen verstaanbaar. Eenvoudigen en kinderkens mogen het licht zien.

"En al kennen wij ten dele, en al zien wij door een spiegel in een duistere rede, de weg der zaligheid door Jezus Christus is zo duidelijk in de Schrift voorgesteld, dat iedere heilbegerige lezer, al behoort hij tot de eenvoudigsten en meest ongeletterden, die weg klaar ziet, en waarlijk niet het licht van kerk en wetenschap nodig heeft om de heerlijkheid van zijn Heiland te aanschouwen" (uit: 'Het Profetisch Woord' Dr. K. Dijk).

O zeker, met Petrus moeten we toegeven dat sommige dingen zwaar zijn om te verstaan (2 Petr. 3:16), maar van de Schrift in haar geheel en van het Evangelie der Zaligheid belijdt hij:"Gij doet wel dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats" (2 Petr. 1:19).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1990

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

IS DE BIJBEL NIET DUIDELIJK GENOEG?

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1990

In de Rechte Straat | 32 Pagina's