ONTMOETINGEN 51
Ik ben opgegroeid onder een prediking waarin, naast de beschrijving van het werk van de Heere Jezus, een grote plaats werd ingeruimd voor "de weg die God met Zijn volk houdt". Breedvoerig werd ingegaan op de standen en trappen in het geloof, op het schijngeloof, het nabij komend geloof enz. Jarenlang heb ik dan ook geworsteld met de vraag: Ben ik het eigendom van Christus? Gespannen luister je dan naar de prediking en doorzoekt boeken van bevindelijke schrijvers of je van de kenmerken van het ware geloof die zij tekenen, iets herkent in je eigen leven. Soms is er dan die herkenning en een andere keer kom je tot de konklusie: Ik sta er helemaal buiten, ik heb er geen deel aan.
Dat is een vreselijk leven, een leven vol zorg, pijn, verdriet, waarbij je vaak aan de rand van de wanhoop staat.
Maar eens is het toch gebeurd. Toen vielen de schellen van mijn ogen af. Toen zag ik dat mijn zekerheid nooit kan liggen in een ervaring of bevinding van mij, maar dat ik die zekerheid alleen maar kan vinden buiten mij, in Jezus Christus. Toen werd het mij duidelijk dat ik alles uit handen moet geven en slechts moet zien op het Lam van God dat de zonde der wereld gedragen heeft.
Hij heeft mij toen daarvoor de ogen geopend en ik zag Hem die Zichzelf aan het kruis gegeven heeft en dat was voor mij genoeg.
Een grote vrede daalde over mij neer. Het was alsof de hemel zelf zich over mij spreidde. Alle last viel van mij af. Ik wist het: nu ben ik het eigendom van Christus. Ik ben opgetrokken uit een ruisende kuil en gezet op een rots, op de Rots der eeuwen. In onuitsprekelijke vreugde heb ik deze gave Gods mogen doorleven.
Na enkele maanden in deze wonderbare blijdschap vertoefd te hebben, kwam de satan op mij af om mij te verzoeken, eerst op klompen, toen op schoenen en tenslotte als op vilten pantoffels, sluipend en slijmerig.
Ik kon al die boze influisteringen, die lasteringen enz. nog wel herkennen als komende van de vorst der duisterenis. Maar daarna raakte ik verstrikt in een wirwar van bedenkingen, die mij nog steeds beklemmen en waarvan ik mij niet kan bevrijden. Ziehier wat mij benauwt:
I. Vanuit mijn kerkelijke achtergrond is me geleerd: Als je een dokter ziet, ben je nog niet genezen. Zo ook als je op Jezus ziet, ben je nog niet Zijn eigendom.
Toen ik zelf op Jezus mocht zien, verdween die vraag als sneeuw voor Hem, de Zon van de gerechtigheid.
Maar later kwam die vraag weer naar boven. Want, zo werd er gezegd, het zien op Jezus is niet genoeg tot zaligheid; Jezus moet je geschonken worden. En dat is nog heel wat meer dan alleen maar Hem zien. Dan pas ben je Zijn eigendom en heb je zekerheid.
In de kerk waarin ik ben opgegroeid, kreeg ik als antwoord op mijn noden en angsten slechts te horen: "Houd maar aan, wie weet of het God behaagt het je toch nog eens te geven " en: "God is het niet verplicht".
En in de kerk waarvan ik nu lid ben en waar ik fijne kontakten heb met mede-christenen, weet men helemaal geen raad met mijn vraag, omdat daar niet zo over standen in het genadeleven gesproken wordt.
Soms raakt de vraag een beetje op de achtergrond en vertrouw ik me met gezin, familie en gemeente toe aan de Heere Jezus, aan Zijn werk, aan Zijn voorspraak bij de Vader in de hemel.
II. Maar in gesprekken met ouderen, ook in deze kerk, die al jaren naar de kerk gaan en nog steeds geen zekerheid hebben aangaande hun eeuwig heil, komt die vraag opnieuw in hevige vorm naar voren.
Veel ouderen zeggen: "Er moet heel wat met een mens gebeuren! Nee, nee, zo gemakkelijk gaat het niet. Die jongeren geloven zo makkelijk".
Als je daar dan op ingaat, ontaardt het al gauw tot een twistgesprek, waarbij je de ander niet bereikt en jezelf alleen maar in de put werkt.
Ik kan ook niet met mijn ervaring te koop lopen, want dan lijkt het of ik mijn geloof moet bewijzen. Bovendien kan ik niet altijd recht uit mijn hart zeggen: "Vertrouw op de Heere, Hij wil je leven vernieuwen " want vaak verdrijven de twijfel en de aanvechting de vreugde bij mij.
Omdat uw blad naast het getuigend gesprek met Rome, ook tot doel heeft de opbouw en verdieping van het geloofsleven, heb ik gemeend u deze vragen te mogen voorleggen.
U mag deze brief en uw beantwoording daarvan in IRS overnemen, want er zijn heel veel mensen die met deze vraag van de zekerheid van het heil worstelen en vooral ook veel ouderen. Maar dan moet u alle details weglaten, zodat ik niet herkenbaar ben, want ik wil geen kerken en geen mensen kwetsen.
Tenslotte wil ik u hartelijk danken voor IRS en ik bid u Gods zegen, kracht en wijsheid toe.
ANTWOORD
Om te beginnen met dat laatste, die bede van u om zegen, dat deed mij zo goed. Ik had deze brief eerst vluchtig gelezen, maar toen ik hem overtypte, doorleefde ik alles veel intenser. Ik voelde mij heel innig met u verbonden.
En toen las ik ineens weer aan het slot van uw brief dat biddend toewensen van Gods kracht en wijsheid! Heel hartelijk dank!
Ik meen dat ik voldoende details heb weggelaten. Indien niet, schrijf het gerust. Als u deze brief bv. door uw vrouw laat lezen - wat u ongetwijfeld zult doen - dan zal zij als enigszins buitenstaander trefzeker kunnen aangeven: dit of dat moet er ook nog in geschrapt worden. Nu dan een antwoord op uw vragen:
In de eerste plaats moet u niet onderschatten de waarde van de ernstige prediking an de kerk waarin u bent opgegroeid. In die zin kan ook ik nog dankbaar zijn voor ie prediking van de R.-K. Kerk van mijn jeugd. Toen liet men nog de donder van de toorn Gods over de zonde rollen vanaf de kansels.
Ik sidderde voor de dreiging met de eeuwige straf van de hel. Ik wierp mij daarom met heel mijn wezen op de meest stipte volbrenging van de kleinste geboden Gods, want daarvan verwachtte ik mijn heil. Daarom trad ik ook in een klooster.
De verkondiging van de toorn Gods over de zonde is op zichzelf volkomen bijbels. "Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen" (Rom. 1:18).
Maar onbijbels was de prediking in de kerk van mijn jeugd, omdat daarin het Evangelie van de zaligmaking enkel door genade en geloof in Christus totaal niet werd verkondigd. Het was altijd weer de wet, de wet: je moet dit doen en dat laten.
Totdat ook voor mij het licht opging: "En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens die deze dingen doet, zal daardoor leven. Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (Gal. 3:11-13).
Als in mijn jeugd het laatste oordeel werd geschilderd, kromp ik in elkaar bij de gedachte dat ooit die heilige vinger van de Heere ook naar mij zou wijzen: "Jij? Ga weg, jij, in het eeuwige vuur! Weg uit Mijn ogen! Weg voor altijd! Weg naar de uiterste duisternis, waar geween is en geknars der tanden".
In de kerk van uw jeugd werd wel het ware Evangelie van de zaligmaking door genade en geloof alleen verkondigd, maar als ik u goed begrijp, werd de deur van dat Evangelie slechts op een kiertje opengezet. Er werden allerlei voorwaarden aan de zaligmaking verbonden, waardoor het in feite toch niet was: door de genade van Christus alleen, maar ook door onze werken (van berouw, zondebesef, zelfaanklacht, enz.). Door middel van menselijke redeneringen werd het voorgesteld alsof toch niet waar is wat in Jes. 53 over de lijdende Knecht des Heeren is voorspeld: "Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien (en) verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen" (v. 11).
Als je deze mensen zou moeten geloven, dan zouden het er niet velen zijn die gered worden door deze Knecht des Heeren, maar slechts een handjevol. Als dat zo zou zijn, hoe zou dan de ziel van de Heere Jezus 'verzadigd' kunnen worden door het zien van de vrucht van Zijn verzoenende sterven zoals hier wordt geprofeteerd?
Maar nu de tegenwerping: "Zien is nog geen hebben" en die vergelijking met de dokter.
Volgens mij gaat deze vergelijking niet op. Want de Heere maakt Zelf een andere vergelijking. Hij wijst naar de genezing van de Joden die door de slangen waren gebeten in Num. 21:9. Daar lezen we: "En Mozes maakte een koperen slang en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan en bleef levend".
Deze Joden moesten dus alleen maar naar de slang zien. De slang zien betekende tegelijk genezen worden van de dodelijke beet.
Welnu, de Heere zei tot Nicodemus: "En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwig leven hebbe"(Joh. 3:14,15). En: "En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken" (Joh. 12:32).
Gelovig zien naar Christus aan het kruis, de reddende Slang tegenover de slang van het paradijs die ons de dodelijke beet van de zonde toebracht, betekent dus tegelijkertijd genezen worden van die eeuwig-dodelijke beet en het eeuwige leven ontvangen.
Wie heeft nu gelijk? De mensen die deze zelfbedachte vergelijking maken, of de Heere Jezus, die een heel andere vergelijking trekt?
Zeker, het moet je ook geschonken worden. Maar het is onjuist om een tegenstelling te maken tussen "zien" en "geschonken worden". In Num. 21:9 waarnaar Jezus verwijst, vallen "zien" en "geschonken worden" juist samen.
Natuurlijk begrijp ik deze mensen wel. Zij zijn terecht bezorgd over schijnbekeringen, over hen die aldus redeneren: "Christus heeft gezegd: Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven (Joh. 6:47). Welnu, ik geloof in Hem. Dus heb ik het eeuwige leven".
Tegenover deze mensen zou ik met klem willen poneren: Redeneren is nog geen hebben. Een ander (theologisch) ideetje erop nahouden is nog geen wedergeboorte. Christus heeft niet gezegd: Wie met zijn redeneringen Mij wil bereiken, heeft het eeuwige leven.
Zulke mensen zetten een dergelijke redenering op, om des te geruster te kunnen voortleven in hun gezapige, op het 'ik' gerichte leventje. Voor hen geldt: "Wee de gerusten te Sion en de zekeren op de berg van Samaria!" (Amos 6:1).
Maar wij mogen de ene dwaling niet proberen te weerleggen met een andere dwaling.
Dat geldt ook van die andere bewering: "Er moet heel wat met een mens gebeuren. Nee, nee, zo gemakkelijk gaat het niet. Die jongeren geloven zo makkelijk".
Als men daarmee zich wil keren tegen het boven door mij genoemde oppervlakkige redeneergeloof, dan ben ik het helemaal met hen eens. Maar ik proef er iets anders in en daar kan ik het vanuit de Bijbel niet mee eens zijn.
"Er moet heel wat met een mens gebeuren", zegt men. Waarvoor? Om de genade deelachtig te kunnen worden?
Nee, beslist niet. Dat is juist de verderfelijke leer van het arminianisme.
Wat leert de Bijbel? Er ZAL heel wat gebeuren, wanneer iemand tot geloof komt. Die noodzakelijke verandering, die wedergeboorte, is dus niet een voorwaarde voor, maar een gevolg van Gods werking aan en in ons.
"Nee, nee, zo gemakkelijk gaat het niet" Ik kan het daar onmogelijk mee eens zijn, wanneer men daarmee bedoelt dat de mens zich door veel moeite moet voorbereiden op de genade.
Maar je kunt die zegswijze ook bijbels verstaan. Want wat is geloven? Dat is: niets meer van jezelf verwachten, maar alles van Christus alleen.
En dat is niet gemakkelijk. Dat is van de mens uit zelfs een onmogelijkheid.
Geloven in Christus betekent de dood van je eigen 'ik', een sterven aanjezelf en al je vermeende prestaties, het opgeven van elke poging om je door je vrome en brave en ploeterende leven een beetje aangenaam te maken in Gods ogen.
Dit geloof in Christus is zulk een diepe vernedering, dat gaat zo radikaal in tegen je geestelijke zelfhandhaving, dat een mens daar nooit toe kan komen uit zichzelf. Je moet daarvoor worden als een kind, zegt de Heere Jezus. Al je vermeende diepe inzichten, het hele bevindelijke stelsel dat je voor jezelf en voor anderen had opgebouwd, moet tot puin gestoten worden. Al je zware spreken over de zondigheid van de mens waardoor anderen naar je opzagen, moetje net als Paulus als 'drek' gaan beschouwen.
Nee, neen, het gaat zo gemakkelijk niet, ofschoon het in wezen toch ook weer zeer eenvoudig is: enkel geloven, enkel vertrouwen in Jezus Christus.
Maar juist dat het zo eenvoudig is, stuit ons tegen onze farizeïsche borst. We willen niet door God als een bedelaar behandeld worden, als een volstrekt hulpbehoevende die alleen maar zijn handje en zijn hart moet openhouden.
We willen er iets, zelfs heel veel, voor doen. We willen onszelf laten gelden en niet door God als een nul beschouwd worden, die niets heeft in te brengen dan alleen maar volgeschreven schuldbrieven. Daarom is het echte geloof zo'n diepgaande verandering in een mens, dat de Heere Jezus dat vergelijkt met een wedergeboorte, een opnieuw, maar nu geestelijk, kind worden.
Er zou nog meer over te zeggen zijn, maar ik moet ophouden, anders wordt deze Ontmoeting veel te lang.
Wel nog even dit: juist omdat u en ik zozeer geleden hebben onder een strenge wetsprediking, daarom juist is nu ons verblijden in de genade zo intens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
