VAN DE KERKER NAAR DE KERK
Mijn naam is Mario. Ik ben 21, geboortig uit El Arahal, een dorp in de provincie Sevilla (Spanje).
Ons gezin kwam om in de problemen. Mijn vader wilde niets met ons te maken hebben. Hij kwam alleen maar naar huis om moeder geld te geven voor het levensonderhoud van haar en de kinderen, zes jongens.
Vanwege deze gezinsproblemen werd ik bij mijn moeder weggenomen en verhuisde naar een echtpaar dat geen kinderen kon krijgen. Bij hen voelde ik mij thuis.
Lang heeft dat stukje geluk echter niet geduurd. Toen ik zes was, werden beiden ziek en stierven.
Dat betekende een geestelijke verwonding voor mij, want zij waren de enige echte ouders voor mij. Zij hadden mij met veel liefde omringd. En toen zij begraven werden, ging die liefde voorgoed met hen mee in het graf.
Daarna werd ik overgeplaatst naar het huis van een tante. Mijn ouders bleven dus onbekenden voor mij. Ik hoorde nooit iets over hen. In die tijd, toen ik 8 a 9 jaar was, leerde ik roken en drinken.
Ik ging daar weg, toen ik 12 was, want ik had werk gevonden bij iemand die handelde in oud ijzer. Ik verdiende aldus wat loon en werd dus financieel onafhankelijk. Als ik wat overhield, betaalde ik daarmee de reis naar huis om mijn moeder op te zoeken. Deze handelaar in oud-ijzer was een goede man, maar ik kreeg slechte vrienden en daardoor begon mijn leven als delinquent, die de wetten van het land aan zijn laars lapt.
Er was ook niemand die mij ooit eens op de vingers tikte of vertrouwelijk mij vermaande: "Zeg, waar ben jij toch mee bezig? Zie je dan niet dat dit helemaal de verkeerde kant uitgaat?"
Ik deed gewoon waar ik zin in had. Ik leerde hasjiesj roken en goot vele liters alcohol naar binnen.
Ik kreeg behoefte aan de warmte van het gezin en ging daarom thuis wonen. Maar de problemen waren veel erger geworden. Iedereen lag met iedereen overhoop. Voortdurend was er hevige ruzie.
Vader had moeder volledig in de steek gelaten. Zij, een lichamelijk en geestelijk zwakke vrouw, was niet opgewassen tegen al die zorgen met haar negen kinderen, zeven jongens en twee meisjes. Dat alles groef diepe voren in mijn ziel, die er nooit meer uit konden worden weggeschuurd.
Ik voelde mij volstrekt alleen en door iedereen verlaten. Daarom probeerde ik op eigen houtje mij een weg door het leven te vechten.
Ik stal altijd opnieuw. Ik kreeg daar niet genoeg van, want ik wilde veel geld hebben.
Toen ik zestien was, zat de politie mij voortdurend op de hielen, maar ik was hen telkens te slim af. Ze konden mij niet te pakken krijgen. Het was een gevaarlijk spel, waarmee ik mij echter heel erg amuseerde.
Zo was ik vastgelopen in de zonde en niemand zou mij uit de modder kunnen trekken dan de Heere alleen. En Hij heeft dat vanuit Zijn onbegrijpelijke genade gedaan.
Toen ik zeventien was, kwam ik voor het eerst in de gevangenis terecht, omdat ik met de politie gevochten had. Ik kreeg veertien dagen, genoeg om er veel kwaads te leren. De zonde ging steeds meer mijn leven vullen.
In de gevangenis kregen we bezoek van een predikant. Hij gaf mij een Nieuwe Testament. Maar ik gebruikte het papier voor sigaretten en drugs.
Na mijn ontslag uit de gevangenis ging ik naar een R.-K. Kerk en stal er een komplete Bijbel. Ik begon erin te lezen en ofschoon de tijd van de Heere nog niet gekomen was en ik doorging met mijn zondig leven, deed het mij toch goed. Ik heb die Bijbel nog steeds in mijn bezit, vanzelfsprekend na hem achteraf betaald te hebben.
Maar het leven thuis werd ondragelijk. Ik ging er weg, ik was toen achttien. Ik trok heen en weer en voorzag in mijn levensbehoeften door te stelen.
Ofschoon de rechters van alles met mij probeerden, slaagden ze er niet in mij te veranderen. Dat is te begrijpen, want zij kunnen niet in het hart van een mens doordringen. Dat kan God alleen.
De politie pakte mij opnieuw, toen ik een mes gestolen had. Ik kreeg slechts twee maanden, omdat ik een jongere leeftijd had opgegeven.
Maar in die twee maanden heb ik het kwaad op allerlei wijze geleerd. Ik wist hoe ik een inbraak moest plegen en de mensen van alles afhandig kon maken en tegelijk hoe ik de politie om de tuin kon leiden.
In de gevangenis had ik mensen leren kennen, die iemand koelbloedig vermoord hadden, die zich schuldig hadden gemaakt aan vervalsingen. Er waren allerlei soort dieven. Er waren ook handelaars in drugs. Die drugshandel werd in de gevangenis voortgezet en was vaak oorzaak van vechtpartijen.
Na deze straf te hebben uitgezeten, ging ik in een verlaten huis 'wonen'. Ik leefde daar met een meisje. Zij was haar thuis in Madrid ontvlucht.
We leefden lange tijd samen. Ik beschermde haar en met het geld dat ik stal, zorgde ik voor ons beider levensonderhoud. Zij had geen blanco strafregister en was twee maanden in de gevangenis geweest. Ze is van mij weggegaan en ik weet niet waarom. Ik heb nooit meer iets van haar gehoord.
Daarna woonde ik samen met een prostituée. We gingen samen op rooftocht. Ook zij verdween en ik kreeg geen levensteken meer van haar.
Dat was dan in vogelvlucht iets uit mijn leven als delinquent. Maar de Heere begon Zijn plannen met mij te verwezenlijken.
Een meisje dat ik kende, had een protestantse dame (mevr. Velilla) ontmoet. Zij had met dat meisje gesproken over Christus. Zodoende was zij de samenkomsten in het huis van de Velilla's gaan bijwonen.
De Heere gaf het aan dat meisje in het hart om de Velilla's te spreken over mij. Zij gaven haar voedsel voor mij. En eens nodigden zij mij via haar uit om ook naar de samenkomsten in hun huis te komen om er te horen spreken over het Evangelie.
Ik nam die uitnodiging aan, maar met de bedoeling om ze te bestelen, als ik er de kans voor zou krijgen.
Dat waren mijn bedoelingen. Maar de Heere had andere plannen, waarvan ik niet wist.
Na de samenkomst vertelde ik hen iets over mijn leven. Zij spraken toen met mij over Christus en gaven mij een Nieuwe Testament.
Ik begon erin te lezen en de woorden van Christus begonnen mijn lege hart te vullen.
Ik begon mijzelf te zien zoals ik was tegenover de heilige God. Ik begreep dat ik een zondaar was, terecht veroordeeld tot de eeuwige dood.
Maar God liet mij ook Zijn Zoon zien, die voor mijn zonden aan het kruis had betaald. De wet zei: "Je bent een zondaar, betaal je schuld!", maar ik had niets waarmee ik mijn schuld tegenover God zou kunnen vereffenen. Maar het Evangelie zei tegen mij: "Christus heeft voor je betaald".
Zo heb ik Christus leren kennen, die mij bevrijd heeft van mijn zonden en mij rechtvaardig gemaakt heeft voor God. Hij deed mij wedergeboren worden door Zijn Heilige Geest. Voortaan was ik een kind van God. Christus heeft met Zijn liefde bezit van mij genomen en mij innerlijk omgevormd. Zijn Naam zij geprezen voor altijd!
Hij heeft mij zoveel geschonken. Hij gaf mij de Velilla's als een vader en moeder.
Na deze ommekeer moest ik echter nog straf uitzitten voor delikten, die ik vroeger bedreven had.
Ik ging de gevangenis binnen met als belangrijkste schat, de Bijbel. Mijn vroegere mede-gevangenen waren stomverbaasd. Ze konden maar niet begrijpen boe ik zo grondig veranderd was.
Ook de mannen van de politie konden hun ogen niet geloven. Ik getuigde ook tegenover hen van de God, die ook nu nog wonderen kan en wil doen.
Nu mag ik behoren tot het wereldwijde gezin van de Heere. De Heere heeft Zijn plannen met mij doorgezet, ook al had ik zelf lang weerstand geboden. En nu mag ik weten dat niets en niemand mij ooit uit Zijn handen kan rukken.
Hij heeft mij uitverkoren van vóór de grondlegging der wereld, opdat ik heilig en onbesmet zou zijn door het bloed van Christus. Dat bloed heeft mij reingewassen van al mijn zonden. Daardoor heb ik deel gekregen aan het eeuwige leven, aan de erfenis die Hij bewaard houdt voor hen die Hem liefhebben en die geloven in Hem als hun enige Zaligmaker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
