OCH, DAT GIJ DE HEMELEN SCHEURDET…
Jes. 64:1
Ons volk is geestelijk moe en mat en daarenboven ook nog zat van vele woorden en mooi verpakte kreten. Een geestelijke donkerheid heeft zich vastgezet in menig mensenhart!
"Zonder Christus, geen hoop hebbende en onder God in de wereld", zo spreekt de Bijbel over de mens die meent aan zichzelf genoeg te hebben en eigengekozen wegen gaat. Zo leeft de massa binnen de R.-K. Kerk! Is het niet om te schreien? Of zijn we zelf ook reeds zo mat en moe geworden dat het ons allemaal niet veel meer doet? Zijn we niet al te vlug tevreden met wat uiterlijke vormendienst? Kennen we dat evangelisch enthousiasme van de eerste gemeenten om het Evangelie van genade te verkondigen aan hen die de Verlosser niet kennen?
Een rechtgeaard kind van God zou bedroefd moeten zijn over de geestelijke lauwheid en onverschilligheid onder ons volk.
Of huilen we alleen nog maar wanneer persoonlijke tegenslagen ons treffen? Zoals Jona treurde om zijn wonderboom, maar het hem geen zier kon schelen of al die mensen in Ninevé nu verloren gingen of niet! Wat meer is, hij had er helemaal geen zin in om hun bekering ten behoud te prediken!
Paulus kon spreken over een grote droefheid en een gedurige smart omwille van het ongeloof van zijn broeders.
Wanneer ik dit bedenk, dan schaam ik me zo en een gebed kan ik niet meer inhouden: 'O Heere geef toch iets van die bewogenheid van Jezus Christus, maak ons hart brandend voor u, en dat in ons spreken en getuigen de gloed en de heerlijkheid van Uw liefde mag gevonden worden. Laat ons hart volstromen met de kracht van Uw Heilige Geest. Geef ons dorst naar U en honger naar Uw Woord, zodat ons leven een brief van Christus zijn mag, bekend en gelezen door alle mensen. Och, dat Gij de hemelen scheurdet…'
Wat is het tegelijk ook een vertroostende en gezegende arbeid om de mensen te mogen wijzen op de 'oude paden' en op de 'goede weg' van geloof in het zaligmakende Evangelie van Jezus Christus! De éne weg ter zaligheid! Want alleen op die weg 'zult ge rust vinden voor uw zielen'!
Och ja, de meesten hebben gedacht en gezegd: 'Wij zullen daarin niet wandelen', en zonder enige schaamte heeft men het Woord van genade afgewezen! En men beseft niet dat men zichzelf verderft! De Heere zegt het zo tot Israël: "Het heeft u bedorven, O Israël, want in Mij is uw hulp" (Hos. 13:9).
O dat de Heere het toch geve dat men Hem zal aanroepen met de bede: "Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil" (Ps. 44:27).
Bij Niemand Anders!
"Bij niemand anders is de redding te vinden", zo staat het geschreven in de R.-K. Willibrordvertaling (Hand. 4:12).
Hoe pijnlijk diep heeft mij de onwetendheid getroffen van onze r.-k. mensen wat betreft de kennis van de Schriften en dientengevolge ook wat de kennis des heils betreft.
"Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet" (Jes. 1:3).
Mijn volk verstaat niet. Wat een aangrijpende klacht uit 's Heeren mond! Het doet hartzeer. En je kunt er toch niet onverschillig onder blijven wanneer je hoort, huis na huis, dat men weinig of niets afweet van het Evangelie en geen raad weet met de gekruisigde Christus!
Mijn volk verstaat niet! Och, hoe zouden ze kunnen verstaan, wanneer zondag op zondag een menselijk aanlokkelijk evangelie wordt gepredikt, en het enige nodige wordt verzwegen.
Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis! Onheilspellend is de toestand van ons volk. O, ik weet wel, dat velen zullen zeggen: 'Je moet ook niet overdrijven; je moet het niet zo zwart inzien. Doe uw werk en voor de rest trek het u niet te veel aan'. Maar ik wil er niet meer naar luisteren, naar al die goedkope en sussende troostliedjes!
Mijn volk verstaat niet! Daar worstel ik zo mee. Zonder Jezus Christus gaat mijn volk voor eeuwig verloren!
Kerk van Rome, wat hebt u toch gedaan?! Wat bezielt u dat u weigert te horen naar de stem des Heeren? Ik heb de indruk dat de hele Bijbel u weinig interesseert, als aan tiw leer en traditie maar niet wordt geraakt! U hebt de mensen gebonden aan uw traditie, als aan een onfeilbare geloofsschat, dat de rechte geloofsregel is geworden voor de leden van uw kerk.
U hebt de mensen de ware geloofsschat ontnomen, nl. de Bijbel, het levende en zaligmakende Woord van God.
Meer zelfs, u hebt bij zeer velen een aversie gekweekt tegen de Bijbel. U hebt de Bijbel weggehaald uit het levenspatroon van de r.-k. mens. Daardoor hebt gij 'goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden'(Hos. 10:13). Ja, uw vele helden staan, gekapt en gebeiteld, te pronken op uw parken en pleinen, en u bent meer bezorgd om de luister van uw helden dan om de eer van de Heilige God!
'Gij zijt van Mij afgeweken; Gij hebt er velen doen struikelen in de wet' (Mal. 2:8). Met vroom geknoei hebt u de Bijbel geplaatst onder de kleurrijke stolp van uw 'heilig' leergezag.
Zo hebt u miljoenen levens geestelijk gebroken en ten dele verwoest. Schadelijk en verderfelijk is het wat u leert!
Hoor naar het Woord des Heeren: "Keert weder tot Mij en Ik zal tot u wederkeren" (Mal. 3:7).
Bij niemand anders is de redding te vinden!
Maria alomtegenwoordig
Ja, zeer terecht moeten wij vaststellen dat de r.-k. invloed in Essen en op de meeste andere plaatsen heeft geleid tot een godsdienstige ongeïnteresseerdheid; bij velen zelfs tot een verharding des harten. Hooghartig werd het reddende Woord Gods afgewezen.
Ik kan iets begrijpen van wat Paulus schrijft in de brief aan de Romeinen:
"Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? Maar naar uw hardigheid en onbekeerlijk hart vergadert gij uzelven toorn als een schat in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods" (Rom. 2:4-5).
Hoe ernstig is dit woord! Waar de rijkdom van Gods goedertierenheid wordt veracht, daar zal men God gaan dienen op zijn eigen manier, d.w.z. op de wijze der heidenen! Beelden worden op een voetstuk geplaatst. Mensen gaan bij heiligen zoeken wat uitsluitend de Heere God kan geven. Hun hele verwachting is allereerst van Maria. Meermaals hebben we moeten aanhoren: "Maar meneer, we hebben altijd geleerd dat we door Maria tot Jezus moeten. Waarom zou ik het nu nog anders gaan doen? We houden ons maar bij het oude. We voelen er ons goed bij".
Elk huis heeft zijn beeld van Maria: in een nis, op de schouw, boven het bed. Zij is alomtegenwoordig. Zij is de beschermvrouwe van wieg tot graf. Bij de geboorte wordt het kleine kindje aan Maria toegewijd en op het graf prijkt haar beeld. In de bidkapel van de kerk in Essen-centrum staat boven op het altaar een beeld van Maria.
Velen komen hier een kaars aansteken en bidden er het volgende door de R.-K. Kerk voorgeschreven gebed:
Moeder Maria,
Ik ontsteek bij u deze kaars.
Moge ze LICHT zijn
opdat gij mij verlicht
in mijn moeilijkheden en bij mijn beslissingen.
Moge ze VUUR zijn
opdat gij verbrandt
alle hebzucht, hoogmoed en onreinheid.
Moge ze VLAM zijn
opdat gij mijn hart verwarmt
en me leert lief te hebben./p Moeder Maria,
door het aansteken van deze kaars
wil ik wat van mezelf geven.
Help me mijn gebed te verlengen
in het werk van deze dag. Amen
Zo'n gebed is puur heidens. Door middel van een kaars tracht men de aandacht van Maria te trekken op zijn levensproblemen. Van haar wordt hulp en redding verwacht. De brandende kaars wordt veelal beschouwd als een verlenging van het gebed. Zolang de kaars brandt, zal Maria genadig neerzien op degene die de kaars heeft doen branden. Zo leeft het bij de doorsnee r.-k. mens.
Wat meer is, de kaars is in zijn liturgische oorsprong een teken van vorstelijke waardigheid. Immers, naar het oude romeinse recht genoten sommige waardigheidsbekleders het voorrecht van met kaarslicht begeleid te worden. Onder de Antonijnen werd het recht op de lichtkaars een bijzondere onderscheiding voor de keizer!
Het was dus een eerbewijs aan de romeinse keizer.
Zo wordt in wezen een vorstelijke hulde gebracht aan Maria!
Hierdoor wordt Gods eer en hoogheid aangetast.
Het is niet Maria, die ons kan verlichten, maar Jezus Christus, die van Zichzelf zegt: "Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben" (Joh. 8:12).
Het is ook niet Maria die de hebzucht, de hoogmoed en de onreinheid in ons kan wegbranden, maar volgens de Bijbel is dit het werk van de Heilige Geest.
Het is niet Maria die ons leert lief te hebben, maar Jezus Christus, die in Joh. 15:9 zegt: "Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde".
Stilletjes hopend…
Aan de ingang van het kerkhof in Essen-Wildert is een copie gebouwd van de Lourdes-grot. Tegen de muur van deze grot hangt het 'VOLLE-AFLAAT'bord.
Zo meent men menig zieltje uit het vagevuur te kunnen verlossen. Velen komen hier aan deze grot een volle aflaat verdienen. (voor uitgebreider informatie over deze praktijk, kunt u terecht in de brochures 'Wat Rome leert aan de Bijbel getoetst' en 'Het Vagevuur' van de hand van T. Vanhuysse. HJH).
Zo hoopt men stilletjes nog iets te kunnen doen ten gunste van de overledenen. O trieste hoop!
Zo zag ik een man staan aan het graf van zijn vrouw, wenend en biddend, stilletjes hopend op… ja op wat? Hij had zo weinig hoop! Dat kon je zien op zijn betraand gezicht en aan de manier waarop hij het bloemetje neergooide. Ik moest denken aan de woorden uit Ps. 33: "Zie, des Heeren oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen, om hun ziel van de dood te redden" (v. 18, 19 a).
Zou zijn vrouw op Zijn goedertierenheid hebben gehoopt…?
Zou die man iets weten van Gods goedertierenheid en van de zaligheid in Jezus Christus? Waarom dan nog een aflaat komen verdienen? Zelfs op het kerkhof worden onze mensen nog bedrogen! Ook hier wordt hen het zicht op Christus' Kruis onthouden. Niemand kan de schuld van een ander helpen betalen. "Ons heil hangt niet af van onze verdienste of van onze ijver, maar van Gods barmhartigheid', zei Luther. De Bijbel verkondigt de 'onverdiende'vergeving der zonde (Rom. 3:24, Titus 3:5).
Vrijmoedig sprekende in de Heere
O wat is het een hemelse zegen, om, door alle moeite en weerstand heen, te mogen wijzen op Jezus Christus, de Hoop der heerlijkheid. Ons volk moet het horen en moet het weten dat alléén in Hem hoop en zaligheid gevonden wordt. Niet en nooit in onze gerechtigheid die wij, trotse mensen, zelf menen te kunnen opbrengen om zodoende de toorn Gods tot bedaren te kunnen brengen.
Genade alléén is voor de zondige mens de enige hoop op redding! "Hij heeft ons zalig gemaakt, niet uit werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes; Dewelke Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus onze Zaligmaker" (Titus 3:5).
Over dit rijke Evangelie mochten we praten met Melanieke, in haar kleine huisje aan de 'Hemelrijkweg'. Melanieke is 74 jaar, en kan wegens haar wankele gezondheidstoestand niet meer naar de kerk. Wekelijks komt de pastoor bij haar thuis met de 'communie'. Maar in al haar godsdienstigheid kende zij toch Jezus Christus niet als Zaligmaker. Zij wist zelfs niet dat er een hemel en een hel was. Stel je voor! Straks of morgen zal ze voor God verschijnen! Wij voelden in ons een heilige drang om haar te vertellen van Jezus Christus en Zijn onuitsprekelijke heerlijkheid, van Zijn volkomen verzoeningswerk. We mochten naast haar neerknielen en de Heere God bidden om vergeving van zonde om Christus' wil. O de Heere mag haar genadig zijn!
Even verder in de wijk mochten we een Bijbel overhandigen aan een man, die oprecht zoekende was. Hij verlangde ernaar om in Gods Woord te mogen lezen en om door het Woord te worden onderwezen. Ook de brochure 'Wil je eeuwig leven' van Ds. Hegger aanvaardde hij dankbaar. We mochten ook hém wijzen op de Ene Weg, Jezus Christus! O bidden we toch dat de Heere God door Zijn Geest ook deze man en zijn gezin honger geve naar het Woord en dat dit Woord met zijn ernstige en indringende roepstem tot bekering, hun harten naar het Kruis toewende.
Het is toch Zijn vaste belofte?! Zo staat het geschreven:
"Zie de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des Heeren" (Amos 8:11).
Ik zal u aannemen, één uit een stad…
Ja, zo mochten we, de ene dag al wat vrijmoediger dan de andere, met velen spreken over Jezus Christus en Zijn zaligmakend werk.
Zo mochten we ook van Hem getuigen op de 'Getuigenisavond', waar wij (Ds. Hegger en ik) met een intense blijdschap en dankbaarheid mochten spreken van het wonder van Gods genade en liefde in Jezus Christus!
We hebben die avond de Heere gedankt dat Hij toch iemand uit Essen naar het zaaltje in de Rijksschool had geleid. Die ene persoon was de huishoudster van de pastoor, die - zo vertelde ons 's anderendaags de pastoor zelf - niet uit nieuwsgierigheid, maar uit ware belangstelling was komen luisteren en met veel lof over die avond had gesproken. Ik moest denken aan het woord uit Jer. 3:14: "Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion". O, dat de Heere haar bekere en dat zij Jezus Christus mag kennen en liefhebben als haar zaligmakende Borg!
Ook aan de pastoor mochten we enkele brochures en een paar boeken overhandigen. Hij nam ze dankbaar aan.
"God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu alle mensen alom dat zij zich bekeren" (Hand. 17:30).
Deze boodschap moet blijvend verkondigd worden in Essen!
Zou de Heere ook daar niet de Zijnen willen verzamelen?
Ook al is Essen een volk zonder God, vol van afgoderij en occulte praktijken. Toen Paulus te Athene kwam 'werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zo zeer afgodisch was' (Hand. 17:16).
Stel het je even voor: Paulus te Athene, de stad van Socrates, van Phidias en Sophocles; de moederstad der beschaving, de stad van tempels en kapellen ter ere van de Griekse godenwereld.
Paulus zag een stad vol afgoden en zijn geest ontbrandde in een diepe verontwaardiging. Hij werd er echter niet moedeloos onder, neen. Calvijn zegt:
"Wanneer Lukas zegt dat zijn geest in hem ontstoken was, geeft hij daarmede niet alleen te kennen dat Paulus eenvoudig verontwaardigd was, noch dat hij zich alleenlijk aan zodanig schouwspel ergerde; maar hij drukt er mede uit de ongewone hitte van zijn vrome en heilige toorn, die zijn ijver scherpte, zodat hij zich te vuriger tot zijn werk aangordde. Daarmede heeft Paulus betuigd, dat niets hem dierbaarder was dan de ere Gods".
De ijver voor Gods huis liet hem niet met rust. De nood was Paulus op het hart gelegd: "Wee mij indien ik het Evangelie niet verkondig (1 Kor. 9:16). En Paulus, ook al botste hij met de Epicureïsche en Stoïcijnse wijsgeren, gaat met een ongekende ijver en wijsheid de Gekruisigde en Opgestane Heere verkondigen!
En wat was de reactie van het volk? Verbijsterend! Sommigen spotten, anderen schenen enigszins getroffen te zijn, hoewel uit hun reactie blijkt dat ze zich verhard hadden. Ik kan me voorstellen dat Paulus op het moment, toen hij de stenen trappen van de Areopagus afdaalt, bedroefd zal geweest zijn. Maar Paulus wist ook dat hij een gezant was van Godswege en dat het Woord, in Zijn Naam gesproken, nooit ledig wederkeert. De uitkomst van zijn werk stelt hij in Gods hand, en hij is verzekerd, dat het Woord, op de Areopagus gesproken, zal blijken te zijn een kracht Gods tot zaligheid.
En het wonder geschiedt: sommige mannen hingen hem aan en zij geloofden!
Rustend in dat Woord mogen ook wij geloven: De Heer verzamelt in Essen de Zijnen tot een volk, dat zich zal beroemen in Zijn heilige Naam.
Ik heb veel volk in deze stad
Mogen wij ons deze belofte soms niet toeëigenen? Hoe vertroostend en versterkend moeten deze woorden voor Paulus geweest zijn:
'Ik heb veel volk in deze stad'(Hand. 18:10).
Het zijn woorden lichtend van goddelijke majesteit.
Zoals de troon des satans nog rechtop stond in Korinthe, zo staat hij nog rechtop in Essen. Maar de Heere HEEFT hier Zijn volk, onder een volk zonder God! Daarom moeten we voortgaan met verkondigen en opeisen wat rechtens de Heere toebehoort!
O Heere geef het. Och, dat Gij de hemelen scheurdet en licht doet nederdalen in menig mensenhart…
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
