Brief aan de Heer Derksen
5. U hebt met uw miljoenen het mogelijk gemaakt dat twee miljard mensen (volgens Bazuin) via de sateliet-tv konden zien, hoe de paus het beeld van Maria bewierookte, ervoor neerknielde en tot dat beeld sprak. De paus bracht toen hulde aan Maria als de Regina Coeli, de Koningin des Hemels.
U als naprater wat de paus zegt, beweert dat het aanroepen van de Koningin des Hemels de beste manier is om veel gunsten te verkrijgen.
Dat beweerden de Joden ook tegenover Jeremia. "Wij luisteren niet naar wat u ons in naam van Jahweh hebt gezegd. Wij houden ons aan onze beloften: we brengen reukoffers en plengoffer aan de koningin van de hemel zoals wij vroeger deden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, wij en onze voorvaderen, onze koningen en edelen. Toen hadden wij eten in overvloed; het ging ons goed en rampen kenden we niet. Maar sinds wij daarmee opgehouden zijn, hebben wij aan alles gebrek" (Jer. 44:16-18 RKV).
Ook zij beriepen zich, tegen de Schrift in, op de traditie zoals ook u doet. En ook u beweert, net zoals zij, dat als het ons goed gaat en als wij het eeuwige leven ontvangen, dat enkel gebeurt vanwege de almachtige voorspraak van de Koningin des Hemels.
Zo onteert u Christus alsof Hij minder liefde voor ons zou hebben en minder bereid zou zijn ons te helpen dan Maria. Zo schuift u de door Christus aangewezen Helper die na Zijn hemelvaart Zijn plaats op aarde zou innemen, opzij en stelt uw verwachtingen op een mens, op Maria en vereert haar in haar beeld als de Moeder van de mensheid. En dat, terwijl Christus na Zijn openbare optreden Maria, de gezegende onder de vrouwen, nooit meer heeft aangesproken met de naam 'moeder', maar slechts met 'vrouw'.
Waarom gaat u aldus lijnrecht in tegen het voorbeeld van Christus tegenover zijn eigen lijfelijke moeder?
Ik weet het: ook hierin vertrouwt u meer op uw eigen redeneringen dan op het voorbeeld van Christus zoals we dat in de Schrift vinden.
6. Omdat Israël zo hardnekkig vasthield aan die verering van de Koningin des Hemels, zei de Heere tot Jeremia: "Bid niet meer voor dit volk, blijf niet jammeren en smeken, dring niet langer aan: Ik verhoor u toch niet. Ziet ge soms niet wat er in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gebeurt? De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken te bakken voor de koningin des hemels" (Jer. 7:16-18 RKV).
Zo kan ook ik niet bidden voor de bekering van de paus. Hij is al zoveel jaren verslaafd aan de uitbundige toejuiching van de miljoenen in de landen die hij bezoekt. Hij kan dat niet meer opgeven.
Zo heb ik ook geen gebed voor u. U hebt uzelf immers verblind. U hebt met uw redeneringen van de paus een god gemaakt aan wie u een absolute macht toeschrijft, en vervolgens knielt u voor dat door uzelf met behulp van vele redeneringen gemaakte beeld neer. Ook u wilt u daar niet van aflaten brengen door het meest duidelijke Woord van God. U doet niets liever dan die door uzelf gevormde beelden, de paus en Maria, koesteren.
Toch is God genadig en barmhartig voor iedereen, die door Hem nog niet gestraft is met de verharding zoals dat met de farao is gebeurd.
Ik hoop daarom dat anderen wèl een gebed voor u van de Heere krijgen, een gebed opdat u zich moge bekeren van deze weg, waarop u zovele anderen meesleept naar de eeuwige dood.
Wat zou ik mij verblijden, wanneer de Heere uw, door uzelf blindgemaakte ogen zou openen, zodat u zoudt zien dat wij in Christus Jezus alles hebben.
7. Misschien reageert u woedend: "Maar ik heb zoveel goede werken gedaan! Ik heb dan toch maar mijn miljoenen zo maar weggegeven. Heeft men ooit gehoord dat iemand anders dat ook deed? Bijna iedereen die zulke rijkdommen verwierf, besteedde ze daarna om er zelf (op zondige wijze) van te genieten. Ik mag er toch zeker van zijn dat de Heere dat bij mij in rekening zal brengen ten goede. Mijn creditzijde in het Boek des levens overtreft verre mijn debetzijde. Mijn levensbalans geeft een groot batig saldo aan verdiensten te zien".
Exact op dezelfde manier redeneerde ook Paulus. Hij zei van zichzelf: "In wettische heiligheid volmaakt" (Fil. 2:6 RKV). Maar wat gebeurde er, toen hij Christus leerde kennen in de volheid van Zijn genade? Dit:
"Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heere Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsgegeven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem, niet met mijn eigen gerechtigheid op grond van de wet, maar met de gerechtigheid die verkregen wordt door het geloof in Christus, de gerechtigheid die van God komt en steunt op het geloof" (vers 7-9 RKV).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
