LUTHER … mens tussen God en duivel
Dat is de titel van een boek van dr. H.A. Oberman (uitg. Kok-Kampen, 356 blz. f 59,90). Zeer boeiend, met een verrassende, originele belichting van de persoon Luther. Het begint met een beschrijving van de boven-persoonlijke betekenis van het sterven van Luther. We citeren:
'Vereerde vader, wilt U in het geloof in Christus sterven en blijft U trouw aan de leer die U in zijn naam hebt verkondigd?' Ja, klinkt het voor de laatste keer met heldere stem. Toen Maarten Luther in de nacht van 18 februari 1546 ver van huis in Eisleben op sterven lag, moest hij zelfs tijdens dit bij uitstek individuele en persoonlijke gebeuren uit een mensenleven nog eenmaal in het openbaar optreden. In aanwezigheid van haastig opgeroepen getuigen schudt Justus Jonas, die al vele jaren een zeer goede vriend van hem is en nu als predikant in Halle werkt, hem aan zijn arm om zijn geest wakker te schudden voor een laatste krachtsinspanning. Luther had altijd God gebeden om een 'mooi laatste uur'. Dat betekende voor hem dat hij hoopte op zijn sterfbed in vertrouwen op de Heer over leven en dood weerstand te kunnen bieden aan de laatste en bitterste vijand, de satan.
Maar op dit moment gaat het om veel meer dan zijn eigen lot en staat er meer op het spel dan de vraag of hij in vrede met God afscheid zal nemen van de wereld. Immers, sinds de eerste strijd om het voortbestaan van het Christendom, dat wil zeggen gedurende de geloofsvervolgingen door het oude Rome, maar ook nog altijd in de periode van de late Middeleeuwen wordt een rustige en waardige houding van de stervende gezien als het zichtbare teken van de echte kinderen van God, van de overtuigde aanhangers en martelaren. Het sterfbed in de herberg van Eisleben is een schouwspel geworden - om het bed van Luther staan niet alleen zijn vrienden, zijn tegenstanders luisteren vol spanning mee.
Reeds in 1529 had zijn eerste 'biograaf', Johannes Cochleús, de gehate Luther in alle openheid zowel in het latijn als in het duits afgebeeld als de zevenkoppige draak, het hels gebroed van de duivel. Spotschriften hadden herhaaldelijk gewag gemaakt van zijn ellendig en vertwijfeld sterven en van zijn dood in godverlatenheid. Nu werd dat einde dan werkelijkheid, waarvoor zijn vrienden bevreesd waren en waarnaar zijn vijanden verlangend hadden uitgezien. Wie zal het zijn die zijn eigendom opeist en tot zich roept, God of de duivel? (Pag. 13)
God is geen idee
Helaas is Hij dat wel, ook voor veel orthodoxe christenen. Wanneer je hun artikelen of boeken leest, dan mis je daarin vaak de huiver voor de reële grootheid van de levende God.
Christendom zonder bevinding is een ideologie, naast zovele andere ideologieën. Soms krijg ik de indruk dat christenen die overigens geloven in de Bijbel van kaft tot kaftje staan aan te gapen, wanneer je heel gewoon spreekt over Christus die leeft in en onder ons.
Voor zulke christenen is ook de duivel geen realiteit. In hun (amateur)theologie zijn het alleen de skeletten, de begrippen over God en Christus, die vechten met het skelet, het idee dat ze zich van de duivel hebben gevormd.
Maar de Bijbel spreekt over een bloedheet gevecht van de Macht van het Licht tegen de machten der duisternis en ons hart is een plek, waar die strijd wordt uitgestreden. Oberman schrijft daarover:
De laatste zin in de Rúckblick van Luther kan daarom niet genegeerd worden zonder een deel van zijn geloof te verdonkeremanen. De duivel is daar actief waar het evangelie verkondigd wordt en effect blijkt te hebben - dat is hem eigen: 'juist nu', meer dan ooit tevoren! Het past niet meer in de moderne tijd om bang te zijn voor de duivel, want aantrekkelijke ideologieën hebben het geloof in de duivel uitgebannen. Maar daarmee ging ook het begrip voor de eenheid van de mens verloren. Het is de hele mens die in zijn geloof leeft met een reële Christus, niet slechts een hoofd die een of ander Christusidee creëert. De duivel is de theologen gaarne behulpzaam, wanneer zij de naijverige, strijdende, toornende en liefhebbende God van Israël filosofisch met een verfje opfleuren en verheffen tot een 'almachtig Wezen'.
De vervluchtiging van God tot een indrukwekkend idee behoort voor Luther tot de verschrikkelijkste onheilsdaden van de duivel, die weliswaar geen doctor in de theologie is, maar toch, filosofisch terdege onderlegd en zeer ervaren, zijn ambacht al bijna zesduizend jaar uitoefent. Met het oog op de ideeën van de duivel verbleekt elke verbazing over de kleine overwinningen van God in de tijd voorafgaande aan het eindgericht. Tegen de duivel helpt geen rechtspraak en ook geen argumenten, alleen Christus zelf. De wijsheid van de satan vind haar einde dankzij de zin: 'De rechtvaardige zal uit geloof leven' - d.w.z. niet het geloof in een idee, maar in een God, die onder het teken van het kruis strijd voert om de wereld die de duivel hem afhandig wil maken. Zijn macht is niet grenzeloos, maar is veeleer beperkt tot een bepaalde tijd. Tot de jongste dag omvat ze echter wel de gehele wereld. (Pag. 157)
Leid ons niet in verzoeking
Over deze bede van het Onze Vader geeft Luther deze verklaring:
De verzoeking moet ons bewaren voor een vals gevoel van zelfvertrouwen. Daarom moeten wij Christenen er tegen gewapend zijn en ons dagelijks bewust zijn dat we voortdurend aangevochten worden. Niemand mag zo zelfverzekerd en onachtzaam leven als zou de duivel ver weg zijn van ons, maar wij moeten voortdurend bedacht zijn op zijn streken en ze pareren. Want ook al ben ik op het moment kuis, geduldig en vriendelijk en leef in een vast geloof, de duivel kan mij op hetzelfde moment een dergelijke pijl in het hart schieten, dat ik nauwelijks op de been blijf. Hij is een vijand die nooit verslapt of moe wordt. Wanneer één aanvechting ophoudt, komen er steeds weer andere en nieuwe voor in de plaats. Daarom is er geen andere raad en troost dan hierheen te lopen om het Onze Vader te nemen en met heel zijn hart met God te spreken: 'Lieve Vader, U hebt mij geleerd te bidden; laat mij niet door de verzoekingen terugvallen in zonde, schande en ongeloof'. (Pag. 176)
De subtiele listen van de duivel
Als resultaat van de ervaringen die Luther als gevolg van zijn aanvechtingen opdeed, moet gewezen worden op een ontzettende escalatie. De duivel zelf treedt naar voren en neemt geen genoegen met eenvoudige 'verleidingen' - in dat kader gebruikt Luther een saksisch woord dat met 'bekoringen' weergegeven kan worden. De duivel zet aan tot twijfel over de vraag of iemand uitverkoren is en verleidt vervolgens degene die twijfelt om te willen doordringen in de verborgen wil van God ten einde te ontdekken of hij werkelijk tot diegenen behoort die God voor altijd verworpen heeft. Deze ontraadseling moet mislukken en leidt uit teleurstelling tot angst, tot godslastering en haat van God en uiteindelijk tot twijfel aan het bestaan van God zelf. De duivel zou het liefst alle Christenen tot aan de rand van de openbaring dringen, ze in verzoeking brengen een blik te werpen in het wezen van God en ze uiteindelijk daarin te laten vallen waarin hij zelf gevallen is: in het niets. Met deze handelwijze onthult de duivel zijn diepst verlangen: hij is 'niet alleen een leugenaar, maar ook een moordenaar'. (Pag. 179)
Dat God zich tot 'mij' gewend heeft, kan 'ik' aflezen aan Christus, die voor 'mij' gestorven is en 'in mij' leeft. (Pag. 182)
Tegenover de 'vreemde' gerechtigheid van Christus beroept de duivel zich op Mozes en zijn Tien geboden', kweekt gewetensnood, eist goede werken en drijft onophoudelijk het geweten er toe aan de toorn van God te stillen. (Pag. 185)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 november 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
