EINDELIJK VRIJ
Mijn naam is Loli. Ik ben 24 jaar en ben geboren in Alora, een dorp in de provincie Malaga. Daar kende iedereen iedereen. Allen waren in naam rooms-katholiek, maar slechts weinigen deden er iets aan en er was veel bijgeloof.
Ik was een min of meer normaal meisje. Bij ons thuis waren ze niet godsdienstig. Ons gezin behoorde tot de midden-klasse van de maatschappij.
Wij wisten iets van het Evangelie, omdat een oom en tante protestant waren. Wij vonden hen heel sympathiek, maar ze waren voor ons ook een rariteit, vreemd en toch ook wel interessant, omdat ze tot een andere godsdienst behoorden.
We schepten er op school wel eens over op: "Ph… Wij hebben een oom en een tante, die protestant zijn en jullie niet. En onze neven en nichten zijn niet gedoopt!"
Eens werd mijn tante ziek en moest geopereerd worden. Ze vroegen of mijn zus hen zou kunnen en willen opzoeken in Frankrijk, waar zij woonden, om er te helpen in de huishouding.
Enige tijd daarna kregen we een brief van deze zus, waarin ze schreef dat ze de Heere had leren kennen. Wij dachten dat ze gek was geworden, dat ze een hersenspoeling had ondergaan en dat het dus beter zou zijn geweest, als ze maar niet naar Frankrijk was gegaan.
Toen ze terug kwam, vertelde ze ons over de Bijbel en over Christus, en ging elke zondag naar een protestantse kerkdienst in Malaga. We dachten: ze heeft het zwaar te pakken. Ze is een beetje getikt.
Mijn leven verliep volgens het gewone patroon. Ik had mijn werk in Alora, ik had er mijn vrienden en kennissen, en mijn verloofde. We bezochten geregeld de discotheek. We hadden onze uitjes en fuifjes; alles zoals dat pleegt te gebeuren in zulk een Spaans dorp.
Mijn enig idee was: straks te trouwen, kinderen te krijgen enz. … zoals voor de meeste stervelingen is weggelegd.
Het gepraat van mijn zus had toch enige uitwerking. Mijn ouders vonden het goed dat er elke zaterdag in ons huis evangelisatiesamenkomsten werden gehouden. Dan kwam er een evangelist van Malaga, hield een preek en sprak met ons.
Wat betreft mijn houding daartegenover: in ons huis waren er twee ingangen. We hadden een vóór- en een achterdeur. Wanneer mijn verloofde en ik de evangelist zagen binnenkomen door de voordeur, glipten wij, als we dat konden, zo snel mogelijk door de achterdeur naar buiten. Zo knepen we er tussen uit, want we vonden het maar wat zwaar gepraat.
Toch ging ik af en toe met mijn zus naar de kerkdiensten in Malaga, want ik hield wel van de blije sfeer die er heerste. Ik vond de jongelui er open en hartelijk onder elkaar.
Wel moest ik het dan voor lief nemen dat ze mij vertelden over de Heere. Ze zeiden: "Jij bent verloren. Je hebt een Zaligmaker nodig, Jezus Christus. Je moet je bekeren tot Hem".
Ik begreep daar echter niet veel van. Mijn konklusie was: Het Evangelie is misschien wel heel mooi, maar het is niets voor mij. Wel had ik een Bijbel en af en toe, wanneer ik mij verveelde, las ik erin.
Ik vond de godsdienst van mijn zus méér waar, méér echt, dan de roomskatholieke, want zij baseerden zich op de Bijbel en beleden wat ze beleefden. En wanneer iemand zich laatdunkend over hen uitliet, verdedigde ik hen.
Vier jaren waren intussen voorbijgegaan sinds mijn zus tot bekering was gekomen. In feite was ook ik alles gaan geloven wat de Bijbel zegt, ook al begreep ik er nog niet veel van.
Maar ik had één groot probleem, en dat was mijn verloofde. Ik geloofde weinig, maar hij geloofde helemaal niet. Hij moest niets hebben van het Evangelie en geloofde ook niet in het bestaan van God. Hij was atheïst.
Ik wist het: als ik ooit getrokken zou worden door de Heere, zou ik een keuze moeten maken tussen hem en Christus.
We kenden elkaar al zeven jaar. Een breuk met hem zou erg pijnlijk voor mij zijn. Ik dacht: nee, dat kan ik niet: hem opofferen voor Christus, want ik hield van hem.
Op een zondag ging ik met mijn zus naar Málaga, nadat we met elkaar wat ruzie hadden gehad. Het werd een bijzondere dag voor mij.
Ik zag zoveel liefde onder die gemeenteleden. Ik wilde graag worden zoals zij. Ik wilde ook Christus volgen. Ik had veel moeite met mijn tranen. Ze vroegen mij: "Loli, wat is er toch met jou". Ik antwoordde: "Ik weet het niet, ik weet het niet".
Toen ik 's nachts in Alora terugkwam, zei ik mijn verloofde dat ik de Heere wilde volgen en opnieuw geboren wilde worden.
En die nacht gebeurde dat wonder. De Heere kwam bij mij binnen en veranderde mij radikaal. Ik werd een nieuw schepsel, een nieuw maaksel van Zijn handen.
De volgende dag stond ik op en ging naar het werk zoals altijd. Maar alles was anders geworden. Ik voelde mij heel gelukkig. De mensen leken mij anders, de zon scheen met veel meer glans dan ooit te voren.
Ik ging nog wel om met mijn verloofde, maar ik had geen zin meer in fuifjes. Altijd las ik in de Bijbel.
Mijn verloofde kwam bij ons thuis en als hij zag dat ik in de Bijbel las, pakte hij die van mij af.
Hij zei dat hij dat vrome gedoe van mij zat was. Ik getuigde tegenover hem en vertelde hem het weinige dat ik van het Evangelie wist, maar volgens hem was dat allemaal leugen en bedrog.
Hij: "Je zult moeten kiezen tussen 'dat'en mij". Ik: "Als ik moet kiezen, dan kies ik voor de Heere en wil ik Hem volgen, koste wat het kost".
Nii weet ik dat ik de Heere heb gekozen, omdat Hij mij eerst gekozen had (Joh, 15:16).
De Heere vroeg mij het liefste dat ik bezat, Hij vroeg mij hem van wie ik het meeste hield en met wie ik van plan was te trouwen.
Dat was niet gemakkelijk. Er is een woord van de Heere dat mij erg geholpen heeft: "Maar zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (Mat. 6:33).
Als de Heere mij niet de kracht had gegeven, zou ik het nooit hebben kunnen volbrengen. Maar Hij had alles op Zijn wonderbare wijze voorbereid. Hij heeft mij er doorheen geholpen met Zijn liefdevolle tederheid. En nú mag ik weten: Ik ben gered, voor eeuwig behouden door het bloed van Gods Zoon!
Ik heb nog heel wat problemen moeten overwinnen, maar de Heere was altijd bij mij. Hij heeft mij overladen met Zijn zegeningen.
Nadat mijn verloofde en ik uit elkaar waren gegaan, zei mijn zus dat er in Malaga een artsen-echtpaar was, nl. de familie Luis Velilla, die een meisje nodig hadden als hulp in de huishouding. Ik ben door hen aangenomen en verliet dus Alora.
Dr. en mevr. Velilla zijn als mijn tweede vader en moeder geworden. Zij hebben geleden en gebeden met mij. Vaak hebben ze mij opgebeurd. Ze hebben mij opgevangen in hun liefde. Ja, de Heere is wonderbaar!
Wat moet ik nog meer vertellen? In Alora sloeg dit bericht van mijn ommekeer in als een bom. Ze noemden mij "de non" en men beweerde dat ik omgeturnd was. Later, toen ik de Bijbel las, kwam ik deze prachtige verzen tegen, waarmee ik wil eindigen:
"Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen. Want Hij zal volbrengen wat over mij bescheiden is; en dergelijke dingen zijner vele bij Hem" (Job 23:13, 14).
"Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Ja, gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen" (Fil. 3:7, 8).
ANTWOORD
Ik heb je daar vaker op gewezen en het is goed om het altijd weer te herhalen, wat het Avondmaalsformulier zo vol vertroosting zegt:
"Want wij komen niet tot dit Avondmaal om daarmee te betuigen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn; maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken …"
Als ik net zoals jij mijn ziel zou uitpluizen om te zoeken naar tekenen van leven in mij, dan zou ik nooit enige geloofszekerheid hebben van mijn zaligheid. Want met Paulus moet ik helaas belijden dat er in mij, d.i. in mijn 'vlees', geen goed woont (Rom. 7:14, 18).
Daarom volg ik het advies van het Avondmaalsformulier, en dat is de raad van de Bijbel: ik zoek mijn zaligheid uitsluitend buiten mij, in Christus. In Hem vind ik alles. Als ik naar Hem kijk, dan ben ik zeker, NIET van mijzelf, maar zeker van HEM, van Gods liefde zoals die zichtbaar wordt in het Woord dat vlees is geworden.
Als ik naar mezelf kijk, is er altijd weer de aanklacht, de ontevredenheid, de triestheid over mijn altijd weer falen. Maar zie ik naar Christus, dan veer ik innerlijk op. Dan zeg ik vol dankbaarheid: "Heere God, wat bent U groot in Uw barmhartige liefde. Ik roem U doordat ik mijn vertrouwen uitspreek in Uw vergeving, altijd weer opnieuw. Ik roem in het bloed van Uw Zoon dat de kracht heeft om al mijn schulden steeds opnieuw weg te wissen, zodat er niets meer van overblijft".
Dat is een kwestie van oefening. Je moet proberen langzamerhand je eraan te wennen om, wanneer je geweten je aanklaagt (en die aanklacht zal tot het einde van je leven blijven), meteen buiten jezelf te treden en naar Christus te zien, om dan, tegen de druk van je geweten in, Hem groot te maken door je vertrouwen in Zijn verzoenende sterven uit te spreken.
Johannes schrijft: "God heeft ons het eeuwige leven gegeven; en dit leven is in Zijn Zoon" (1 Joh. 5:11). 'In Zijn Zoon" … dus niet in onszelf. In onszelf vinden we alleen maar de zonde, en dus de dood. Maar in Christus vinden we het leven, het eeuwige leven. Zoek het leven dus altijd weer daar waar het te vinden is: in Christus alleen. "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter(hand) Gods" (Kol. 3:1).
Het is waar dat ook na de wedergeboorte in mij d.i. in mijn vlees geen goed woont, maar in mijn geest woont dan de Algoede, Christus. Maar HOE woont Hij daar. Paulus schrijft:
"Opdat Hij (de Vader van onze Heere Jezus Christus) u geve, naar de rijkdom Zijner heerlijkheid, met Zijn kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten wone" (Ef. 3:16, 17).
"Door het geloof …" woont Christus dus in onze harten. Maar dat geloof wordt
voortdurend aangevochten. Daarom schrijft Calvijn terecht als kommentaar op Rom. 4:16 ("Daarom is zij (de belofte) uit het geloof, opdat zij naar genade zij"):
"Hieruit kan men ook gemakkelijk begrijpen dat met het woord 'genade'hier niet bedoeld is de gave van de wedergeboorte zoals sommigen menen. Genade betekent hier 'onverdiende gunst'. Want de wedergeboorte is nooit volkomen. Daarom biedt de wedergeboorte in zichzelf niet voldoende rust aan de zielen om erop te rusten en het is niet de wedergeboorte die de belofte zeker maakt".
Calvijn schrijft eveneens bij Rom. 4:19: "Het hart is nooit zo verlicht dat er niet steeds ook veel onwetendheid in huist en het is nooit zo bevestigd dat er niet veel twijfel in blijft. Daarom hebben de gelovigen voortdurend te strijden tegen deze vleselijke gebreken, dus tegen de onwetendheid en de twijfel. Vaak zullen ze zware slagen moeten incasseren, wanneer ze deze geloofsstrijd voeren en gewond worden, maar tenslotte zullen ze de overwinning behalen, zodat van hen gezegd kan worden dat ze zelfs in zwakheid zeer sterk zijn ".
Maar hoezeer dus ook de aanvechting en de twijfel ons geloofsleven hier op aarde zal vergezellen, nooit mag deze aanvechting en deze twijfel tot kenmerk, en nog minder tot ideaal kenmerk, van het geloof verheven worden.
Dat doet ook Paulus niet, die heel goed weet dat ook Abraham te kampen heeft gehad met ongeloof.
Twee keer heeft Abraham gebruik gemaakt van een leugentje om bestwil, doordat hij het voorstelde alsof Sara niet zijn vrouw, maar slechts zijn zuster was: Gen. 12:13-20 en hoofdstuk 20. Abraham was toen bang, dat ze hem zouden doden, omdat ze Sara tot vrouw wilden nemen.
Hij had helemaal niet bang hoeven te zijn. God had immers beloofd dat hij een zoon van Sara zou krijgen. En zelfs al zouden ze hem doden, dan nog had Abraham door het geloof moeten weten dat God hem desnoods uit de doden zou opwekken om Zijn belofte gestand te doen.
Paulus spreekt echter niet over deze zwakke momenten van ongeloof, maar uitsluitend over het grote geloof van Abraham.
Calvijn vermaant ons dan ook bij Rom. 4:21: "Daarom moet het geloof niet letten op onze eigen zwakheid, ellende en gebrek, maar het moet zich beijveren steeds weer te zien op de unieke kracht en op de mogelijkheden die er in God zijn. Want indien het geloof steunde op eigen rechtvaardigheid of waardigheid, zou het geloof er nooit toe komen om te zien op die kracht Gods".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
