MAAR NU … !
Het is moeilijk om de wonderen te verhalen die God in ons leven gedaan heeft en die Hij nog altijd verricht. We beschikken niet over voldoende woorden om weer te geven de leiding van God, die erop uitliep dat wij kinderen Gods werden. Maar ziehier dan een poging daartoe.
"Maar nú is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet … namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus" (Rom. 3:21, 22).
Ik ben geboren in Huesca en in september hoop ik 37 te worden. Ik groeide op in een normaal gezin. Ik kan terugzien op een blije jeugd zonder slechte herinneringen.
Als goede Spaanse werd ik natuurlijk gedoopt in de R.-K. Kerk vrij spoedig na mijn geboorte. Als kind van zeven jaar deed ik mijn eerste communie (voor protestanten: nam ik voor het eerst deel aan het Avondmaal) in een school van nonnen, die ik vanaf mijn vierde jaar had bezocht. Toen ik acht was, verhuisden wij naar Madrid.
Opnieuw bezocht ik daar een school van nonnen, fervente vereerders van Maria. Wij vierden de 'sabatinas' (= de bijzondere toewijding van de zaterdag aan Maria). In mei, de maand van de bloemen, kreeg Maria bijzondere aandacht. Elke dag baden we de rozenkrans. Eén keer per jaar hadden we een retraite, een tijd van veel preken en overdenking. Het was de bedoeling dat we aan het slot daarvan een 'generale' biecht zouden spreken waarin we aan de priester alle zonden moesten belijden die we het afgelopen jaar bedreven hadden. Ik vond het knap moeilijk om dat hele jaar na te pluizen om te zien wat ik allemaal verkeerd had gedaan.
U ziet, ik kreeg een rooms-katholieke opvoeding geheel volgens de regels.
Ik moet zeggen dat al die devote praktijken en godsdienstige oefeningen af en toe een 'mystiek' gevoel in mij opriepen, vooral als ze gepaard gingen met veel plechtigheid zoals wierook, zang en muziek. Maar die vrome gevoelens verdwenen ook weer gauw.
Ik las graag de verhalen over hen die het martelaarschap om wille van hun geloof hadden aanvaard. Ik trachtte mij in te denken wat ik zou hebben gedaan in zo'n geval. Zou ik mijn geloof afzweren of zou ik me door de leeuwen laten opeten?
Het antwoord op die vraag hing af van mijn gemoedsgesteldheid. Soms zei ik: "Ik zal Christus nooit verloochenen!", maar gewoonlijk hield ik het hierop: "Per slot van zaken, als ik Christus zou verloochenen, zou ik een klein leugentje begaan waarvoor God zeker alle begrip zou hebben, zodat de leeuwen niets te eten zouden krijgen".
Zo werd ik ouder. Ik had geen bijzondere godsdienstige problemen of twijfels van welke aard ook. Ik vond mezelf braaf: "ik roofde niet, ik stal niet, ik doodde niet enz." Zeker, ik bedreef mijn zondetjes, maar wie is zonder zonden? Ik was heel tevreden over mijzelf, ik beschouwde mij als deugdzaam en heel goed, want ik deed zelfs aan liefdadigheid. Toen ik 17 was leerde ik mijn man kennen. Hij dacht graag na over de eeuwige dingen, over God, het leven, de zin van ons bestaan enz. Het zou dus te begrijpen zijn, als hij mij had meegenomen op zijn speurtochten door het rijk van de geest, maar hij slaagde daar niet in.
Toen we getrouwd waren, zag ik hem vaak filosofische boeken lezen en dan vertelde hij mij daar wat van, maar mijn 'intelligente' antwoord was steeds: "Wat een onzin! En over zo'n dwaasheid schrijven ze een heel boek vol!"
Tijdens mijn studies aan de universiteit moest ik ook als bijvak lessen in de filosofie volgen. U kunt begrijpen dat mijn leraar mij een biet, een ui of iets dergelijks noemde. Ik was inderdaad een vrouw, die weinig gevoel had voor het diepzinnige, een gewone eenvoudige vrouw.
Wanneer ik de slagen van het leven kreeg te verduren, nam ik echter steeds mijn toevlucht tot God.
Ik beëindigde met goed gevolg mijn studies in de medicijnen. We kregen drie kinderen. Ik zette mijn praktijk als dokter stop om mij aan de kinderen te geven. We waren intussen naar Malaga verhuisd en ik was al wat ouder geworden.
In januari 1986 ging ik naar Madrid om er een cursus in acupunctuur te volgen. In een gesprek met mijn zus kwam ik voor het eerst voor bepaalde vragen te staan waarop ik geen antwoord wist te geven: "Waarom wil ik zo vaak het goede doen en het kwade laten bv. me niet kwaad maken op anderen - en slaag ik daar niet in? Het verwonderde mij dat ik dat maar niet kon verklaren.
Intussen was mijn man tot geloof en wedergeboorte gekomen. Hij praatte over dingen waar ik niets van begreep. Ik dacht: "Al weer een nieuwe filosofie?"
Maar ik voelde: dit is iets anders. Zijn blik was anders geworden, ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. Als je van iemand houdt en lang met iemand getrouwd bent, bemerk je dingen die aan een ander voorbijgaan. Hoe was nu zijn manier van kijken? Zijn ogen straalden vrede uit, een diepe rust.
Hij sprak met mij heel lief en fijn, maar desondanks voelde ik voor het eerst in mijn leven dat er een afgrond gaapte tussen hem en mij. Ik begreep niet wat er was voorgevallen en ik werd er bang van.
Mijn enig commentaar was: "Zeg, je gaat toch niet protestant worden?"
Een andere keer stelde hij voor om onze kinderen mee te nemen naar een school, die 'zondagsschool' werd genoemd.
Ik werd er kwaad om en weigerde het ronduit. Ik gaf als reden: omdat ik bij het Doopsel beloofd heb ze in het katholieke geloof op te voeden. Bovendien bereidde onze oudste dochter zich voor op de eerste communie, die weldra zou plaats hebben. Deze redeneringen waren toen wel wat vreemd, want ik ging al lang 's zondags niet meer naar de mis. Ik had om dat verzuim goed te praten allerlei uitvluchten verzonnen o.a. dat de kinderen er onrustig door werden.
Ik moet ook bekennen dat ik soms naar kaartleggers ging. Ik had de 'astrale kaart', de horoscoop, van mijn kinderen gevraagd en bovendien hadden wij in ons huis ook gespeeld met het ouijabord (een waarzeggerijspelletje). Ook rookte ik als een ketter, twee pakjes per dag; ik had er last van en wist dat het medisch onverantwoord was, vooral als ik in verwachting was, maar ik kon het niet nalaten.
Mijn man kende die gehechtheden van mij aan al deze dingen. Hij hield daar helemaal niet van. Hij nam mij een keer mee naar een samenkomst waar gesproken werd over "Astrologie en de Bijbel. Maar het deed mij niets.
Weer later vroeg hij mij of ik eens een protestantse kerkdienst wilde meemaken. Ik ging met hem mee, gewoon uit nieuwsgierigheid. Wat erg vreemd op mij overkwam, was meteen al het lokaal. Er waren geen beelden en op de witte muren waren alleen maar Bijbelteksten geschreven.
Maar wat mij ook opviel, was de liefde van de mensen onder elkaar. Er heerste een sfeer van warmte en belangstelling voor elkaar. Ik had zoiets nog nooit meegemaakt, maar ik vond het wel prettig.
De dienst begon met het zingen van een lied. Wat een prachtige inhoud! Iemand besteeg het preekgestoelte en begon te spreken. Ik weet niet meer waarover hij sprak.
En weer drong het tot mij door hoe vreemd alles voor mij was. Ik voelde: Ik hoor hier niet thuis. Ik ben niet een van hen. Waarom niet?
Toen de dienst afgelopen was, vroeg iemand mij - later hoorde ik dat het een ouderling was - hoe ik het gevonden had. Ik zei tegen mezelf: "Nu begint de hersenspoeling! Nu proberen ze me om te turnen". Geprikkeld antwoordde ik dat ik het wel aardig had gevonden, maar dat Christus overal dezelfde is en dat iedere weg goed is.
Zijn hersenspoeling bestond daarin dat hij zei: over enige tijd zul je moeten vaststellen dat er slechts één weg naar God is".
Eens nam mijn man mij mee naar een jeugdsamenkomst. Ik had veel zin om zo hard mogelijk weg te lopen. Er was zoveel liefde dat ik er bijna misselijk van werd. Ik begreep totaal niet de reden van die ongedwongen hartelijkheid onder elkaar. Op een keer nodigde ik de verpleegster die met mijn man samenwerkte en die hem over het Evangelie had verteld, én haar man uit voor het eten.
Na de maaltijd ontwikkelde zich een gesprek tussen ons en, ik weet niet meer hoe, kwam de vraag naar voren: "Wat denk je datje bent en waar je naar toe gaat in dit leven?
Ik had mijn antwoord meteen klaar: "Ik weet niet wie ik ben en waar ik naar toe ga".
Paco, de man van de verpleegster, zei "O voor mij is dat heel duidelijk. Je bent een slavin van de duivel en je bent op weg naar de hel".
Ik zei niets. Toen nam hij de Bijbel en las mij enkele teksten voor, waarin bevestigd werd wat hij zojuist had gezegd.
Ik weet niet waarom, maar ik geloofde meteen wat hij had gezegd en ik begreep: Ik moet onder de heerschappij van de duivel vandaan zien te komen. Hoe kan ik de satan kwijt raken? Je moet opnieuw geboren worden, zeiden ze tegen mij. Heel mooi, maar hoe? Wat moet ik daarvoor doen? Ik wil de Heere toebehoren, niet de duivel.
"Je moet berouw hebben over je zonden, erkennen datje een zondares bent".
Maar waar praten die mensen over? Dat ik berouw moet hebben? Waarover? Ik ben toch immers een goed mens, ik steel niet, ik dood niemand, mijn leuze is: leven en laten leven. Waar moet ik dan berouw over hebben?
Een grote angst overviel mij, ik wilde koste wat het kost uit de duisternis en de klauwen van de duivel vandaan, want dat ik in de greep van de duivel zat, betwijfelde ik geen moment.
Ik kreeg een vreselijke honger naar de Bijbel. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik bij het lezen van het Nieuwe Testament de indruk dat alles wat daarin gezegd werd, gericht was tot mij. Ik begon nu ook te begrijpen waarom ik er maar niet in slaagde om het goede te doen dat ik wilde en het kwade dat ik niet wilde, wèl deed.
Ik kon niet meer met lezen ophouden. Ik kookte met de Bijbel in de hand. Ik ging de straat op en las in het Nieuwe Testament.
Soms schreide ik bitter. Ik moet opnieuw geboren worden, ik moet berouw krijgen over mijn zonde. Dat dreunde telkens in mijn hoofd. Maar hoe en waarover? Ik kon nauwelijks eten. In één week viel ik twee kilo af.
Mijn man en Paco en zijn vrouw Margarita vertelden over de Bijbel en nu begon ik sommige dingen heel goed te begrijpen. Maar mijn vreselijke angst bleef aanhouden.
Ik dacht dat ik dood zou gaan. Zo zou ik het niet kunnen volhouden. Ik sloot me op en riep tot God met alle krachten die in mij waren, en tegelijk met al mijn zwakheid en met mijn hele hart.
Ik beleed voor de Heere mijn onmacht en zei tot Hem: "Heere, doe mij wedergeboren worden, anders sterf ik".
En wat toen gebeurde laat zich niet beschrijven. Vrede legde zich op mij neer, vrede trok door mij heen, vrede, steeds meer vrede. Ik kwam volledig tot rust. De angsten verdwenen. Ik wist nu dat ik wedergeboren was, dat de Heere in mij leefde, dat Hij mij liefhad, dat de satan geen macht meer over mij had, dat ik nu niet meer de slavin was van hem, maar de dienstmaagd van de Heere, de vrijgekochte door Zijn bloed, Zijn eigendom.
Dat alles had zich in enkele minuten voltrokken. Ik ging uit de kamer waar ik vanuit mijn angsten tot de Heere geroepen had, maar nu terwijl ik Hem prees en dankte om Zijn barmhartigheid.
Vanaf dat moment veranderde mijn leven geheel en al. Ik liet niet meer toe dat mijn dochter nog langer de lessen volgde ter voorbereiding op het ontvangen van de eerste communie. En merkwaardig genoeg, zij begreep meteen wat er gebeurd was en getuigde ervan op school. En nu belijdt ook zij dat zij de Heere toebehoort en zo ook mijn tweede dochter.
Vroeger was de TV voor mij onontbeerlijk, maar nu kon ik het apparaat niet meer zien; niet alleen omdat het me niet meer trok, maar ook omdat het mij pijn deed al die zonde te zien op de beeldbuis.
Ik begon als een dwaze overal en aan iedereen over het Evangelie te vertellen, aan mijn vrienden en kennissen, aan mijn familieleden, in de winkel, in het bankgebouw.
Ook mijn moeder die 67 jaar is, is tot geloof gekomen, en dat terwijl ze vanaf haar jeugd praktizerend rooms-katholiek was geweest.
Op zekere avond las ik het verhaal van de rijke jongeman tot wie de Heere heeft gezegd: Ga heen, verkoop wat je bezit en kom en volg Mij.
Ik ging nadenken over wat mij misschien verhinderde om dichter tot de Heere te naderen. Toen viel mijn oog op het doosje sigaretten op de tafel. En ik zei tegen de Heere: Ik ga ophouden met roken. Maar een stem in mij zei: Morgen ga je weer roken zoals je altijd hebt gedaan, want je hebt je al vaak, maar vergeefs voorgenomen om niet meer te roken.
Hoe groot was mijn verwondering, toen ik de volgende dag de sigaretten weer op tafel zag liggen en er helemaal geen zin meer in had. Vanaf die dag heb ik nooit meer gerookt. Het is duidelijk dat de Heere dat in mij gewerkt heeft. Hij wilde mij ook daarvan vrij maken. En ik was dankbaar dat ik aan allen die mij van vroeger kenden en wisten van mijn verslaafdheid aan de sigaretten, kon getuigen van de macht van de Heere die mensenlevens verandert.
Ook ons huis veranderde. Vroeger waren mijn man en ik het liefst samen. We hielden er niet van dat mensen bij ons over de vloer kwamen. Maar vanaf die tijd was ons huis vol met gelovigen en ongelovigen.
De Heere heeft ons een leven gegeven dat vervuld is van Hem en van Zijn Woord. Hij heeft ons geleid naar mensen en naar plaatsen zoals wij nooit gedacht hadden.
Om het tot slot nog eens kort samen te vatten: de Heere heeft mij uit de duisternis getrokken en door Zijn oneindige barmhartigheid geplaatst in het Koninkrijk van Zijn licht. Hij heeft aan mij die door mijn zonde de eeuwige dood had verdiend, het eeuwige leven geschonken. Hem zij alle eer!Mei 1989
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1989
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
