In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ONTMOKTINGEN 34

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTMOKTINGEN 34

10 minuten leestijd

Soms bedroeft uw reaktie mij een beetje. Dan lijkt het net of u steeds de kracht wegneemt, die God wil dat wij bezitten in en door Hem. Dan geeft u de indruk dat nederigheid en krachtig-zijn-in-Hem niet samen kunnen gaan.

Maar… er is toch immers ook een nederigheid, die niet Gode welbehagelijk is en die ook geen enkele aantrekkingskracht heeft voor de buitenwereld.

Openbaring staat vol van: "Wie overwint …" Het gaat erom bij de overwinnaars te behoren en dus een overwinnaarsleven te leiden. Alleen voor de overwinnaars zijn allerlei bijzondere beloften weggelegd.

En God geeft kracht om overwinnaar te zijn, maar men moet het ook willen zijn. Veel bid ik of ik steeds onder alle omstandigheden een stralende getuige van Hem mag zijn, niet alleen een getuige, maar een stralende getuige, een ster die fonkelt in een duistere, verdorven wereld.

Alleen sterren vallen op. Wij, christenen, moeten opvallen. Ik bedoel dat zo: er moet aantrekkingskracht van ons uitgaan, iets sprankelends, iets krachtigs, maar ook iets liefdevols en vredigs.

Er is eigenlijk doorlopend een groot verlangen in mijn hart een levende getuige te zijn van Koning Jezus. "Dies vertelt men in het land / al de wonderen Zijner hand". En als ik dat doe, zoals in mijn laatste schrijven in Ontmoetingen 32 (zo uit mijn hart), dan wordt dat aan alle kanten weer getemperd door uw antwoord.

Misschien zegt u: We moeten altijd oppassen dat we niet doorslaan naar de andere kant. Maar, broeder, eer de kerk doorslaat naar de andere kant, moet er nog heel wat gebeuren. Daar hoeven we niet bang voor te zijn. Integendeel!

Nee, ik was niet blij met uw antwoord. Er zat iets in van: 'Pas maar op dat je niet met een ingebeelde hemel naar de hel gaat'. Deze uitdrukking wordt in sommige kringen meteen gebezigd, wanneer iemand volgens hen iets te blij is.

Ik kan het niet goed onder woorden brengen, maar ik vond uw antwoord een dooddoener. Je kunt ook met de Bijbel in de hand alle kracht wegnemen. Zo ervaar ik het, hoewel u het niet zo bedoeld zult hebben, maar soms doet men iets onbewust. Zoudt u eens willen nadenken over bovenstaande 'kritiek'. Ik kom dat vaker tegen in uw schrijven. Dan is net weer het blije en machtige er uit, dat wat tot leven strekt, wat hoop wekt in de harten.

ANTWOORD:

1. Ik meen dat er weinig bladen zijn, waarin elke gelovige, van welke richting ook, zich zo volkomen kan uitspreken als in IRS gebeurt.

In de 'zware' bladen zal men een brief als van u niet opnemen, omdat men hem te veel als een uiting van het 'vrolijke' christendom beschouwt. In 'lichte' bladen zal men een artikel van mij evenmin opnemen, omdat ik volgens hen te veel schrijf over de zondigheid van de mens, die ook na de wedergeboorte nog in ons gebleven is. Ik vind dat zo jammer, want zo sluiten we ons voor elkaar af. Zo worden we geestelijk ook niet rijker.

Heus, ik luister echt naar wat u zegt en ik bespreek dat ook met mijn Heere. Dan vraag ik Hem: "Heeft zij niet (een beetje) gelijk? Wilt U dat ik meer nadruk leg op de vreugde en de kracht, die U wilt schenken aan hen die in U geloven met een oprecht en ootmoedig hart?"

2. Terwijl ik bezig was met het optypen van het bovenstaande werd ik opgebeld door iemand van de Gereformeerde Gemeente. Zij bestelde zes exemplaren van "Hoe leef ik met een genadig God?". Ze vertelde dat ze zoveel had gehad aan dat boek van ds. Hegger. Ze dacht blijkbaar dat ze met iemand van de administratie sprak en merkte niet dat ze met de schrijver zelf sprak. Daarom maakte ik mij bekend.

En toen hadden wij een heerlijk gesprek met elkaar. Zij vertelde dat ze sinds een half jaar tot de volle ervaring van de vreugde des heils in Christus was gekomen.

Trouwens, dat merkte ik al meteen dat ik met een kind van God te doen had. Tussen de woorden door lees of hoor je dan die bepaalde ondertoon, die blijdschap èn die bepaalde verootmoediging die niet te beschrijven is.

Die spruit voort uit de levende eenheid met God in Christus. Je merkt dan zo goed dat de ander leeft uit dezelfde levende Christus, dat haar/zijn hart uitgaat naar dezelfde Heere, die we zo onuitsprekelijk liefhebben.

Van die gemeenschap der heiligen kan ik zo intens genieten. Dan kun je het eenvoudig tegen elkaar zeggen, hoe dankbaar je bent om zulk een volstrekt onverdiende genade, om wat de Heere aan jou heeft gedaan en nog steeds doet.

Zij vertelde mij ook dat zij zichzelf herkend had in de 'overstelpende blijdschap', die een gereformeerde ouderling was overkomen en waarover ik schreef op p. 200. Zo had zij dat ook ervaren, toen de Heere Zich aan haar openbaarde door Zijn Woord en Geest.

Ze heeft de gevreesde ziekte. Ze zei heel rustig: "Ik weet dat het niet lang meer duren zal en dan zal de Heere mij tot Zich roepen. Dan zal ik voor altijd bij Hem mogen zijn in Zijn heerlijkheid". En dat ofschoon zij nog betrekkelijk jong is.

Wat een genade, wanneer je rustig de dood onder ogen mag zien, niet als een donkere afgrond, maar als een doorgang naar het land van onzegbare glorie, het land van het zuivere lied en van het eeuwige licht, van de Zon die nooit ondergaat!

Ik vroeg haar ook te bidden voor een rooms-katholiek die dezelfde ziekte heeft en die ik mag bezoeken om hem van datzelfde rijke Evangelie te vertellen. Ze zou dat graag doen, opdat het de Heere moge behagen Zich ook aan deze zieke in de gloed van Zijn vergevende liefde te openbaren. Dat is de gemeenschap der gebeden, de eenheid in de priesterlijke voorbede.

Maar ik ervoer diezelfde gemeenschap met haar, toen zij sprak over de aanvechtingen van de boze en over de zondige wortel, die ook in haar nog steeds werkzaam is.

Dat vertroostte mij dat ook zulk een begenadigde nog steeds die strijd heeft tegen het 'vlees'. Maar beiden genoten we ervan om daartegenover te roemen in de altijddurende genade die Christus voor ons verworven heeft.

Later schreef zij een brief, waarin ze nog konkreter werd.

"Ik heb de lijsten voor de rouwkaarten laten klaarmaken. Ik nodig reeds nu u en uw vrouw uit bij mijn begrafenis en ik hoop dat u ook zult blijven bij de broodmaaltijd daarna. Maar u krijgt daar te zijner tijd wel bericht van".

Ik antwoordde: "Wat een genade, wanneer je zó kunt schrijven over het naderende einde dat tegelijk het begin is van een onzegbare heerlijkheid! Natuurlijk hoop ik dan aanwezig te zijn, maar ik durf dat nauwelijks nu al te schrijven.

In de eerste plaats, omdat alles dan ineens zo heel reëel op mij afkomt. Ik heb het nog nooit meegemaakt dat iemand zo nuchter en tegelijk zo vanuit het geloof sprak over zijn of haar spoedige dood. Het deed mij denken aan de juichkreet van Paulus: "Dood, waar is uw prikkel?" (1 Kor. 15:55).

In de tweede plaats: misschien roept de Heere mij nog eerder dan u tot Zich. Daarom kan ik uw uitnodiging slechts met een Deo Volente, "Zo de Heere wil", aanvaarden.

Terwijl ik hierover nadacht, kwam Zd. 16 van de Heid.Cat. in mij naar boven: "Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven".

De schaduw van de dood die ons heel ons leven volgt, is voor gelovigen een loutering. Daardoor worden we er voortdurend aan herinnerd dat alles hier vergankelijk is en dat het daarom dwaas zou zijn, wanneer wij ons met een wild begeren zouden vastklampen aan wat we toch ooit moeten loslaten.

Ik vroeg haar verlof om ook het bovenstaande te publiceren. Zij antwoordde:

Inderdaad, u mag ook dat opnemen in IRS. En ik laat het helemaal aan u over, hoe u dat doet, zodat de Heere alleen alle eer krijgt.

U vroeg mij of ik zeker wist dat ik niet mag bidden voor herstel Het enige wat ik daarop zeggen kan, is: Ik krijg daar geen gebed voor.

Vooral het laatste jaar neemt de Heere steeds meer de smart om mijn spoedige heengaan van mij weg. Hij wint mij meer en meer voor Zichzelf. Het zingt vaak in mij: "Veilig in Jezus' armen". Ik mag mij steeds meer verlustigen in de Drieënige God. Is er een groter genade denkbaar? Ik, de minste uit mijns Vaders huis, ik kan het gewoonweg niet op.

Steeds opnieuw mag ik de heilige omarmingen van de Heere ervaren. Mijn ziel verlangt met sterk verlangen. Mijn hart roept het uit tot de God die leeft en die aan mijn ziel het leven, d.i. de gemeenschap met Hem, geeft.

Hoe dichter ik nader tot het huis van mijn Vader, hoe sterker ik hijg naar die eeuwige woning, naar het huis van mijn Koning, waarin ik voor altijd zal mogen vertoeven. Als je dat zo mag beleven, dan - u zult dat begrijpen - geraakt die ziekte helemaal op de achtergrond. Verlost van het lichaam van de dood en van de zonde! Oh. wat zal het zijn: volmaakt en rein, voor eeuwig bij de Heere te zijn!

Hij die mij zocht, mij opzocht en mij heeft 'gearresteerd', toen ik zestien was, Hem zij alle eer. En na achtentwintig jaar - u weet dat - heeft Hij mij de volle geloofszekerheid gegeven. Dat die vreugde mij ooit te beurt zou vallen, dat had ik nooit kunnen denken.

3. Dat was een lange onderbreking, maar omdat het zo levensecht was, meende ik er goed aan te doen dit er tussen in te lassen. Ik kom nu echter terug op uw eigenlijke bezwaar dat ik te veel wijs op het zondige dat nog in ons is overgebleven.

Dat heeft ook te maken met mijn levenservaring. In 1948 riep de Heere mij tot het volle licht van de zekerheid van Zijn verzoening met mij door en in Jezus Christus. Ik ervoer dat als een totale vernieuwing.

Ik dacht toen dat iedereen, die daar zo levend over spreekt, voorgoed een veranderd mens zou zijn. Daarin ben ik echter vaak teleurgesteld.

Om slechts één voorbeeld te geven. In die begintijd na mijn bekering had ik veel kontakt met een ex-priester die overgegaan was naar een pinkstergemeente. Hij keerde zich altijd tegen de 'zware' richting. Nee, we moeten blij-blij zijn, zo beweerde hij. Helaas heeft hij later zijn vrouw en kinderen in de steek gelaten en is hertrouwd met een gescheiden, ongelovige vrouw.

Nog dit jaar ben ik diep teleurgesteld in iemand van de 'zware' richting, die echter beweerde bekeerd en dus een kind van God te zijn. En misschien is dat ook wel zo, daar blijf ik buiten.

Weer moest ik bij mezelf constateren dat ik geneigd ben onvoorwaardelijk iemand te vertrouwen, wanneer die spreekt met termen die ook echte kinderen Gods bezigen. Ik heb mezelf opnieuw moeten vermanen: Blijf een bijbels-wijze nuchterheid in alles betrachten!

U ziet dat ik zelfs op mijn 72ste levensjaar nog voortdurend moet leren en dat leerproces gaat door tot aan de laatste snik, althans indien wij ons blijven openstellen voor Gods Woord en voor wat anderen daaruit opdiepen en doorgeven via de gemeenschap der heiligen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1988

In de Rechte Straat | 31 Pagina's

ONTMOKTINGEN 34

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1988

In de Rechte Straat | 31 Pagina's