In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Ze worden nooit wat

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ze worden nooit wat

6 minuten leestijd

Gelovigen die door de Heere getrokken worden naar de allerinnigste eenheid met Hem, worden in hun eigen ogen nooit wat voor God en de mensen. Ze zien deze vertroetelingen Gods steeds meer als een onverdiende begenadiging.

Hun levensprogram is een kreet van hun hart: "Hij (Christus) moet wassen, maar ik minder worden" (Joh. 3:30). Dat is voor hen niet het 'moeten' van een harde wet die van buiten af tot hen komt. Zij zien het als een innerlijke noodzaak, als iets dat ze met heel hun hart, hun verstand en hun geest beamen.

Natuurlijk blijven ook zij mens en soms zal ook bij hen de vleiende gedachte naar boven komen: 'Maar de Oneindige openbaart Zich dan toch maar aan jou zoals aan weinig anderen'.

Maar ze hebben daar heel erge pijn van. Ze verafschuwen zulk een hoogmoedig denken. Ze haten elke zelfroem die zich in hen naar boven wil wringen.

Vaak zullen ze het ook zien als een gemene, vieze overrompeling van de duivel, die zo hun ziel bezoedelen wil.

En ze weten dat dit zo Gods beschikking is nl. dat wij hier op aarde nooit de volmaakte zuiverheid zullen bereiken. Ze onderwerpen zich daaraan, omdat ze Gods wil liefhebben, maar ook omdat ze weten dat de Heere hen aldus steeds meer wil louteren en leeg maken van zichzelf, zodat ze daardoor groeien in de volheid van Christus.

Wanneer u iemand tegenkomt die prat gaat op zijn hemelse bevindingen of op zijn gaven des Geestes en u bespeurt bij hem niet dat verdriet om dat zelfbehagen dat telkens in hem naar boven komt, wees dan op uw hoede.

Vroeg of laat zal zo iemand ten val komen. Dan kan blijken dat het allemaal ingebeeld was of, als het echt was, zal hij daardoor tot verootmoediging komen. Denk maar aan de groten in Gods Koninkrijk zoals David en Petrus.

Het steunen op eigen kracht, het "Ook al zouden al de anderen, maar ik niet" komt dan als voosheid aan het licht.

Bid om de toename in de deemoed voor Gods aangezicht. En wanneer u door de Heere bent aangeraakt, zal dat gebed ook vanzelf uit uw hart opkomen.

Dan weet u immers - en u ziet het ook - dat de Heere alleen maar waard is om geroemd te worden. U weet ook dat elk vleugje van zelfzucht een belemmering is voor de volle uitbloei van de liefde. Egoïsme, het zoeken van zichzelf en dus ook van de eigen eer, en de liefde staan lijnrecht tegenover elkaar.

Immers de eigen trek van de liefde is het zoeken van de Ander. De liefde drijft ons naar de Ander toe, zodat we onszelf helemaal vergeten. We willen verzinken in Hem, terwijl desondanks de afstand tussen Hem en ons tegelijk oneindig blijft.

En juist dat is die zoete spanning van de liefde Gods. Juist omdat je zo betoverd bent door de schoonheid en de volstrekte zuiverheid van je Geliefde, wil je naar Hem toesnellen, je in Zijn armen werpen.

Maar als je dan dicht bij Hem komt, kreunt het in je: "Ik ben het niet waard! Ik ben het niet waard! O God, wees mij, zondaar, genadig!"

Maar dat duurt maar even, want dan zie je meteen weer die vertederende glimlach van Gods genadige Vadergelaat. Dan zie je hoe Hij je dringend uitnodigt: "Kom maar, want je bent wel onrein in jezelf, maar volkomen rein in Mijn Zoon, Jezus Christus". En als je dat hebt gezien, zing je met Paulus: "Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven" (Ef. 3:8).

Ga en geniet van Gods liefde, geniet van Hemzelf. Hij wil dat!

PS. Nadat ik dit artikel geschreven had, bracht de post een brief van een abonnee (dezelfde van Ontmoetingen 31 - zie p. 17), waaruit ik citeer:

Altijd zullen en willen gelovigen erkennen: Het was goed verdrukt te zijn geweest. Ze proeven, soms meteen, soms pas later, Gods liefde in alles en ze komen dan tot de lofzang in stilheid (ps. 65) op zoveel liefde, zoveel geduld en zoveel zachtheid in Zijn leiden en zulk een weerbarstig, hardnekkig, nukkig en kleingelovig schaap van Hem. In elk geval, zo mag ik nu weer leven in die stilte, de vrede Gods die alle verstand te boven gaat. Het is goed, het is vrede, het is stil in mij. Er zijn geen gevoelsberoeringen meer, geen drastische omkeer; 'gewoon' zachtjes word ik geleid in zeer stille wateren der rust. En mijn ziel zingt ps. 23 en de lofzang uit Rom. 11:33-36, die u las, toen u bij ons was.

Ja, dan ben je zo maar stil, vertrouwend stil. En dat alles is geen werk van jezelf, o nee, want zodra de liefdekoorden iets minder strak lijken, gaan we (ik) wroeten om los te komen. Alles wordt ras aangegrepen om af te dwalen onder de allervroomste motieven.

Er is nu in mij zo'n rust van altijd bidden, bidden zonder ophouden (1 Thess. 5:17), zo maar dat heel nietige en toch zo bovenmatig heerlijke, zoals u ook zei: niets te hóeven doen, niets te móeten, want Hij zorgt heerlijk goed voor alles. Daar hoeven wij nou niets voor te doen en niets ervan af te doen. En dat kan je zo blij en tevreden stellen, is het niet? Want dan wordt het: Hij alles en ik niks. Dan weet je: laat het leven maar komen zoals het komt; het is geleid, het wordt gestuur, ik word gedragen en bewaard. En juist nu het (deze keer) zonder (duidelijk) gevoel gaat, juist nu ligt het zoveel te vaster; niet in mij, niet in mijn gevoel, geen gevoelsverzekering of bevestiging, nee, het ligt in Hem. Hij is vast en zeker en bij Hem ligt mijn 'zekerheid' veilig bewaard. En nu maar blind vertrouwen op Zijn Woord, op Zijn volbrachte werk voor mij en Zijn begonnen werk in mij, verder! Want zodra ik ga redeneren en 'nadenken' enz., dwaal ik af en ben ik de weg kwijt en ben ik alles kwijt.

Ons leven zou eigenlijk één lange lofzang moeten zijn op Zijn liefde. En toch heb ik nog altijd moeite om te geloven dat Hij mij hebben wil, mij, de onwaardigste in Zijn Koninkrijk, ik die altijd weer geneigd ben om het zelf te doen en te vergeten dat Hij het reeds heeft gedaan, en die daarom zo gemakkelijk verzuim om te bidden om de kracht van omhoog die al ons denken en bidden te boven gaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 1988

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Ze worden nooit wat

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 1988

In de Rechte Straat | 32 Pagina's